JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

DE TURK

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE TURK

6 minuten leestijd

„Hé, hebben jullie de nieuwste mop al gehoord? " Peter komt lachend de keuken binnen, laat zijn boekentas met een zware dreun op de grond belanden en trekt de rits van zijn jas los.

Twee zusjes en twee broertjes, die al aan de keukentafel wat zitten te drinken, kijken hem nieuwsgierig aan.

„Ook goeiemiddag", zegt Ans droog.

Maar zonder daar acht op te slaan, gaat haar broer verder: „Waarom hebben Turken geen bloemen voor de ramen? " Zijn zware stem slaat bijna over en vult de hele holle keukenruimte, als hij direkt het antwoord erop laat volgen: „Bloemen houden van ménsen." En déze dan, hoe vinden jullie die: „Waarom heeft een Turk altijd wat op? " Zijn pret-ogen gaan van de één naar de ander. „Wéten jullie dat niet eens? Een vuilnisbak heeft toch altijd een deksel? Ha! Ha!" Zijn lach davert door de keuken, echoot de gang in, waar moeder juist komt aanlopen om te kijken, wat de oorzaak is van al die hilariteit. Ze hoort nog juist de laatste opmerking, kijkt haar zoon, die al een eind boven haar uitsteekt, onderzoekend aan en vraagt: „Waar haal je zulke grapjes vandaan? ”

„O, die hoor je op school. Er zijn er nog veel meer. Eens even denke....”

„Nee, bespaar me de rest maar", zegt moeder kort. „Dat het met al die gastarbeiders wel eens moeilijk is, geloof ik wel. Dat kan iedereen begrijpen. Maar moet er dan zó over gepraat worden? Zijn het geen mensen? ”

„Ze kunnen beter naar hun eigen land terug gaan, dan was er minder werkloosheid", meent Peter.

„Misschien", zegt moeder voorzichtig. „Ik weet het niet. Ze lieten de gastarbeiders echt niet de leukste werkjes doen.

Zouden ze daar Nederlanders voor kunnen krijgen, denk je? Er zijn er genoeg die hun neus ophalen voor zulke baantjes en liever een uitkering opstrijken. Maar afgezien daarvan: wij hebben ze laten komen en wij hebben ze te behandelen als mensen.”

„Je kunt ze nooit vertrouwen", windt Peter zich op. „Elke keer als we met de groep naar school fietsen, staan er een stuk of wat ons op te wachten. Ze moeten Leen hebben, maar die fietst nu een andere weg.”

Daar moet moeder meer van weten. „Waarom moeten ze Leen hebben? ”

Peter haalt de schouders op. „Hij heeft een keer een turkse jongen voor de fiets gehad. Daar zijn ze zeker kwaad om.

Maar dan had die jongen maar uit moeten kijken. Ze hebben ons al een keer allemaal laten stoppen. Ze wilden eerst kijken of Leen erbij was. Toen ze hem niet zagen, mochten we doorrijden, ”

„Dus Leen gaat nu heel alleen een andere weg? " vraagt moeder verbaasd.

„Ja natuurlijk. Hij heeft geen zin in een pak slaag.”

„Maar hij heeft die jongen ook uitgescholden en nat gespoten", voegt Ans er nu aan toe.

„Zie je wel: daar heb je 't al", knikt moeder, „en nu voelen ze zich bedreigd en willen wraak nemen. En als ze nu ook nog eens jullie moppen zouden horen, dan konden ze met recht zeggen: zo, dat zijn dus die christelijke kinderen die zo'n eind fietsen om toch maar naar een reformatorische school te kunnen.”

Even is het stil in de keuken. Moeder schenkt de koffie in. Peter zit ook aan de tafel en weet even niets te zeggen.

„Ik fiets morgen ook niet met de groep mee, als die Turken ons weer tegenhouden", zegt Marjan een beetje benauwd. „Denk erom, dat jullie niet schelden of uitdagen", waarschuwt moeder. „Je zou een komplete veldslag krijgen. Ik kan me zo voorstellen, hoe jullie daar voorbijfietsen: in je hart heb je minachting voor hen. Denk je dat ze dat niet voelen? Jullie zouden beter gewoon vriendelijk kunnen zijn. Dat kan soms de hele lucht opklaren.”

„ ’k Zou niet weten hoe ik aardig tegen die lui zou moeten doen", mompelt Peter en haalt de schouders op. „Maar jullie fietsen gewoon mee hoor", zegt hij tegen zijn zusjes. „We moeten als groep bij elkaar blijven.”

Toch blijven moeders woorden haken. , , 'k Ga aan m'n werk", zegt hij dan en ze horen hem schel fluitend de trap opgaan.

Als vader 's avonds van het geval hoort, zegt hij nadenkend: „De gastarbeiders zien in Nederland niet veel om jaloers op te zijn. Ondanks de welvaart. En het deel, dat dan nog christelijk wil genoemd worden, geeft dat nog een voorbeeld? De ontwrichting overal We zouden er meer aan moeten denken, dat we allemaal méns zijn. Maar we weten niet wat dat betekent, anders zouden we niet zo tegenover de naaste staan, ook niet als die naaste een andere kleur heeft. De Heere zal straks niet vragen, van welk ras we zijn. Hij zal Zijn beeld terugvragen, dat we kwijt zijn. Van de Turken, maar ook van ons. En ons wordt de weg nog gewezen...”

Elke morgen fietst de groep langs de Turken, die hen zwijgend nakijken. En het is, alsof er een stille dreiging tussen ehn in hangt.

De groep fietst naar huis. Weer een schooldag om. Er wordt niet veel gepraat, want er is heel wat wind. Eerst was er nog gekibbel, wie moest „windje vangen". Tot Jolijn en Marjan op de fiets sprongen met een: „Erg galant zijn de heren niet. Wij beginnen wel."

Nu spurten ze zwijgend achter elkaar, weggedoken achter de rug van de voorganger.

Langs de stille Achterdijk ziet Peter ineens een jongen lopen met de fiets aan de hand. Zo.... een platte achterband.... neit zo best. Maar als hij dichterbij komt, ziet hij dat het één van de turkse jongens is. Even houdt hij de vaart in. Maar de groep sjeest door, hij moet mee.

„Gewoon vriendelijk....”

Hij remt nog wat meer af.

„Hé! Doorrijden!", wordt er geroepen. Ze fietsen hem allemaal voorbij. Dan stopt Peter toch, vlak bij de jongen. Die kijkt hem met zijn zwarte ogen donker aan.

„Lekke band? ", informeert Peter, terwijl hij zich afvraagt, wat hij eigenlijk mankeert

„Dat zie je", is het korte antwoord. „Moet je nog een eind? ”

De jongen kijkt hem argwanend aan. „Nogal ja. Gaat dat jou wat aan? " „Je zou hem kunnen plakken.”

„Als ik plakspullen bij me had, wel." „Ik heb ze bij me. Zullen we het samen even doen? "

Wéér die onderzoekende blik uit de donkere ogen, nu ook wat verbaasd. Een korte aarzeling „Oké.”

Samen gaan ze aan de slag. Peter is er geroutineerd in. Hoeveel banden zouden ze in de groep onderweg al geplakt hebben? Het lek is gauw gevonden. Zwijgend leggen ze samen de band er weer om. Peter bergt zijn plakspullen op en springt op zijn

eigen fiets. „Bedankt", klinkt het dan kort. Even kruisen hun ogen elkaar.

„Oké", doet Peter luchtig en spurt weg. Nu moet hij wel het hele eind alleen tegen de wind in. Hij had wel gezien dat de groep, aarzelend, even was gestopt. Maar toen waren ze toch maar doorgefietst. Toch heeft hij er geen spijt van.

De volgende dag staat er geen groep Turken op de hoek. Dan waagt Leen het ook maar weer en fietst met de andere mee. Gewoon vriendelijk

Benthuizen A. Vogelaar-van Amersfoort

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 maart 1984

Daniel | 33 Pagina's

DE TURK

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 maart 1984

Daniel | 33 Pagina's