Een middag op de kinder-bijbek-klub
„Oei", schrikt Kees, „kom op jongens, de klub gaat beginnen.”
Jeroen kijkt om. „Hé gaan jullie weg, we waren toch juist fijn aan het knikkeren? " „Ja, joh, ga ook mee, dan zullen we vragen of je ook op de klub mag komen.”
Opgewonden stuiven ze even later binnen.
Een gezellige boel. Ieder heeft zijn eigen belevenissen te vertellen.
„Juf, ik heb een broertje gekregen." „Juf, m'n vader is ziek”
Maar als de klub gaat beginnen, is iedereen toch stil. Marjolein mag een vers opgeven dat ze samen gaan zingen. Jeroen kijkt intussen onwennig rond. Als juf gaat bidden, zegt een meisje tegen hem: „Joh, je moet je handen samen doen en je ogen dicht.”
Kees stoot hem aan: „Kijk zo." Verschrikt doet Jeroen z'n ogen dicht. Onder het bidden kijkt hij voorzichtig door een kiertje naar de anderen of hij z'n ogen al weer open mag doen. Als juf „amen" zegt, stoot Kees hem aan. „Nu mag je weer kijken", zegt hij zachtjes.
Kees is al heel vaak op de klub geweest. Als juf vraagt waarover de vorige keer is verteld, weet hij het nog precies. Het ging over de Heere Jezus Die gevangen genomen werd. En over Petrus die had gelogen. Hij had net gedaan alsof hij de Heere Jezus niet kende.
Maar toen zijn Meester hem aankeek, is Petrus weggegaan uit de zaal waar ze waren, met een groot verdriet in z'n hart. Hij had zijn Meester verloochend. En de Heere Jezus moest sterven aan het kruis.
„Had de Heere Jezus dan kwaad gedaan? " vraagt juf.
Kees schudt z'n hoofd. „Nee juf, Hij stierf voor de zonden van andere mensen.”
„Voor mensen die in Hem geloven", weet Maijolein.
„Zijn er dan ook mensen die niet in Hem geloven Marjolein? ”
„Ja juf, die zeggen dat God niet bestaat. En er zijn ook mensen die nog nooit van de Heere Jezus gehoord hebben, heidenen en zo. Weet u nog wel van de dia's die we gezien hebben? ”
Als juf vraagt of het Woord van God ook aan die mensen verteld moet worden, blijft het even stil enkelen knikken aarzelend van ja, maar de meesten schudden van nee. Ook Ria.
„Waarom niet, Ria? " „Nou ik denk dat ze het niet kunnen begrijpen. Het is veel te moeilijk. En die mensen bidden voor houten en stenen goden en dat mag niet van God.”
Dan vertelt juf verder van de discipelen die bij elkaar zitten in een kamertje in één van de huizen van Jeruzalem. Ook Petrus is er bij.
Somber staart hij voor zich uit. Steeds moet hij denken aan dat erge dat hij gedaan heeft. Hij dacht nog wel dat hij het meeste van allemaal van zijn Mees
ter hield. En nu was voor de dag gekomen hoe slecht hij was. Nooit kon hij het meer goed maken, want zijn Meester was gestorven. Zo zitten ze al bijna drie dagen bij elkaar.
Achter juf hangt een groot karton. Daar staan grote duidelijke letters op. In zichzelf spelt Jeroen zachtjes de woorden: „Komt allen tot Mij die vermoeid en belast zijt en Ik zal u rust geven." Hij kijkt opzij naar Kees. Zou die weten wat dat betekent?
„Ben je ook zo moe van de zonde? Draag je ook zo'n zware last, net als Petrus? " hoort hij juf vragen. „Dan mag je er mee naar de Heere gaan. Hij zegt: „Kom maar naar Mij toe, dan zal Ik dat zware pak van je overnemen. Dat grote pak van zonden dat God straffen moet, daar zal Ik de straf voor dragen. Ik ben er voor gestorven in jouw plaats. Nu heb je geen rust, omdat je geweten je beschuldigt iedere keer als je kwaad doet. Maar Ik kan je rust geven. Petrus had ook geen rust meer toen hij zijn Meester verloochend had. Er kwam pas vrede en rust in zijn hart toen de Heere Jezus hem na Zijn opstanding Zelf heeft opgezocht om hem zijn zonden te vergeven. Wat de Heere Jezus en Petrus toen samen bepraat hebben, weten we niet, maar dat alles weer goed was, dat kon je wel aan Petrus zien. Zijn gezicht staat niet meer somber maar blij.”
Samen gaan de kinderen nu de tekst opzeggen.
Iedere keer prikt de juf een blanko kaartje voor een woord, zodat je het dan niet meer kunt lezen. Hoe meer woorden er weggeprikt worden, hoe moeilijker het wordt. Als ze de tekst uit hun hoofd kunnen opzeggen, legtjuf de kaart weg en gaan ze knutselen.
Achter in het lokaal staat alles al klaar. Naast ieder werkje ligt een dropveter. Voorzichtig breekt Jeroen er een stukje af en steekt het in z'n mond. De rest stopt hij in z'n zak voor straks.
Voor hem ligt een stevig karton, waarop met dunne stippellijntjes staat: „Komt allen tot Mij”.
Jeroen krijgt ook een naald met een mooie gekleurde draad er in waarmee hij voorzichtig op de stippeltjes door het karton moet prikken. Stukje voor stukje borduurt hij langs de lijntjes. Intussen legtjuf de Bijbels klaar waaruit ze straks zelf de geschiedenis van Petrus mogen lezen.
Als op iedere stoel een Bijbel ligt, mag iedereen die de tekst van de vorige week nog kent, om de beurt naar voren komen en hem opzeggen. Kees loopt ook naar voren en Marjolein en Carla ook. Als je de tekst vlot kunt opzeggen, krijg je een stip.
„Juf, hoeveel stippen nog? " vraagt Marjolein. „Nog drie."
„Bijna vijftig stippen", juicht ze, „dan krijg ik ook een kinderbijbel."
Jeroen vindt zijn kaart erg mooi worden. Blauw met geel. „Voor moeder", denkt hij, „dat zal ze fijn vinden.”
„En als ik straks thuiskom, vraag ik of ik voortaan ook naar de Bijbelklub mag.”
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 maart 1984
Daniel | 32 Pagina's