Geef altijd Gods Woord door
„Op een gegeven moment komt er een vraag van een van die jongens en die zegt: , , Als ik ugoed begrepen heb dan is het belangrijkste in uw leven, dat u gelooft dat uw zonden om Jezus' wil vërgevenzijn endatu Hem mag dienen. Heb ik het goed begrepen: is dat het meest wezenlijke van uw leven? " En datflitst dan door je heen: wat moet ik nu doen ? Ik voelde dat ik op dat moment niet kon zeggen: Ik heb wel eens een ogenblik in m 'n leven dat ik dat geloof Ik zei: Joh, watje daar zegt, dat is nu het diepste uit mijn hart en waar ik hartgrondig amen op zeg. Dat is niet altijd even gemakkelijk. Maar dat is het." Zomaar een flits uit het vraaggesprek met evangelist Segers uit Leeuwarden. JohanAlbert Segers is geboren en getogen in Lisse. Tot september1977 was hij daar werkzaam, eerst als leraar; de laatste 17 jaar als direkteur van de christelijk mavo Uit er meer. De evangelisatie-post in Leeuwarden is mede mogelijk gemaakt door de aktie van onze Jeugdbond: „ Zending in Nederland". „Doe het werk van een evangelist; maak dat men van uw dienst ten volle verzekerd zij", was het woord
Kunt u in het kort het werk van een evangelist omschrijven?
Het werk van een evangelist is dat je het Woord Gods dient te brengen aan degenen die het Woord niet gehoord hebben. En in één adem daarmee genoemd: ook aan hen die van het Woord vervreemd zijn. En dat is hier in Friesland een veel grotere groep dan de eerste. Men weet het van ouders en grootouders nog behoorlijk, maar is zelf vervreemd van het gereformeerd belijden. Zo heeft elk van onze evangelisatieposten zijn eigen karakter. De post Leeuwarden en de post Tilburg zijn onvergelijkbare grootheden. Velen hier hebben op jeugdige leeftijd met de kerk gebroken, anderen lezen nog wel in hun Bijbel, maar gaan teveel uit van een soort geloofsautomatisme. Ook ten aanzien van hen heeft een evangelist een taak. Daarnaast heb ik ook de taak om hen die naar het Woord Gods beginnen te luisteren — mag ik het bijbels zeggen — om hen de weg Gods bescheidenlijker uit te leggen. En tenslotte is het mijn taak om allen die de Heere liefhebben ootmoedig te mogen dienen. Het spreidingsveld is dus veel groter dan in een geordende gemeente. Een probleem is dan ook, dat wat voor de een te moeilijk, voor de ander te eenvoudig is.
Naast deze dingen is er volgens mijn instruktie ook een externe taak. Namelijk om in den lande, waar mogelijk, te vertellen van het werk van de evangelisatie en de gemeenten te stimuleren en ieder te wijzen op z'n persoonlijke verantwoordelijkheid. Als je dat alles overziet, dan buig je het hoofd en zeg je: ja, Heere, wie is tot deze dingen bekwaam.
Welke middelen gebruikt u om het Evangelie bij de mensen of de mensen bij het Evangelie te brengen?
Als eerste middel noem ik dan het persoonlijk gesprek, 'k Weet wel, daar begint het vaak niet mee, maar dat vind ik het centrale. De bijbelse boodschap is geen konfektieartikel. Is het niet indrukwekkend dat er staat van de Heere Jezus dat Hij door Samaria moest gaan. Jezus achtte zich niet te min om een preek te houden over een kerkbezoek van één persoon. Dat is, omdat mensen persoonlijk tegenover God staan. Geloof, bekering.... 't zijn erg persoonlijke zaken.
En hoe kom je nu tot zo'n gesprek? In de eerste plaats heb ik het nodige foldermateriaal. Wij „folderen" met pasen, in de zomervakantie en met kerst zo'n 4000 a 5000 folders in steeds wisselende delen van de stad. (Dat doen we in overleg met andere kerken.) Ook werk ik met advertenties in een huis-aan-huis-blad. En dat wordt door velen gespeld. Daar krijg je reakties op. Een voorbeeld: twee jaar geleden kwam, naar aanleiding van zo'n advertentie, een van huisuit roomskatholieke vrouw op zondagmorgen de samenkomst binnen. Aan 't eind van de dienst maakte ik bekend wanneer er weer bijbelkring gehouden zou worden. Tot mijn „stomme verbazing" was die vrouw 's maandagsavonds ook aanwezig. Tot haar verhuizen is ze een trouwe bezoekster gebleven. Met kerst kregen we nog een kaartje van haar.
Gisteren kreeg ik nog een telefoontje van een vrouw die zei: , , 'k Wil over die advertentie nog eens met u spreken " Je moet dus niet in grote aantallen denken, maar dit blad komt wel in zo'n 35.000 brievenbussen.
Uiteraard staan de gewone zondagse diensten ook in de plaatselijke pers aangekondigd. En dan is er nog het werk van de kinderevangelisatie. Dat is ook een heel belangrijk middel.
Krijgt u door die kinderevangelisatie ook de ouders naar de samenkomsten?
Nee, alleen met kerst komen ze soms mee. Wellicht speelt mee dat de kinderevange
vraaggesprek met evangelist Segers over de houding van de moderne mens tegenover het Evangelie,
lisatie plaatsvindt in een ander gebouw. Dat kan helaas niet anders, maar het werkt de herkenning natuurlijk niet in de hand. We ervaren dit wel als een gemis.
Het persoonlijk gesprek staat dus centraal. Hoe vindt u een aanknopingspunt om zo'n gesprek te beginnen, bijvoorbeeld met iemand die nog nooit van het Evangelie gehoord heeft?
In Friesland kom ik mensen „die nog nooit van het Evangelie gehoord hebben" bijna niet tegen. Men weet er „nog wel wat van". Dan heb je dus al een aanknopingspunt. Men heeft bepaalde kritiek op de kerk, men heeft bepaalde vragen en daar kun je dan op ingaan. Al moetje hier soms ook mee oppassen. Op de landelijke evangelisatiedag in Woerden sprak ouderling Vijfhuizen uit Rotterdam. Hij stelde: de meeste deuren, zo ze al open gaan, gaan al weer gauw dicht. En als ze open blijven, dan is het vaak zo, dat men alleen maar wil spreken over de eigen, meestal sektarische, gedachten. Dan moetje dus naar hén luisteren in plaats van met hen te spreken. Je moet dus oppassen datje niet verstrikt raakt in de standpunten en gedachten van de mensen met wie je in gesprek komt.
Ik denk aan de grote evangelist Paulus op de Areopagus. Hij knoopte inderdaad aan bij het altaar van de onbekende God, maar en dan komt het, dan zegt hij: „God dan, de tijden der onwetendheid overzien hebbende, verkondigt nu alle mensen alom, dat zij zich bekeren." Je haakt dus wel in op de belevingswereld van de mensen, maar je moet direkt doorstoten tot de wezenlijke boodschap.
Maar u spreekt toch ook wel eens mensen die echt niets (meer) van de Bijbel afweten? Jawel, die zijn er ook. En ook dan moet je doorstoten naar de wezenlijke zaken. Ik denk aan een voorbeeld: ik raakte eens in gesprek met een socioloog, een knappe vent. Door zijn vraagstelling ging ons gesprek direkt door tot het wezenlijke van het christelijke geloof. Dus, wat is het geloof en hoe kom ik eraan? 't Kan ook heel anders. Iemand belt op zaterdagavond op: ik zit in nood, mag ik komen? Dat is best. Even later wordt er gebeld. Ik laat hem in de studeerkamer. Hij vertelt dat hij in de gevangenis heeft gezeten, drugshandel enz. Maar uiteindelijk ging het daarom: kon ik hem wat geld lenen, 't Ging hem dus alleen maar om de christelijke barmhartigheid, 'k Heb hem toen gewezen op de Berenbos — die was toen nog open — en hem aangeboden hem naar 't station te brengen en een kaartje Leeuwarden - Nunspeet voor hem te kopen. Daar zag hij echter duidelijk vanaf. Ik heb toen aan deze man gezegd dat hij op een verkeerde manier bezig was en hem verteld wie de Heere was, wie wij zijn en ook wie Hij wil zijn. Zo heb ik hem dus in aanraking gebracht met dé Boodschap. Maar ook hier dreigen gevaren. Je spreekt met een buitenkerkelijke ook over het leven na dit leven. Je spreekt over sterven en oordeel, maar daar moet je toch ook weer mee oppassen. Het is me wel eens gebeurd, dat ik over deze dingen sprak en dat juist daar het gesprek vastliep. De persoon in kwestie reageerde: „Ja, ja, daar had ik al op zitten wachten. Als ze niets meer weten, die christenen, dan gaan ze je bang maken met deze dingen." En toen heb ik moeten denken aan Paulus. Die zegt niet dat de schrik des Heeren u tot bekering moge brengen, maar: Wij dan, wetende de schrik des Heeren, bewegen u tot het geloof. Wij moeten erom denken dat het Evangelie niet gebracht moet worden in de zin van een „gratis begrafenispolis voor het eeuwige leven”.
Ik denk ook aan een voorbeeld van een jongen op een middelbare school die op deze
dingen reageerde — hij was duidelijk onkerkelijk: „Kom nou, dat is allemaal geleuter. Er is geen leven na dit leven." Ik zei toen: „Joh, wat heb jij een groot geloof. Hoe weet je dat? "
'k Heb echter wel de ervaring datje geen receptenboek bij je hebt en dat je je vreselijk kunt vergissen in wat mensen zeggen en wat ze precies bedoelen. Dat betekent voor mij een voortdurende worsteling of de Heere mijn woorden met zout wil besprengen.
Zijn gesprekken met mensen die nog nooit van Gods Woord gehoord hebben gemakkelijker of juist moeilijker dan met mensen die nog wel „de nodige achtergrond" hebben?
Als je vraagt: wat zijn de „hardste" mensen? Dat zijn de mensen die gedoopt zijn, die dus leven op het terrein van het verbond, die opgevoed zijn bij de kerk, maar zich zeer nadrukkelijk hebben verhard, met alles hebben gebroken, en zich afzetten tegen de Heere en Zijn dienst.
En dat is voor mij, als ik jonge mensen zie, een aangrijpende zaak. Jongens, weet toch watje doet als je met deze dingen breekt. De Bijbel spreekt van dubbele slagen. Nou, wees daarvan overtuigd.
Toch zullen tal van bijbelse begrippen bij totaal onkerkelijke mensen onbekend zijn. Dat kan toch wel problemen geven?
Dat is zo. Men heeft namelijk niet de minste notie van God, Zijn Woord, Zijn dienst. De wezenlijke betekenis van zonde en genade is hen totaal vreemd. Ik denk aan wat Kwantes vertelde om dit probleem duidelijk te maken. Zonde? Dat is als een kopje van tafel valt en breekt. Zonde, dat is als je morst op je nieuwe jurk. Alleen, een totaal buitenkerkelijke die reageert, bijvoorbeeld op een advertentie — en die zijn er gelukkig toch ook — dat zijn dan vaak wel mensen die over deze dingen hebben nagedacht. Deze mensen nemen dan ook zelf kontakt met je op.
In onze maatschappij kom je steeds meer tegen dat men weinig moet hebben van het christendom. U geeft soms ook les op een middelbare school. Wat merkt u daar van die afkeer?
Als gast mag ik op een scholengemeenschap komen als de leraren-godsdienst in hun groep het verschijnsel „zwarte-kouse-kerk" behandeld hebben. De jongelui zijn dus min of meer voorbereid. De laatste jaren zelfs behoorlijk. Als ik daar dan kom, dan mag ik eerst een minuut of drie-vier „een preekje" houden. Daarna mogen zij hun vragen afvuren. En dan ontstaat er direkt een gesprek. Ik doe dat in de klassen 4 havo en 5 atheneum. Ik ervaar dat als iets bijzonders, dat deze mogelijkheid geopend wordt. En nu kom ik bij jullie vraag. De reakties zijn verschillend. Een gedeelte ziet het christendom als een achterhaalde zaak, een hobby van een aantal welwillende en goedwillende mensen. Men maakt er zich verder niet druk over en zegt: nou ja, ze gaan hun gang maar. Dat is de eerste groep. De tweede groep is duide-
lijk wat vijandiger ingesteld. Zij zeggen: het christendom is een zaak die bestreden moet worden. Wat heeft twintig eeuwen christendom ons immers gebracht? De resultaten zie je. Dat is niet best. En dan de derde groep. Die is niet onverschillig en ook niet vijandig, maar ziet het christendom als een stuk humanisme. Ze willen wel spreken van vrede, maar niet weten van een vrede die alle verstand te boven gaat. Vrede betekent voor hen: geen kernbommen gebruiken. Dat alleen de Heere Jezus onze vrede is, gaat hen totaal voorbij. Ze spreken over de vrijheid van de christen, maar geven er deze inhoud aan, namelijk dat de mens autonoom is en zelf bepaalt wat hij wil. Abortus vindt men diskutabel, euthanasie is een uitgemaakt en geoorloofde zaak. De homo-sexualiteit is voor hen geen punt van diskussie meer. Je bent nu eenmaal zo. En jij doet, wat jij wilt. Jezus zien zij als een voorbeeld en de Bergrede is gedegradeerd tot een horizontalistische levensvisie. Ik denk aan een vraag van een van die knapen. In mijn inleidend praatje had ik het gehad over Jezus als Zaligmaker. Hij vroeg — en denk erom, het was op een „christelijke school" — hij vroeg: wat is een zaligmaker? De inhoud daarvan gaat hen totaal voorbij.
Welke bezwaren brengen die jongelui naar voren tegen het christendom en tegen de Bijbel?
Ze beginnen altijd enorm over de evolutie en over „God is liefde daar merk ik niet veel van". De kerk zien ze als een „verrot instituut dat z'n tijd heeft gehad”.
En hoe gaat u daar dan op in? Bijvoorbeeld op die evolutietheorie?
Wat die evolutie betreft, kan ik me voorstellen dat jullie denken: moetje daar nu uitvoerig op ingaan, is dat nu het wezenlijke van het christelijk geloof? Moet je daar nu je tijd aan verdoen?
Dat dacht ik eerst ook, maar daar ben ik van teruggekomen. Het is mijn ervaring dat de evolutietheorie een van de meest geëigende middelen van de duivel is om ais breekijzer te dienen om het Woord van God kapot te breken. Ik ga er dan ook uitvoerig op in en stel dat het een theorie is, zonder een enkel werkelijk bewijs. En ik zal het nooit vergeten, dat er een meisje zat, ze „steigerde" gewoon. Ze stond op en zegt tegen de leraar godsdienst: „Is dat waar? " „Nou, ja, kijk.... er zijn wel aanwijzingen....", begint hij, maar zij reageert direkt weer: „Maar het is dus niet zeker? " „Nou, zeker? Nee....", antwoordde de docent, waarop zij weer: „Nou, dan ben ik be (lelijk woord), want dit is voor mij de aanzet geweest waarom ik met mijn christelijk geloof gebroken heb”.
Bespeurt u soms ook bij de moderne mens, die totaal vervreemd is van de Heere en Zijn dienst, iets van een hunkering naar houvast? Naar zekerheid, naar een relatie met een hoger wezen?
Ja, een vastgelopen mens zal daar altijd naar vragen en zoeken. Alleen 't is zo intens verdrietig dat je ervaren moet, dat als het probleem opgelost is, men weer zo gemakkelijk overgaat tot de orde van de dag. 'k Heb het wel meegemaakt, dat ik ergens in een noodsituatie wel vier keer in een week gebeld werd en er dan naar toe moest. Ik ben geen maatschappelijk werker en ik sprak dus echt vanuit het Evangelie en over de weg die de Heere wil dat we gaan zullen. Men luisterde ernaar, maar toen het probleem opgelost was, was het over. (Mag ik even een opmerking tussendoor maken: komt dat bij ons, kerkmensen, misschien ook voor? ) Veel moderne mensen bij wie 't goed gaat: man, vrouw, twee kinderen, een jongen en een meisje, een aardig huis, fijne auto, leuke boot, friese meren met blauwe luchten...., hebben nergens behoefte aan.
Het komt vaak voor dat buitenkerkelijke mensen zeggen: ik geloof ook, alleen anders. Hou zou u daarop reageren?
We lezen van de Heere Jezus dat Hij spreekt en dan staat er: Velen geloofden in Hem, maar Hij betrouwde Zich hen niet toe. Ik heb dat altijd een aangrijpend woord gevonden. Geloof is iets dat wezenlijk bij de mens hoort. Elk mens is een gelovig mens. Dus als iemand zegt, dat hij gelooft, dan ontken ik dat niet, maar dan vraag ik: wat is de inhoud van uw geloof?
Vandaar dat ik op school — in dat „drieminuten-preekje" — nogal eens vaak begin met vraag 1 van de Heidelbergse Catechismus: Wat is jouw enige troost in dit
leven en als je straks gaat sterven? En in het antwoord heb je dan een indrukwekkende samenvatting van het christelijk geloof. Als aanzet kun je daar goed mee beginnen.
Bestrijdt het dus niet als men zegt te geloven. En als je dan naar de inhoud vraagt, krijg je vaak als antwoord: ik geloof dat er een God is en dat Hij alles gemaakt heeft. Of: ik geloof dat God alles bestuurt: „En wat gelooft u nog meer", vroeg ik eens. „Nou, is dat dan nog niet genoeg", kreeg ik toen te horen. En mijn reaktie, wel wat bits, was: dat doet de duivel ook en hij siddert. „U vergelijkt me dus met de duivel? " „Nee", zei ik, „maar als u niet verder komt dan dat, komt u niet verder als de duivel". Ik zal dus altijd vragen, als men zo begint, wat de inhoud van hun geloof is.
In hoeverre kun en mag je je in het evangelisatiewerk aanpassen aan de leefwereld va de moderne mens?
Het woord „aanpassen" vind ik niet zo prettig klinken. Aanpassen, dat is zo iets als een knieval maken. Alszodanig doe ik dat niet. Een buitenkerkelijke verwacht dat de boodschap van het Woord op een waardige wijze wordt gebracht en zich baseert op de Bijbel. Een totaal buitenkerkelijke zei eens tegen me: „Niets is voor mij waanzinniger dan een christen die niet gelooft dat de Bijbel het Woord van God is. Als ik ooit geloof, wil ik wel echt geloven". (De mensen van de schriftkritiek mogen zich dit voor gezegd houden!) Aan de andere kant: houd ik rekening met de moderne leefwereld? Ja natuurlijk. De Heere had ook Petrus naar Athene kunnen sturen, maar Hij heeft Paulus gestuurd. En dat was niet bij geval. Ik heb eens voor een groep „rooie vrouwen" gesproken. Dat doe je anders dan voor een van onze jeugdverenigingen. Dominee Vreugdenhil zal op Irian, waar ze nog in voorouderverering geloven, anders spreken dan ik tegen die jongelui op school die in Ajax of Feyenoord geloven. Maar inhoudelijk mag er geen enkel verschil zijn.
Je mag echter nooit op de populaire toer gaan. Dat verwachten buitenkerkelijken ook persé niet. 't Is het Evangelie bovendien onwaardig.
Veel jongeren krijgen bijvoorbeeld in een werksituatie vaak het verwijt: jullie zijn zo streng, bij jullie mag niets. Wat wilt u hen adviseren te antwoorden?
n Je kunt twee kanten uitgaan. Je kunt zeggen: een christen mag alles. Er is sprake van christelijke vrijheid, maar dat begrijpt men niet altijd. Ik zou het anders — sterker — doen. En dan moetje er op wijzen, dat als er de liefde is, er dan ook de begeerte is om naar Gods geboden te leven. Ik denk altijd aan die jongen, 't was een van mijn leerlingen, die mij vertelde dat hij met z'n broers naar de kermis wilde. Z'n moeder was weduwe. Ze hadden alle argumenten op een rijtje gezet. Er was wel een draaimolen, maar die had je in een speeltuin ook. Nou ja, je kent het wel. Zij naar moeder. „Moeder, mogen we naar de kermis? ”
„Wanneer willen jullie, jongens", vroeg hun
moeder. „Vanavond, moeder". En tot hun verbazing kregen ze het antwoord: „Dat is goed, jongens".
't Werd avond en de jongens maakten zich klaar om uit te gaan. „Jongens, nog even wachten", zei hun moeder, „we zullen eerst op de knieën gaan om de Heere te vragen of hij jullie wil bewaren." ....Ze zijn niet meer naar de kermis gegaan.
Ik wil maar zeggen: als de Heere een stempel op je leven heeft gezet, worden een heleboel van dit soort vragen opgelost. Toen ik nog op school was, kreeg ik vaak de vraag: mag je op zondag huiswerk doen? Ik zei dan altijd: , , 't Hoeft niet van de Heere". En wie de Heere mag toebehoren, zal nooit klagen over een harde dienst, over een harde God, maar wel over een hardleerse onderdaan.
Ook verwijt men ons vaak dat we onverdraagzaam zijn en onze mening aan anderen willen opleggen. Hoe „verkoop" je het dat in wezen iederen gebonden is aan de normen van de Bijbel?
Ik zou in de eerste plaats willen zeggen dat je de verdraagzaamheid van de ander wel met een korrel zout moet nemen. Je ziet in toenemende mate, bijvoorbeeld bij sollicitaties, dat je als christen wordt afgewezen, omdat je christen bent.
Indertijd had ik in Lisse kinderen op school die van een openbare school af kwamen. Op een dag vroegen de ouders me te spreken en verweten me: uw school indoktrineert. Ze dachten waarschijnlijk dat ik dat tegen zou spreken, maar ik zei: „U hebt gelijk, net zoals de openbare school ook indoktrineert". Wat is onverdraagzaamheid? Dan moeten we niet uitgaan van onze houding, maar van wat de Heere zegt. We moeten afwijzen wat de Heere niet wil. En de Heere is „onverdraagzaam" ten aanzien van alles wat niet tot Zijn eer is en niet tot onze zaligheid is. Mag ik een voorbeeld noemen: als een alkoholist mij zou vragen om een fles jenever, zou ik hem dat niet geven. Liefde is niet doen wat de ander wil, maar doen wat goed voor hem is. 't Moet dus een „onverdraagzaamheid" zijn die gebed is in de liefde.
Er zullen ongetwijfeld jongeren onder ons zijn die wel eens met onkerkelijke jongens en meisjes zouden willen praten over de Heere en Zijn dienst, maar die niet weten hoe ze dat moeten aanpakken. Kunt u wat aanwijzingen geven?
Mijn eerste opwelling is deze: ik hoop en bid dat de konstatering juist is. En wat betreft de aanwijzingen? In de eerste plaats wijs ik dan op het vóórleven. Dus dat onze wandel in overeenstemming is met ons woord. Klopt dat niet dan krijg je je woorden dubbel terug. Daar wordt vreselijk op gelet.
Ook op het werk. Een christen die altijd vijf minuten te laat komt, moet niet spreken over: zijt getrouw. Iemand die een kameraad altijd aan de zwaarste kant laat tillen, moet niet spreken over: draagt elkanders lasten. Iemand die met „een zware preek" een vloekende kollega vermaant, maar zelf schuine moppen vertelt, maakt zichzelf ongeloofwaardig. In de tweede plaats moeten we onze kleinheid bewust zijn en bedenken dat de vrucht niet afhangt van onze woorden. Laat daarom je woorden weinig zijn. Een derde aanwijzing is deze: spreek niet vanuit jezelf, maar vanuit het Woord van God. Vervolgens: maak duidelijk verschil tussen hoofdzaken en bijzaken. Ga geen ellenlange dis*kussie aan over bijvoorbeeld fietsen op zondag, praat liever indringend over: wat is jouw enige troost in leven en in sterven. Wees wel eerlijk. Je eigen ongeloof moet je ook durven belijden. Maar dan toch altijd weer zeggen: maar de Heere zegt... Geef altijd Gods Woord door.
Weet dat wij — die buitenkerkelijke en jijzelf — beide van nature geneigd zijn God en onze naaste te haten. Voel je dus niet „beter" dan de ander.
Indien mogelijk — en dat geve God — als het je gevraagd wordt leg verantwoording af van watje persoonlijk beweegt. Geloof is een geschenk van God. Dat heeft die buitenkerkelijke niet verdiend — en toch nodig — en jij ook.
We behoren allemaal het Woord door te geven. Elke dominee moet preken, maar heeft voor zichzelf niet altijd geloof. Toch moet hij het Woord aan het woord laten. Aan de andere kant: ee hen, die anderen de weg verkondigd hebben en zelf verloren gaan. De plicht geldt dus ons allen. En zwijgen lost niets op, want de Heere zal nooit Zijn goedkeuring geven over ons ongeloof. En daarom hoop ik dat in een ondergaande wereld, temidden van alle ontkerstening, ook jonge mensen Zijn Naam mogen belijden. Jongelui, naar jullie gaat mijn .hart uit En 'k heb ook verwachting. Zegt Gods Woord niet: Zij zullen u vrezen, zolang de zon en maan zullen zijn, van geslacht tot geslacht" (Ps. 72 : 5). Zijn Naam belijden! Een onmogelijke opdracht? Ja, zeker, als het in jullie eigen kracht zou moeten gebeuren. Voor jullie, voor ons allemaal, geldt het: nze hulp en verwachting zij van de Heere alleen.
Mijnheer Segers, nee: familie Segers, hartelijk dank voor de ontvangst in Ljouwert. Het was erg fijn, en dat in meerdere opzichten. We merkten dat we welkom waren. De Heere zij u tot een zegen en stelle u tot een zegen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 maart 1984
Daniel | 32 Pagina's