Onesimus, de weggelopen slaaf (3)
Niemand weet van je vlucht, niemand heeft gezien, dat jij je meester nog bestolen hebt ook. Je hebt nog gauw wat weggepakt hè? Je moet toch leven? Toe, Onesimus, je loopt je ongeluk tegemoet.
Door de drukke straten van Rome loopt een groepje soldaten. Ze hebben zojuist een aantal gevangenen afgeleverd bij de overste. Ze hebben hun plicht gedaan, hun opdracht vervuld en zijn nu vrij vandaag om te gaan en te staan, waar ze willen. Samen praten ze nog wat over de lange reis, die ze gemaakt hebben.
Eerst per schip vanuit Rome naar Cesarea, een stad in het land van de Joden. Een Romeinse kolonie. Daar moesten ze een man halen, die al twee jaren gevangen had gezeten. Die man had zich op de keizer beroepen en zij moesten hem met nog enkele andere misdadigers naar Rome brengen. Het was hun werk, boodschappen te doen voor de keizer. Soms waren ze maandenlang van huis. Ook deze reis had lang geduurd. Een wonderlijke tocht was het geweest. Die gevangene uit Cesarea, Paulus heette hij, was eigenlijk de hoofdpersoon geweest. Als hij er niet bij was geweest waren ze nooit veilig in Rome aangekomen. Hij had hen voor een groot ongeluk bewaard. Of nee, Paulus niet, maar de God van Paulus, Diè had hen bewaard. Ze zullen deze tocht niet gauw vergeten.
Tussen de passagiers, die in Putéoli aan land gaan, bevinden zich heel wat soldaten. Ze zijn boodschappers — koeriers — van de rómeinse keizer. Hun hoofdman heet Julius. Tussen hen in lopen gevangenen, de handen geboeid op de rug. Julius en zijnpolitiesoldaten weten, dat de dood hem wacht, als ze één van deze misdadigers zullen laten ontsnappen. Daarom bewaken ze hen zorgvuldig. Wat apart, omringd door een groepje mensen, loopt een kleine man. Hij is ook een gevangene! Maar, waarom loopt hij dan niet tussen twee soldaten? Waarom is het net alsof ze niet op hem letten? Zou hij niet zo'n groot misdadiger zijn als die anderen? Zou het niet erg zijn, als hij ontsnapt?
Wie zou die kleine man zijn? Hoe zou hij heten?
Ja, wie zouden ze toch zijn, die jonge, die rijke en die kleine man? Zouden ze zomaar toevallig in één verhaal genoemd worden? Horen ze soms bij elkaar? Wie zouden het zijn? Hoe zouden ze heten?
In het huis van Kolosse is een heel gezelschap bijeen. Allen luisteren naar een man, die met rustige stem iets voorleest uit een rol papier, uit een boekrol. „O, alle gij dorstigen, komt tot de wateren", klinkt het door de ruime kamer. Er is grote aandacht en als de man de boekrol weglegt en over het gelezene gaat spreken, als hij gaat vertellen Wie deze woorden sprak en voor wie ze zijn opgetekend, wordt het nog stiller. De mensen schuiven wat naar voren, om toch geen woord te missen.
Iedereen luistert. Iedereen? Nee, daar zit een jonge man, die beslist niet luistert. Hij verveelt zich. Zijn aandacht was al gauw afgeleid. Wat is alles toch veranderd in het huis van zijn meester. Er komen heel andere mensen op bezoek, dan vroeger. Nooit worden er meer van die grote, vrolijke feesten gehouden.
(wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 februari 1984
Daniel | 32 Pagina's