ELKAAR MISVERSTAAN
Naar aanleiding van het met mij gehouden vraaggesprek, dat in Daniël nr. 23 werd gepubliceerd, ontving ik behalve enkele mondelinge ook een schriftelijke reaktie van een kollega ouderling.
Hij schreef mij als volgt: „Als lezer van het jeugdblad „Daniël" heb ik kennis genomen van het gepubliceerde vraaggesprek met u. U hebt daarin behartigenswaardige zaken aan de orde gesteld met betrekking tot het ambt van ouderling. Toch kan ik mij niet aan de indruk onttrekken, dat één zaak, en m. i. een wezenlijke, niet goed op de lezers en dus ook niet op onz jonge mensen is overgekomen. Als u nl. zegtin verband met het kandidaatstellen voorambtsdragers dat de kandidaten daar bij niet „geestelijk gewogen" worden. Dan zou je je als kerkeraad een oordeel aanmeten. Er moeten werkelijk zwaarwegende argumenten zijn om iemand niet te kandidateren — dan roept deze passage bij mij grote vragen op. Moet niet één van de eerste overwegingen zijn bij het kandidaat stellen voor ouderling, of de betreffende persoon, voor zover wij op grond van Gods Woord kunnen oordelen, een beginsel van geestelijk leven heeft?
Het is zeker waar dat wij geen hartenkenner zijn, maar als ouderling, die de gezinnen bezoekt, hebben wij toch ook naarstig na te gaan of er in de gemeente vruchten zijn te bespeuren op de prediking en of er in de gemeente personen zijn die met genade en gaven bedeeld zijn om als ambtsdrager te dienen ? Hoe zal iemand zonder geestelijk leven onderwijs in dit leven kunnen geven? Ik stem toe dat ons oordeel een menselijk oordeel is, maar als God werkt in het hart van een mens, geeft Hij toch Zelf getuigenis van Zijn eigen werk en geeft oo wel afdruk in het hart van Zijn kinderen?
Uit de passage die ik uit het vraaggesprek citeerde „ schijnt" te moeten worden afgeleid dat geestelijke staat van een kandidaat niet een (allereerste) kriterium is, Mogelijk hebt u niet vermoed dat zulk een konklusie uit het gezegde kan worden getrokken en naar ik hoop hebt u het zö niet bedoeld? " Tot zover deze reaktie.
Allereerst wil ik deze broeder-ouderling hartelijk danken voor de positieve wijze waarop hij opbouwende kritiek geeft. En om bijzijn laatste opmerking te beginnen. Inderdaad heb ik nie vermoed dat zulk een konklusie uit mijn woorden zou kunnen worden getrokken. Daaruit blijkt mij dat de woorden „geestelijk gewogen" bepaald niet gelukkig gekozen zijn. Wat ik ermee heb willen aangeven is precies zoals in deze reaktie wordt opgemerkt, nl. dat wij geen hartenkenner zijn en slechts aanzien wat voor ogen is. Ons oordeel is en blijft altijd een menselijk oördeel. Het is ook op geen enkele wijze mijn bedoeling geweest de indruk te wekken alsofde geestelijke staat van een kandidaat niet een eerste kriterium is. Dat blijkt ook uit het feit dat ik—juist daarom — in hetzelfde antwoord allereerst verwezen heb naarTitus 1 en ï Tim. 3 en hetgeen Calvijn daarover samenvat. Dat er desondanks misverstand kan ontstaan is erg jammer.
En om te voorkomen dat er inderdaad niet door mij beoogde, echter helaas vaak snel getrokken foutieve konklusies een eigen leven kunnen gaan leiden, ben ik erg blij met deze broederlijke reaktie. Een reaktie die ook voluit staat in het teken van Mattheüs 18 en getuigt van een stuk zorgzaamheid indeomgang met elkaaren eenzich verantwoordelijk voelen voor elkaar. Daarmee geeft deze broeder ook tegelijk een duidelijk voorbeeld hoe wij bij misverstanden hebben te handelen. Immers hoe bitter teleurgesteld kunnen jongeren (maar ook ouderen) zijn als bemerkt wordt hoe onbarmhartig broeders van hetzelfde huis soms ongehoord over elkaar oordelen, zelfs elkaar veroordelen.
En ook als jongeren kun je in de omgang met elkaar, zogauw elkaar verwonden. Dat kan als je bijvoorbeeld elkaar alsmaar wantrouwt of aldoor afgeeft op de ander. O zo gevaarlijk i dat. Dat veroorzaakt vaak enorme verwijdering. Ook misverstanden kunnen zorgen voor grote brokken als we ze niet uitpraten, 't Maakt zo'n groot verschil of we bij een misverstand daar gelijk iets kwaads, iets negatiefs achter zoeken, of dat we daar in liefde met elkaar kontakt over zoeken. En dat juist vraagt de Bijbel, vraagt God van jou en mij. Dan zoeken we niet hetgeen deelt, maar hetgeen heelt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 februari 1984
Daniel | 32 Pagina's