WIE ZIJN WIJ?
Kijken we wel eens naar onszelf? Wie zijn we eigenlijk?
Wanneer we onszelf onder de loupe nemen, wat zien we dan? (Tijdens het schrijven en lezen van deze regels komt er misschien weerstand in ons op. Moet dat nu? Is het wel nodig om zelfkritiek te oefenen? Wat schieten we er mee op? Wat bereiken we er mee? )
Het is veel eenvoudiger om fouten bij een ander aan te wijzen: „de wereld" of „de jeugd van tegenwoordig" of „die rooie vrouwen" enz.
Het is ook nog wel te doen om te zeggen hoe wij behoren te zijn; bijv.: „het goede voorbeeld geven", „onze jonge mensen wijzen op de noodzaak van bekering" of „onze naaste in het gebed aan de Heere opdragen" enz. enz.
Maar als we eerlijk naar ons zelf zien, dan moeten we bekennen dat we in de rode cijfers staan, dat er alleen schuld overblijft. Dat willen we niet bekennen, dat schuiven we van ons af. Altijd maar weer proberen wede eigen fouten te verdoezelen, eigen zonden te ontkennen of op rekening van een ander te schuiven; op de omstandigheden of op Adam: „ik kan er toch niets aan doen dat Adam gevallen is" en.... erger nog we geven de Heere de schuld! God eist van ons dat we op Zijn Woord gestadig letten. Wat brengen we daarvan terecht? Hoe weinig vragen we ons af of onze daden overeenstemmen met Gods wil en hoe vaak laten we ons leiden door de mening van mensen, ook van mensen die met Gods geboden geen rekening houden? „Wat zullen de mensen er wel van zeggen", weegt voor ons veel zwaarder dan „is het wel tot Gods eer”.
De normen van de wereld gaan, ook onder ons steeds meer de door God gegeven wetten verdringen. Ons geweten wordt steeds ruimer, doordat we die stem iedere keer weer het zwijgen hebben opgelegd.
Er is in onze kringen nogal wat gesproken over de Margrietbrochure: „Over trouwen en samenwonen". En terecht. Voor het feit dat de overheid meewerkt aan het verspreiden van dergelijke voorlichting is geen goed woord over.
Maar met het afwijzen van dergelijke rommel zijn we er niet!
Gij geheel anders! Ia, dat behoort wel, maar zijn we wei zo „anders? " In hoeverre zijn wij al beïnvloed door het moderne denken over het huwelijk, gezinsvorming, abortus, samenwonen, enz.?
Hoe dachten we tien jaar geleden over samenwonen? Het is slechts zelden dat we het nog „hokken" noemen. Zelfs in het woordgebruik zijn we milder geworden.
En hoe denken we over gezinsvorming? Als we horen dat in onze kennissenkring in een gezin het vijfde kindje wordt verwacht, spreken we daar dan nog positief over of halen we misschien wat meewarig onze schouders op? Welke invloed heeft dit op onze kinderen? Ook als we erover zwijgen heeft dit al een negatieve uitwerking, omdat het de mening van „de wereld" bevestigt. Laten we toch eens meer om ons heen en vooral in ons gezin uitdragen dat elk kind dat we uit Gods hand ontvangen een zegen is.
Gelukkig zeggen we nog wel dat we tegen abortus zijn, maar als we geabonneerd zijn op damesbladen waarin het wordt gepropageerd, hebben onze woorden dan nog wel kracht? Spreken we onszelf niet tegen door onze daden?
En hoe staat het met ons bijbellezen? En de zondagsheiliging? Laten we dat eens vergelijken met tien jaar geleden. Is er dan niet heel veel veranderd? En waar komen we terecht.
Laten we de zonden toch niet verkleinen en goed praten. Als we onze daden bezien in het licht van Gods Woord dan moeten we erkennen dat we nog dagelijks bezig zijn de Heere Jezus te kruisigen. De Zondeloze kan immers niet leven met de zonde?
Maar er is troost voor hen die zich leren kennen als de grootste der zondaren, omdat de Heere Jezus op aarde gekomen is om zondaren zalig te maken!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 februari 1984
Daniel | 32 Pagina's