Afscheiding en wederkeer
Op 14 oktober 1984 zal het honderdvijftig jaar geleden zijn, dat de „Acte van Afscheiding of Wederkeering" getekend werd in het huis van de weduwe G. H. Hulshoff te Ulrum in Groningen. Bijna tweehonderdvijftig leden en doopleden plaatsten hun handtekening onder het dokument, dat zo'n grote invloed zou hebben op de geschiedenis van het gereformeerde volksdeel. De avond daaraan voorafgaande was de tekst van de akte door de kerkeraad van de Hervormde Gemeente besproken en ondertekend. Enkele belangrijke zinsneden geef ik weer.
„ Wij ondergetekenden Opzienderen en litmaten der Gereformeerde Gemeente van Jezus Christus te Ulrum; sedert geruimen tijd opgemerkt hebben, het bederf in de Nederlandsche Hervormde Kerk, zoo wel in de verminking of verlochening van de leer onzer vaderen gegrond op Gods woord, als in de verbastering van de bediening der Heilige Sacramenten naar de verordineering van Christus in zijn woord; en het bijna volstrekte verzuim der kerkelijke tucht; welke stukken allen naar onze Gereformeerde belijdenis Art:29 kenmerken zijn der ware kerk (. ) weshalven de ondergetekenden met dezen verklaren dat zij overeenkomstig het ampt aller gelovigen Art 28 zich afscheiden van de gene die niet van de Kerk zijn, en dus geen gemeenschap meer te willen hebben, met de Nederlandsche Hervormde Kerk, totdat deze terug keert tot de waarachtige dienst des Heeren en verklaren tevens gemeenschap te willen uitoefenen met alle ware Gereformeerde ledematen, en zich te willen vereenigen met elke op Gods Woord gegronde vergadering, aan welke plaatze God dezelve ook vereenigd heeft.....”
De akte besluit met de plechtige betuiging, dat men zich in alles houdt aan de belijdenisgeschriften, de liturgie en de kerkorde, zoals die in de jaren 1618 en 1619 werden vastgelegd door de Synode van Dordrecht. De kerkeraad en de gemeente van Ulrum spraken daarmede uit, dat zij wederkeerden tot de oude situatie uit de bloeitijd van de kerk der hervorming. Men achtte zichzelf de rechtmatige voortzetting te zijn van de aloude Gereformeerde Kerk in ons land. De belijdenis van de reformatie werd weer aanvaard en gehandhaafd. Daarom behoren bij het jaartal 1834 twéé woorden te staan: Afscheiding en Wederkeer.
Geen geforceerde breuk
Aan de Afscheiding is onlosmakelijk de naam verbonden van de jonge predikant van Ulrum: Hendrik de Cock (1801 - 1842). Na zijn bekering, waarover de Heere o.m. het lezen van de Institutie van Calvijn gebruikte, kende hij slechts één doel: het reformeren van de Hervormde Kerk. Daarom gaf hij op eigen kosten de Dordtse Leerregels opnieuw uit. Daarom schreef hij ook een scherp boekje tegen de onrechtzinnige gevoelens van twee kollega's. Dat geschrift was de diepste oorzaak van de procedure, die de kerkelijke besturen tegen hem aanspanden. Men kon het niet verkroppen, dat hij zich verzette tegen de leervrijheid in de Herv. Kerk. Hij werd geschorst en afgezet. Een onverdacht hervormd man als prof. Haitjema spreekt over een „tergend onbarmhartig vonnis". Het beroep dat De Cock aantekende bij de Algemene Synode had tot gevolg, dat hij de positie van geschorst predikant terugontving om nog een halfjaar na te denken over zijn afwijzing van de gezangen. Als de predikant van Ulrum zijn gevoelens niet herriep zou de tweede en definitieve afzetting volgen. Hij kon predikant blijven, mits hij ophield te getuigen tegen de geest van de eeuw. Hij kon predikant blijven, mits hij zich beperkte tot preekwerk en pastoraat en over kerkleer, kerkregering en kerklied in woord en geschrift zweeg. Voor iedereen bestond leervrijheid behalve voor De Cock!
Wie zijn geschiedenis leest, komt tot de konklusie dat hij de Afscheiding niet heeft gezocht. Hij is de kerkelijke weg tot het eind toe gegaan. Hij ontwierp geen afscheidingsstrategie om op het geschiktste moment een breuk te forceren. Zijn kerkeraad had reeds eerder over afscheiding gesproken, maar de lijdzame De Cock wilde daarvan niet weten. Zelf zou hij wellicht nog niet overgegaan zijn tot de daad van de afscheiding wanneer de kerkbesturen op zondag 12 oktober 1834 niet op zo'n doldrieste manier hun bittere vijandschap tegen de prediking van de gereformeerde leer hadden geopenbaard. Zij droegen er immers zorg voor dat de als gereformeerd bekend staande ds. H. P. Scholte niet mocht preken voor de herderloze gemeente van Ülrum. De kerkvoogdij liet de deuren sluiten. Scholte preekte toen in de open lucht vanaf een boerenwagen. Dat bracht De Cock opnieuw in zware strijd. Voldeed deze kerk werkelijk aan de kenmerken die de belijdenis toekent aan de kerk van Christus?
Op 13 oktober 1834 ontving hij licht uit het Woord op zijn pad en handelde overeenkomstig art. 28 en 29 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis. Na de ondertekening van de Acte door de gemeente, die uitsprak hem als herder en leraar te blijven erkennen, trad hij weer op als wettig predikant van Ulrum. Toen geschiedde wat niemand had verwacht. De Afscheiding of Wederkeer vond grote weerklank. Het aantal gemeenten groeide binnen een jaar uit tot een kleine tachtig. In veel plaatsen werd een bestaand gezelschap geïnstitueerd tot kerk. De eenvoudige vromen, die daarin sinds jaar en dag samenkwamen, ontwaakten om de kerk van Christus naar haar zichtbare zijde tot openbaring te brengen.
De historische achtergrond
De Afscheiding of Wederkeer kan niet worden losgemaakt van de enorme verwoesting die de Verlichting — een wijsgerige stroming — in de Ned. Herv. Kerk aanrichtte in de achttiende en negentiende eeuw. Wie met behulp van de Rede, het onbedorven verstand, de deugd betrachtte en Jezus' voorbeeld navolgde, werd zeker zalig. Deze onbijbelse prediking was de oorzaak, dat tallozen geestelijk voedsel zochten in de gezelschappen, waar het „overjarig koren" van de oude schrijvers werd gelezen en besproken. De Verlichtingsgedachte doortrok ook Het Algemeen Reglement, dat Koning Willem I in strijd met de Schrift aan de Ned. Herv. Kerk oplegde. Alles werd daarin zeer rede-lijk zeer centraal geregeld, zodat er van de bijbelse zelfstandigheid van de plaatselijke gemeente vrijwel niets overbleef. De Evangelische Gezangenbundel, die in 1807 werd ingevoerd ademde dezelfde geest van diep verval. En het ondertekeningsformulier voor de predikanten van 1816 zorgde ervoor, dat er voor „verlichte" dominees volop ruimte kwam. Leervrijheid wilde men. Voor een gemeenteleven, dat zich in belijdenis, kerkregering, eredienst en levenspraktijk geheel richtte naar Gods Woord, was echter in feite geen plaats. Een man als ds. H. de Cock werd zelfs niet gedoogd!
In de bijzonder noodsituatie van die tijd was Afscheiding en Wederkeer eis van het Woord. Verachting, hoon en felle vervolging werd het deel der Afgescheidenen, maar zijn gingen biddend hun weg, ziende op het gebod en blind voor de uitkomst. Er was ook toen kaf onder het koren, maar wij weten ons innerlijk verbonden met deze zeer eenvoudige vromen, die niet anders konden en mochten handelen dan zij deden.
Jaren der krisis
Helaas werd het doel van de Afscheiding maar zeer ten dele bereikt. In plaats van één kerk, in leer en kerkorde voortzetting van de oude Hervormde Kerk, ontstonden in de loop van de negentiende eeuw véle kerken. De oorzaak daarvan moet niet gezocht worden in het beginsel van de Wederkeer van 1834. Wie dat toch doet, heeft De Cock en de zijnen echt niet verstaan. Er ontstonden ernstige leerverschillen. Veel verscheurdheid kan echter worden verklaard uit het gezelschappelijk
denken, dat een groot aantal gemeenten in de praktijk nog lang bleef beheersen.
Verabsolutering van eigen geestelijke „ligging", een gevoelsmatige en niet kerkordelijke benadering van moeilijkheden, heerschappijvoering van leidersfiguren en sterke bindingen aan personen verdrongen vaak het bijbelse gezicht op de eenheid van de kerk van Christus. Versplintering was en is daarvan altijd het gevolg. Velen raakten het echt gereformeerde besef kwijt, dat afscheiding slechts als de allerlaatste weg gezien mag worden in tijden van bijzondere nood, wanneer de hoofdwaarheden van de gereformeerde leer door dwalingen zijn vervangen.
Bij het zien van deze ontwikkeling betaamt het ons de hand in eigen boezem te steken. Dat geeft ons reden te over om bij de herdenking van 1834 wars te zijn van alle triomfantalisme. Hoe noodzakelijk is daarentegen een krachtig besef, dat de verscheurdheid van ons gereformeerde volksdeel zonde is tegenover de Koning der kerk en daarmee óók onze schuld. Het is juist dat besef, dat de Heere aan het begin van deze eeuw schonk aan ons voorgeslacht. Het jaar 1907 bracht immers de Vereniging van Gereformeerde Gemeenten onder 't kruis, de Gereformeerde Gemeenten van ds. L. G. C. Ledeboer en een aantal vrije gemeenten.
De les van de Vereniging
Er zijn bij de Vereniging van 1907 twee zaken, die treffen. In de eerste plaats is daar het vernieuwde inzicht, dat de Heere Zijn kinderen roept om de eenheid van de kerk van Christus ook in één kerkverband te openbaren tot Gods eer en tot heil van Sion. Hoe indringend heeft ds. N. H. Beversluis (1850 - 1931) daarover gesproken in de synodepreek van 1907: „Zo dan, laat ons najagen, wat tot vrede en stichting onder elkander dient"! Hoe is de grondhouding onder ons ten opzichte van dit schriftwoord? Heeft een ieder zich nie af te vragen, of de eigen kerkhistorie niet meer liefde toegedragen wordt, ja niet heiliger geacht wordt dan het gebed van de Koning der kerk, voor de vervulling waarvan Hij bad tot Zijn Vader in de hemel „Bat zij allen één zijn; opdat de wereld gelove, dat Gij Mij gezonden hebt? ”
Wat heeft de jonge ds. G. H. Kersten (1882 - 1948) zich ingezet om middelmatige dingen ook inderdaad als middelmatig te laten waarderen. Dat is het tweede, dat wij steeds opnieuw van de Vereniging van 1907 moeten leren: het elkaar blijvend verdragen in zaken als psalmberijming, ambtsbekleding e.d., die niet in de Schrift te vinden zijn en ook niet rechtstreeks daaruit kunnen worden afgeleid.
Hoe ervaren wij nu de verbrokkeling van Gods kerk in Nederland? Als een vaststaand feit? Daarmede kunnen we gerust voortleven, wanneer we onszelf uitnemender achten dan de ander. We belijden dan wellicht nog met de mond de noodzaak om die ander te zoeken, maar de praktijk is, zoals ds. Beversluis in een van zijn gedichten verwoordde: Men roept aan allen kant verbinding, terwijl een elk voor 't zijne strijdt"! Wat zijn we dan arm, omdat ons de gezindheid ontbreekt, die de mannen van 1907 door Gods genade beheerste: Uw knechten hebben een welgevallen aan haar stenen en hebben medelijden met haar gruis" (Ps. 102 : 15).
Een openbaring van het lichaam van Christus
Zo bracht de Heere Zelf langs een volstrekt ongedachte weg de Gereformeerde Gemeenten bijeen. Via de Afscheiding, ds. Ledeboer en de Vereniging bleek, ondanks veel gebrek, de oude gereformeerde leer bewaard. Met de Reformatie en de Nadere Reformatie blijven we beklemtonen, dat de prediking niet alleen de gereformeerde leer zuiver moet vertolken, maar ook duidelijk moet laten uitkomen hoe de Heilige Geest het heil in Christus toepast. Hoe komen een rijke Christus en een arme zondaar bij elkaar? In deze schriftuurlijk-bevindelijke prediking staat Christus in het middelpunt en krijgt de persoonlijke verhouding tot Hem op bijbelse wijze aandacht.
De meesten van ons zijn in de Gereformeerde Gemeenten geboren. Anderen zijn er langs een andere weg gebracht. We ontvingen door Gods leiding in ons leven een plaats in dit deel van Zijn kerk op t aarde. Die plaats mogen wij zomaar niet prijs geven. De kenmerken van de Kerk van Christus worden immers in de gemeenten gevonden. Het zaligmakende werk van de Heilige Geest was en is er. God wil er wonen. Wat is dat een wonder. Daarom belijden wij met bescheidenheid en beslistheid, dat de Gereformeerde Gemeenten een openbaring zijn van het lichaam van Christus. Wij begeren te zijn en te blijven wat onze naam zegt: gereformeerd in belijdenis, prediking, kerkregering, eredienst en levenswandel.
Inkeer
Nu rijst er een vraag. Is dan het lichaam van Christus gedeeld? Nee, Gods kinderen
zijn allen één in het Hoofd der Kerk. Daarom moet het besef, dat de Heere ons een plaats heeft gegeven in de Gereformeerde Gemeenten doortrokken zijn en blijven van een hartelijke droefheid vanwege de breuk in Sion.
Wat een schaamte moet ons vervullen, wanneer we er vrede mee hebben, dat plaatselijk de ene oorspronkelijke Gereformeerde Gemeente in drie, soms in vier gemeenten is uiteengevallen.
Men leest echter in een dergelijke plaats op de dag des Heeren in alle gemeenten in een bepaald jaar soms dezélfde verklaring van de catechismus Hoe duidelijk wordt dan, dat we ltggingsverschillen tot leergeschillen hebben gemaakt en die met middelmatige zaken gebruiken om de kerkelijke scheidingsmuren zo hoog mogelijk op te trekken. Hier is de vrucht van de Vereniging geheel verloren gegaan (Ps. 80 : 4).
Ook in andere kerken, ook in de Nederlands Hervormde Kerk zijn nog kinderen van God die de gereformeerde belijdenis van harte liefhebben. In een aantal streken in ons land wordt plaatselijk nog een getrouwe prediking gebracht. Hoe moet het ons dan aangrijpen dat in ons gereformeerde volksdeel zo vaak en zo scherp wordt gepolariseerd. Zijn we er dan blind voor, dat de ongeestelijkheid daarvan te tasten is? Zijn we vergeten, dat we elkander nodig hebben in een Godvergeten samenleving, die zich steeds sterker en vijandiger betoont? Waar is de levende begeerte, die in de Acte van Afscheiding en Wederkeer doorklinkt om zich te willen verenigen met elke op Gods Woord gegronde vergadering? Zij die geestelijk één zijn door hartvernieuwende genade, worden óók vandaag geroepen om die geestelijke eenheid naar buiten te openbaren in één kerkverband. Laten we niet denken, dat wij een dergelijke eenheid kunnen bewerkstelligen. Het helen van de breuk van Sion is een genadige gave van een zich ontfermend God (Ps. 147 : 2), die mensen gebruikt in Zijn dienst. Wat wij allereerst nodig hebben is de ontdekkende bediening van de Geest van Christus, opdat we de breuk van Gods kerk mogen zien, en als ónze schuld mogen eigenen. Dan wordt het smeekgebed geboren om de herhaling van 1907, om de door Gods Geest gewerkte eenheid der Kerk in Nederland. Dan wordt het openbaren van de eenheid van de kerke Christi opnieuw geloofszaak, noodzaak en opdracht.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 januari 1984
Daniel | 33 Pagina's