Wij en de Gereformeerde Gezindte
door C. B regraan en I. A. Kole
Wanneer we een wandeltocht maken, is het goed om af en toe een pas op de plaats te maken, misschien om rond te zien waar we ons eigenlijk bevinden of om van het uitzicht te genieten, misschien ook om wat uit te rusten alvorens verder te gaan. Ook op het kerkelijk pad zijn er markeringspunten waar je beslist even moet stilhouden. Het ligt voor de hand dat het jaar 1984 voor ons zo'n punt betekent: aan 150 jaar Afscheiding gaan we als afgescheidenen toch niet zómaar voorbij.
Alleen stellen we ons niet direkt een prachtig uitzicht voor. Het uitzicht op „tien maal gereformeerd", op de gebrokenheid van de zichtbare kerk, op het uitéénvallen van het lichaam van Christus in de vele kerken en kerkjes, is immers verre van fraai. We vermoeden ook niet dat dit ontstellende panorama erg inspirerend is om eens heerlijk tot rust te komen. Integendeel, de verbrokenheid van 's Heeren gemeente op aarde, en in ons vaderland behoort ons de rust op te zeggen. Dan blijft als motief om ook kerkelijk even de pas in te houden alléén maar over: kijken waar wij ons eigenlijk bevinden, wij als Gereformeerde Gemeenten die nog steeds afgescheiden zijn van de Ned. Herv. Kerk, als Gereformeerde Gemeenten temidden van de andere kerken die eveneens uit de Afscheiding zijn voortgekomen.
1834 en 1840: geen breuk
Een bezinning dus op de eigen plaats van onze gemeenten in de gereformeerde gezindte. Dat betreft allereerst het verleden. We kunnen immers niet doen alsof er geen 1834 geweest is. Toen immers is ook gedeeltelijk de basis gelegd voor onze gemeenten, daar de Kruisgemeenten als één van beide groeperingen bij de éénwording in 1907 daar regelrecht op terug te voeren zijn. We kunnen ook niet om 1840 heen, het jaar waarin voor ds. Ledeboer geen plaats meer was in de Ned. Herv. Kerk.
Het ging die oude gereformeerden onder het kruis én de ledeboerianen om een terugkeer tot de leer, de kerkregering en de inrichting van de eredienst zoals die in Dordrecht tijdens de Nationale Synode in 1618-1619 was vastgelegd. Zij hebben hun
afgescheiden kerkelijk leven niet als ongeoorloofd kunnen zien, omdat zij zich niet afscheidden van de aloude Gereformeerde of Hervormde Kerk, maar van het in 1816 tot stand gekomen „Hervormd genootschap". Ds. Ledeboer kon dan ook zeggen: „Het (geheel der Herv. Kerk) is het onze en God zal het ons wedergeven op Zijn tijd en de vijanden verdrijven". Voor de kruisgezinden en degenen die ds. Ledeboer volgden op zijn kerkelijke weg, betekenden 1834 en 1840 dan ook geen breuk, maar een blijvende verbondenheid met het gereformeerde kerk-zijn. Deze principiële stellingname van ons voorgeslacht zal nog steeds onze kerkelijke houding mede moeten bepalen. Het gaat er daarbij niet om, zich veilig terug te trekken in het bastion van het verleden en zich van het heden niets aan te trekken. Maar het verleden mag en moet wel op rechtmatige wijze meespreken.
Er moet echter méér gezegd worden. 150 jaar kerkgeschiedenis is tenslotte niet gering. Er is heel wat gebeurd ook op het Ned. Hervormde en afgescheiden kerkeerf.
150 jaar Nederlands Hervormde Kerk
Wat de Ned. Herv. Kerk betreft, mag dankbaar geconstateerd worden dat er een gereformeerd deel in deze kerk is overgebleven tot op deze dag. Als we goed zien, wordt dit deel zelfs niet kleiner. De voluit gereformeerde prediking is nog mogelijk in de oude vaderlandse kerk. En onder deze prediking worden mensen tot bekering gebracht. De Heere heeft Zijn kindéren in deze kerk. Daarover mogen we ons hartelijk verblijden.
Daarom past het ons niet deze kerk af te schrijven. Als het goed is, zal er bij ons altijd iets van heimwee zijn naar de kerk waarin éénmaal de onder ons zo geliefde oude schrijvers, de mannen van de Nadere Reformatie, het Woord en de sacramenten hebben bediend tot rijke zegen van land en volk.
Dat betekent echter niet dat we het bovenstaande moeten lezen als een verkapte aanmoediging aan ons adres om de eigen kerk te verlaten en ons bij de Hervormde Kerk te voegen.
Zouden we de gemeenten in welker midden
we vanaf ons prilste bestaan zijn opgenomen, waar we het teken van Gods verbond aan ons voorhoofd ontvingen, niet van harte als onze moeder liefhebben? Bovendien laat de praktijk ons zien dat in de Ned. Herv. Kerk als geheel de gereformeerde belijdenis niet functioneert zoals ze dat behoort te doen volgens artikel 10 van haar eigen kerkorde.
De Herv. Kerk bestaat nu eenmaal niet alléén uit de Gereformeerde Bond en de groepering rondom bijvoorbeeld „Het gekrookte riet". Brengt het participeren in de Herv. Kerk niet als vanzelf een „dialoogmodel" met zich mee waarin ook ruimte is zelfs voor de vrijzinnige modaliteit? Dan laten we de vragen rond „Samen op weg" in dit verband verder maar achterwege, al moet ons wel van het hart dat deze ontwikkeling ook het gereformeerde volksdeel buiten de Herv. Kerk met grote zorg vervult, daar de stem van het gereformeerd belijden dan nog zwakker zal doorklinken. Is de ruimte in de Herv. Kerk niet veel te groot voor een bijbels-reformatorisch kerkbegrip? Daarom is voor ons, die binnen de Gereformeerde Gemeenten een plaats ontvingen, de weg terug nog geen begaanbare; het zij overigens zonder kerkelijke hoogmoed, integendeel met pijn in het hart gezegd.
150 jaar Afscheiding
Ook aan de Afscheiding is 150 jaar geschiedenis niet ongemerkt voorbijgegaan. Het meest opvallende daarbij was wel de voortgaande drang tot afscheiding. Men heeft wel gesproken van een repeterende breuk. In 1973 verscheen een boekje onder de veelzeggende titel „Tien maal gereformeerd". Het is toch wel een aanfluiting dat men op tien of meer verschillende manieren gereformeerd kan zijn. Het is onthutsend dat deze ontwikkeling mogelijk was. Met instemming zeggen we het wijlen ds. Vergunst na: „De huidige kerkelijke verdeeldheid van de Gereformeerde Gezindte moet ik als jammerlijk voor het volksleven, als schadelijk voor de delen van deze gezindte zelf, veroordelen. Bovenal acht ik ze zonde voor God en dus onheilig en verwerpelijk te zijn". Quis non fleret? Wie zou niet wenen?
De Gereformeerde Gezindte
Het is echter niet mogelijk om de gegroeide ontwikkeling binnen de verschillende kerken der gereformeerde gezindte te veronachtzamen. Integendeel, soms zijn de ontwikkelingen zo revolutionair, dat het woord gereformeerd nauwelijks meer in de naamsaanduiding te gebruiken is. We denken in de allereerste plaats aan de Gereformeerde Kerken in Nederland. Daar lijkt de moderne theologie het pleit volledig gewonnen en de oude gereformeerde belijdenis haar gezag even volledig verloren te hebben, waarbij tevens opvalt dat ook hier evenals bij de hervormden, de verschillende modaliteiten het gezicht van de kerk bepalen. Het is geen wonder dat in dit modernistische klimaat ook hier een voedingsbodem voor „Samen op weg" wordt gevonden. In dit verband is het wellicht zelfs zinvol van een zgn. „smalle gereformeerde gezindte" te gaan spreken. In ieder geval is voor de gereformeerde gezindte, hoe smal of breed ook opgevat, de verbondenheid met de belijdenis der oude Hervormde of Gereformeerde Kerk essentieel. Ds. A. Vergunst scherpte de definitie terecht aan, toen hij de gereformeerde gezindte omschreef als „het over verschillende kerkelijke denominaties verstrooide geheel van belijders, die de gereformeerde leer, ten onzent uitgedrukt in de bekende drie Formulieren van Enigheid, belijden in overeenstemming met de geopenbaarde waarheid in Gods Woord te zijn en die volgens deze waarheid de noodzakelijkheid van een persoonlijke doorleving van zonde en genade in de weg van de waarachtige wedergeboorte en bekering benadrukken, die in het persoonlijk leven de krachtige bevordering van godzaligheid voorstaan en tevens de bijbelse praktijk der godzaligheid najagen in het kerkelijk, maatschappelijk en staatkundig leven". Het is duidelijk: de „religie van het belijden" moet in theorie én in praktijk functioneren, anders is het streven naar (ook kerkelijke) eenheid een bouwen op zandgrond.
Wederzyds herkennen
Met dankbaarheid mogen we dan constateren dat er ondanks het gescheiden kerkelijk optrekken nog een wederzijds herkennen en verstaan mag zijn. Dat geldt zowel voor het gereformeerde deel in de Herv. Kerk en in de Christelijke Gereformeerde Kerken (met name valt wat dit laatste betreft te denken aan de „Bewaar het pand"-groep) als voor de Oud Gereformeerde Gemeenten en de Gereformeerde Gemeenten in Nederland. Het lijkt me toe dat de verschillen tussen ons en de Oud Gereformeerden wat meer de „sfeer" betreffen en die met de Gereformeerde Gemeenten in Nederland iets meer de „leer" aangaan. Het feit dat de laatst genoemde groepering ons eigen kerkverband heeft verlaten, maakt de kerkelijke verhoudingen tussen ons en hen wederzijds vaak wat gespannen de de toon bitter.
Maar toch kunnen we de corrigerende invloed van nauw aan elkaar verwante kerken eigenlijk niet missen. Ik denk enerzijds aan een sterk accent op de heiliging ten aanzien van de levenswandel en aan een sterker beleving van de kracht van het isolement, anderzijds aan een minder sterke nadruk op een strak geordende en vrijwel alles regelende kerkelijke organisatie waardoor de gemoedelijkheid in de goede zin van het woord wat meer kansen zou kunnen krijgen.
Het „eigene” van de Gereformeerde Gemeenten
Dat zich willen laten corrigeren betekent echter niet dat we het „theologisch eigene" dat ons in meer of mindere mate mag kenmerken, zouden mogen verloochenen.
Daarover heeft ds. A. Vergunst indertijd een aantal goede dingen gezegd. Met name heeft hij het trinitarisch karakter van de prediking onder ons beklemtoond. Dat betekent dat in de prediking de verkiezende liefde van God de Vader wordt geaccentueerd. De prediking zal daardoor altijd iets laten horen van het loflied op Gods uitverkiezing. In dit licht mogen de leeruitspraken van 1931 ook gezien worden: Gods uitverkiezend handelen gaat aan alle menselijke werkzaamheden vooraf. Ja, zaligworden is een éénzijdig werk Gods, waaraan de mens niet kan af-noch toedoen. Daarmee krijgen deze uitspraken niet het gezag van een aparte belijdenis, maar geven zij een nadere uitleg van een bepaald facet van het belijden.
In deze prediking met dit accent is eveneens ten volle plaats voor het werk van Christus, het borgwerk van de Zoon. Christus' heerlijkheid mag in de prediking worden uitgestald. In de prediking is daarom ook altijd een plaats voor een waarachtig, welmenend aanbod van Gods genade. Een mens gaat om eigen schuld verloren; nooit zal de schuld op God geworpen mogen worden.
We mogen niet vergeten dat ook dit accent in 1931 ten volle werd gehonoreerd. Zo zal er ook evenwicht in de prediking zijn, evenwicht tussen verkiezing en verantwoordelijkheid, waardoor onze beste oude schrijvers zich zo verrassend kenmerken (laat ze toch alstublieft niet ongelezen!). In deze prediking wordt ook aandacht gegeven aan het werk van de Heilige Geest, zoals dat in het leven van het geloof verheerlijkt wordt. Gods Woord spreekt van een persoonlijke bekering, een persoonlijk geloof en een persoonlijke inlijving in Christus. Het werk van de Heilige Geest is juist: Christus verheerlijken. Daarom moet het in elke preek om Christus gaan. Dan zal de bevinding ook niet los van het Woord komen en de bevinding niet verworden tot mysticisme. Deze voluit trinitarische prediking wordt als vanzelf ook gekenmerkt door de heilsorde, zoals die bijvoorbeeld uit Zondag 1 van de Heidelbergse Catechismus tot ons komt: ellende, verlossing en dankbaarheid. Daarbij mag geen enkel stuk worden overgeslagen of minder worden geaccentueerd.
Tweeërlei kinderen des verbonds
Als belangrijk kenmerk van de onder ons gehoorde prediking noemen we voorts het separerende element, dat wil zeggen de nadruk op het feit dat er tweeërlei kinderen des verbonds zijn, dat in de éne gemeente bekeerden én onbekeerden zijn, dat de hoorders des Woords óf kinderen des lichts óf kinderen der duisternis zijn. Het is belangrijk dat — in de lijn der vaderen — deze separatie gehandhaafd blijft. Alleen Gods kinderen hebben deel aan het wezen van het verbond. Onder de aardse be-
diening van het verbond of de verbondsbedeling leven er velen, die innerlijk ongelovig blijven, en de geestelijke weldaden, die Christus verwierf, niet deelachtig zijn. De gereformeerde theologie heeft terecht onderscheid gemaakt tussen een inwendige en een uitwendige betrekking tot het verbond der genade. Dit laatste moet uiteraard niet opgevat worden in de zin van twee zijden aan het éne verbond der genade, een inwendige en een uitwendige zijde. God zal Zélf scheiding maken op de dag des oogstes, de oordeelsdag, tussen degenen die door genadige verkiezing werkelijk tot het verbond der genade behoren én tussen hen voor wie dit niet geldt. Het is duidelijk dat het bovenstaande ook invloed heeft op de visie op de gemeente.
Enerzijds kan er al te gemakkelijk gesproken worden van verbondskinderen als gevolg van een verderfelijk verbondsautomatisme, anderzijds kan een ontsporing plaats vinden door de gemeente te zien als een losse hoop mensen die willekeurig bij elkaar zijn. Geen van beide visies is juist. Ook hier zal een werkelijk gereformeerde prediking, zich bevindend in de traditie van Reformatie en Nadere Reformatie, het juiste evenwicht bewaren. Deze prediking zal — om niet meer te noemen — tenslotte ook altijd een tijdsprediking zijn, d.w.z. ingaan op de concrete noden en zorgen, tonen dat ze een woord Gods heeft ook voor onze tijd en in onze situatie. Dat geldt niet het minst voor de jonge mensen, die in een moeilijker periode dan ooit opgroeien, maar evenals het voorgeslacht gefundeerd moeten worden op het Woord van God dat alléén een rotsvaste basis geeft.
Tekortkomingen
Wordt nu misschien toch een heel rooskleurig beeld van de Gereformeerde Gemeenten geschetst? Nee, dat was althans niet de bedoeling. We hebben de Gereformeerde Gemeenten lief, maar daardoor zien we ook haar tekortkomingen. Ook onder ons zijn er „kleine vossen" die de wijngaard kunnen bederven. We denken aan een zekere neiging tot rationalisme, waaraan zelfs het bevindelijke leven soms wordt onderworpen. Te denken valt ook aan een tendens van kerkelijke zelfgenoegzaamheid, waarbij de bescheiden-makende gedachte van een noodkerk te zijn volkomen is verdwenen.
In de laatste plaats willen we noemen een ook onder ons sterker wordende neiging tot polarisatie, waarbij allerlei standen en liggingen al te gemakkelijk worden gefixeerd.
De taak van de Gereformeerde Gemeenten
Toch mogen de Gereformeerde Gemeenten een taak hebben, zowel naar binnen toe alsook naar buiten in het geheel der gereformeerde gezindte. Wat het eerste betreft hebben we al gewezen op de heilzame functie die een voluit gereformeerde prediking hebben kan. We willen hier echter ook wijzen op het werk der zending en evangelisatie, op het werk onder gehandicapten en ontspoorden. We denken ook aan activiteiten op onderwijsen vormingsgebied en aan het jeugdwerk zoals het onder ons mag worden gerealiseerd. Het stemt wel eens tot droefheid, wanneer men buitenstaanders al te gemakkelijk hoort spreken over de organisatieexplosie die de Gereformeerde Gemeenten zou typeren. We onderkennen wel het gevaar van over-organisatie maar we mogen toch spreken van noodzakelijk werk, dat al te lang soms is blijven liggen. Natuurlijk zullen de „resultaten" op al dit werk niet mogen leiden tot kerkelijke hoogmoed, maar daarmee is het werk zelf toch niet veroordeeld? Met name het jeugdwerk wordt vaak door veel wantrouwen van buitenstaanders omringd. Dat is jammer, temeer waar vooroordelen altijd een vertekend beeld opleveren.
Gemeenschappelijk in de bressen staan
Ook naar buiten toe hebben de Gereformeerde Gemeenten een taak, zowel naar andere kerken als naar volk en overheid. Maar dan wel vanuit het bescheidenmakende besef dat alleen de Koning van de kerk alle macht in handen heeft, ook om onwillige kerkgenootschappen tot elkaar te brengen. We zouden de taak voor onze gemeenten willen omschrijven als: trouw aan het Woord Gods en de belijdenis in leer en leven. Daar hebben we elkaar ook als kerken op aan te spreken; we hebben elkaar te wijzen op de noodzaak van de rechte bijbelse prediking. Daartoe roept de nood van de tijd die we beleven, immers op. Die nood zou ons naar elkaar moeten toedrijven en ons elkaar doen zoeken, waar dit maar enigszins mogelijk is, schreef ds. A. Vergunst eens zeer terecht. We hebben gemeenschappelijk in de bressen te staan, die thans groter zijn dan ooit te voren. Zal de Heere hen die bij elkaar horen, dan misschien naar elkaar toe moeten slaan? Laat deze overweging ons tot ootmoed stemmen en het hart doen opheffen tot de Heere, zeggend: „O God, breng ons weder, en laat Uw aanschijn lichten, zo zullen wij verlost worden".
H. I. Ambacht, C. Bregman Berkenwoude, I. A. Kole
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 januari 1984
Daniel | 33 Pagina's