Tot wenen is nu alle reden
vraaggesprek met ds. J. Maasland over de Afscheiding
vraaggesprek met ds. J. Dominee, we beginnen maar direkt bij de kern van de zaak: hoe kijkt u, als hervormd predikant, tegen de Afscheiding aan en hoe beoordeelt u dat gebeuren?
'k Zou vooraf iets in het algemeen over afscheiding willen opmerken. Al te weinig leeft, denk ik, onder ons, mensen die zich tot de Gereformeerde Gezindte rekenen, het besef, dat kerkelijke verdeeldheid volgens de Schrift één van de ernstigste ketterijen is. 'k Denk aan de vraag van Paulus: Is Christus gedeeld? Wij zijn geneigd bij ketterijen aan andere zaken te denken, zoals de twee naturen van Christus, de verzoening of de verkiezing. Maar volgens de Schrift is de kerkelijke verdeeldheid niet minder een ketterij, waar we veel te weinig wakker van liggen en ons druk om maken.
En dan de Afscheiding van 1834. Mijn staan in de Ned. Herv. Kerk als dienaar des Woords zal duidelijk maken, dat ik die Afscheiding ernstig betreur. Het is immers de aanzet geweest tot een ernstige verscheuring van het lichaam van Christus in ons goede vaderland. Tot op vandaag wordt de kracht van het getuigenis van de kerken gebroken door deze jammerlijke verdeeldheid. Al ben ik er zeker van dat de Maasland over de Afscheiding schuld voor 99% bij de Ned. Herv. Kerk zelf ligt, namelijk haar ontzonken zijn aan de religie van haar belijdenis, haar formalisme en haar kille optreden tegenover ds. De Cock, toch blijf ik erbij dat het niet had moeten gebeuren. In die tijd vonden velen, geestverwanten van De Cock, dat ook en zijn toch in de Hervormde Kerk gebleven. Denk maar aan de predikanten Molenaar, Le Roy, Detmar en anderen.
Welke oorzaken of motieven hebben volgens u een belangrijke rol gespeeld in het proces van de Afscheiding?
In dit verband wordt nogal eens gewezen op de invloed van de Nadere Reformatie. (Die invloed was onder de predikanten veel minder dan onder de gewone kerkmensen.) 'k Denk aan de vele konventikels, waar mensen elkaar opzochten, elkaar geestelijk vasthielden en met elkaar spraken over het werk des Heeren. Veelal vond men in de prediking weinig geestelijk voedsel. Vooral in tegenstelling tot de geest der Verlichting nam deze beweging onder het gewone kerkvolk meer en meer toe. Over het algemeen ziet men daar één van de wortels, die zich in de 19e eeuw vooral in de Afscheiding heeft voortgezet. Er
wordt ook vaak gewezen op een sociale faktor. Dominees waren vaak liberale, verheven heren, die zich met het gewone kerkvolk niet erg inlieten. De mensen voelden aan datje bij hen niet terecht kon. Dat merkte men ook weer in de opstelling van de kerkelijke organen tegenover De Cock en de zijnen. Die arrogantie: wij hebben gestudeerd en weten het en jullie weten toch niets. Daarbij komt dat De Cock toch wel erg onheus behandeld is. Daarnaast is ook de figuur van ds. Scholte een niet te verwaarlozen faktor. Het blijkt dat hij vanuit Zwitserland beïnvloed is geweest door de gedachte van de „vrije kerk". Hij had een fel karakter. Het was een man die heftig was en die De Cock toch wel over de streep getrokken heeft.
Welke van die motieven acht u legitiem welk niet?
’k Denk met name aan de strijd van De Cock om de vrijheid van de kerk. Deze betreft niet alleen de losmaking van de banden van de bestuursorganisaties van 1816, maar ook de vrijheid van de prediking, zoals De Cock die zelf was gaan leren verstaan. Daar herken je jezelf in als je in 1983 nog altijd voor diezelfde strijd, diezelfde zaak staat in de Hervormde Kerk.
Ik kan echter niet ontkomen aan de gedachte dat er ook nogal wat onheilig vuur op het altaar geweest is. 'k Denk dat een man als dr. Kohlbrügge iets van dat gevaar heeft onderkend: het vleselijke wordt zo licht vermengd met het geestelijke. En waar ik dan vooral moeite mee heb als het gaat om de Afscheiding, is die Acte van Afscheiding of Wederkering, waarin de Hervormde Kerk tot een valse kerk wordt verklaard. Al de mensen die deze Acte ondertekenden, scheidden zich daardoor af van hen, die niet van de kerk waren. Dat betekent dus in konkreto, dat mensen als Molenaar, Le Roy, Detmar en later Groen en Da Costa niet van de kerk waren. Ik denk dat ze niet bedoeld hebben met het ondertekenen van die Acte, om die mensen buiten de kerk te zetten, maar het is wel de konsekwentie. Ik denk aan wat ds. Callenbach (Nijkerk) tegen ds. De Cock zei toen deze onderweg naar de Koning in Den Haag bij hem overnachtte en De Cock hem vroeg om mee te gaan in de weg der Afscheiding: „Ja, De Cock, wij zijn ééns Geestes. Maar, als je moeder hoereert, blijft zij toch je moeder. Daarom kan ik haar niet verlaten en mij afscheiden.”
Een volgend punt, waar ik altijd al mee gezeten heb, is, dat je in afgescheiden kring de visie tegenkomt dat de Afscheiding op één lijn staat met de Reformatie. Die gedachte kom je bijvoorbeeld tegen bij de Vrijgemaakten en ook bij een man als ds. J. H. Velema. Hierbij moeten we echter wel bedenken, dat Luther geen vrijheid had om het Evangelie zó te prediken als de Heere het hem geleerd had. Toch scheidde hij zich niet af. Hij bleef, ook toen hij uitgeworpen was, de roomse kerk als een christelijke kerk erkennen. Zouden de reformatoren, als ze de mogelijkheid hadden behouden om in de R.K.-kerk Woord en sakramenten te bedienen naar de mening van de Heilige Schrift, de kerk hebben verlaten? ? Aan ds. De Cock is, naar ik weet, nooit de mogelijkheid onthouden om Woord en sakramenten te bedienen zoals de Heere het hem geleerd en had. Met zulke vragen blijf ik dan zitten als je je verdiept in de geschiedenis van de Afscheiding. Je voelt je aan elkaar verwant als het gaat om de leer, maar met dat kerkelijk handelen heb ik moeite. Ik zeg dat dan in alle bescheidenheid, beseffend 150 jaar later te leven. Dan voel ik me meer verbonden, kerkelijk althans, met hen die bleven.
Is De Cock terecht geschorst of niet?
De schorsing is in veel opzichten onbillijk en onrechtvaardig. Ook formeel in veel opzichten onjuist. En ik vind het beledigend dat De Cock in z'n vonnis moest lezen, dat hij op één hoop geveegd werd met hen die in het avondmaalsformulier van de tafel worden geweerd, omdat ze tweedracht, twist en muiterij aanrichten. De schorsing als zodanig kan ik niet terecht vinden.
Wat had De Cock volgens u moeten doen toen hij geschorst en later zelfs afgezet werd met een bedenktijd van zes maanden?
Misschien toch voorzichtiger moeten zijn. Ik denk aan zijn aanbevelende voorrede bij het boekje van Jacobus Klok over de evangelische gezangen, een boekje waar de nodige ruwheden in staan, die de liberale heren in de kerk alleen maar hebben bevestigd in hun mening met een onruststoker te maken te hebben. Onbedoeld heeft hij zo z'n tegenstanders een wapen extra in handen gegeven, 'k Denk overigens, dat, als je in zo'n situatie verzeild raakt, eskalatie van een konflikt haast onvermijdelijk is. Beter zou zijn geweest als de hele zaak meer in Gods hand was overgegeven, ook gedurende de periode van de schorsing. Overigens, nogmaals, wie ben ik, nü te zeggen wat De Cock tóen had moeten doen.
vraaggesprek met ds* J. Maasland over de Afscheiding
Dominee, we beginnen maar direkt bij de kern van de zaak: hoe kijkt u, als hervormd predikant, tegen de Afscheiding aan en hoe beoordeelt u dat gebeuren?
'k Zou vooraf iets in het algemeen over afscheiding willen opmerken. Al te weinig leeft, denk ik, onder ons, mensen die zich tot de Gereformeerde Gezindte rekenen, het besef, dat kerkelijke verdeeldheid volgens de Schrift één van de ernstigste ketterijen is. 'k Denk aan de vraag van Paulus: Is Christus gedeeld? Wij zijn geneigd bij ketterijen aan andere zaken te denken, zoals de twee naturen van Christus, de verzoening of de verkiezing. Maar volgens de Schrift is de kerkelijke verdeeldheid niet minder een ketterij, waar we veel te weinig wakker van liggen en ons druk om maken.
En dan de Afscheiding van 1834. Mijn staan in de Ned. Herv. Kerk als dienaar des Woords zal duidelijk maken, dat ik die Afscheiding ernstig betreur. Het is immers de aanzet geweest tot een ernstige verscheuring van het lichaam van Christus in ons goede vaderland. Tot op vandaag wordt de kracht van het getuigenis van de kerken gebroken door deze jammerlijke verdeeldheid. Al ben ik er zeker van dat de schuld voor 99% bij de Ned. Herv. Kerk zelf ligt, namelijk haar ontzonken zijn aan de religie van haar belijdenis, haar formalisme en haar kille optreden tegenover ds. De Cock, toch blijf ik erbij dat het niet had moeten gebeuren. In die tijd vonden velen, geestverwanten van De Cock, dat ook en zijn toch in de Hervormde Kerk gebleven. Denk maar aan de predikanten Molenaar, Le Roy, Detmar en anderen.
Welke oorzaken of motieven hebben volgens u een belangrijke rol gespeeld in het proces van de Afscheiding?
In dit verband wordt nogal eens gewezen op de invloed van de Nadere Reformatie. (Die invloed was onder de predikanten veel minder dan onder de gewone kerkmensen.) 'k Denk aan de vele konventikels, waar mensen elkaar opzochten, elkaar geestelijk vasthielden en met elkaar spraken over het werk des Heeren. Veelal vond men in de prediking weinig geestelijk voedsel. Vooral in tegenstelling tot de geest der Verlichting nam deze beweging onder het gewone kerkvolk meer en meer toe. Over het algemeen ziet men daar één van de wortels, die zich in de 19e eeuw vooral in de Afscheiding heeft voortgezet. Er
Wanneer is er een plicht tot afscheiding?
Als je daarmee bedoelt: wanneer zou u de Hervormde Kerk gaan verlaten, dan zeg ik: als het mij onmogelijk wordt gemaakt het Woord te bedienen naar de regel van de Schrift en als de kerk helemaal ondergesneeuwd raakt onder menselijke regels en inzettingen die falikant ingaan tegen het getuigenis van de Heilige Schrift. Dus als de Hervormde Kerk metterdaad een „valse kerk" geworden is in de zin van de Ned. Geloofsbelijdenis. Ik zou me afscheiden als de belijdenis van de kerk officieel zou worden afgedankt en vervangen door een modernistisch ingevuld belijden en men mij zou verplichten in de geest van dit belijden te arbeiden.
In Openbaring 2 : 14 wordt als bezwaar tegen de gemeente van Pergamus genoemd, dat zij mensen in de gemeente hebben die „de lering van Balaam" houden. Wijst dit er niet op dat waarheid en leugen niet in één kerk mogen blijven?
Uit dit voorbeeld blijkt juist, dat er nooit een zuivere kerk op aarde gevonden is noch te vinden zal zijn. Is ook niet in de geschiedenis van de Afscheiding gebleken, dat ook de Afscheiding geen garantie biedt dat er nooit meer leugen en waarheid in zulk een kerk wordt gevonden? Het zal wel voortdurend de worsteling van de kerk moeten zijn tegen de leugen te strijden en Gods waarheid te verbreiden. We mogen er nimmer in berusten dat menselijke inzichten en leugens Gods waarheid bedreigen of bestrijden in een kerk. Je moet wel bedenken, dat de ideale kerk zonder enige leugen of misleiding nergens gevonden wordt op aarde. Je kunt wel zeggen dat een kerk voor jouw gevoel de meest zuivere openbaring is van het lichaam van Christus. En dan hoor je mij niet zeggen dat de Hervormde Kerk dat is. Dan denk ik dat je eerder naar andere kerkgenootschappen kunt kijken, die er wat dichter bij zullen staan.
Moet er leer tucht zijn in een kerk en, zo ja, hoe?
Ja, uiteraard! In onze eigen kerkorde staat dat de kerk al wat haar belijden weerspreekt weert. De konkrete vormgeving aan deze leertucht is verre van eenvoudig, 'k Vind zelf datje het Woord alle voorrang moet geven. Dat is ook in de Catechismus de eerste sleutel van het Koninkrijk der hemelen. Pas wanneer deze sleutel langdurig is aangewend komt de andere sleutel op tafel. Wij zitten in de Hervormde Kerk in een lastig parket, zo ervaar ik het zelf althans. Ons wordt verweten dat we slechts ten koste van het kompromis als gereformeerd belijder in de Hervormde Kerk kunnen blijven. Dat zegt bijvoorbeeld prof. Douma vaak. Daar zit veel waarheid in. Anderzijds richten tucht en scheiding juist onder het kerkvolk vaak veel verwarring aan. Dat is het eerste dat ik zou willen antwoorden. Het tweede is dat voorbeelden van leertucht oefenen in andere kerken niet erg aantrekkelijk zijn. Tucht, ook leertucht, moet altijd geestelijk blijven, gericht op het behoud van de anderen. Maar ik geef toe dat je het mij als hervormde met deze vraag naar de wenselijkheid van leertucht niet gemakkelijk maakt. Je hebt in de Hervormde Kerk altijd een vermenging gehad van geestelijke stromingen. Dat vergeet men misschien wel eens in afgescheiden kringen. Men denkt weieens: vroeger was de Hervormde Kerk helemaal zoals wij nu zijn. Maar dat is niet zo.
Maar hoe kijkt u dan bijvoorbeeld aan tegen het feit dat de Remonstranten er tijdens de Dordtse Synode in een vrij kort tempo uit zijn gezet? Had dat niet anders plaats moeten vinden? Dat is een voorbeeld van tuchtoefening, zoals wij ons voorstellen dat het moet gebeuren.
Dan zou ik willen zeggen dat het opmerkelijk is dat dat de laatste keer geweest is in de geschiedenis van de Hervormde Kerk dat het op die manier gebeurd is. Daarna is er volop aanleiding gebleven om andere mensen aan te pakken. Kennelijk heeft men daartoe niet meer kunnen of niet meer willen besluiten of gezien dat het een heilloze weg is of geen haalbare weg. Of de overheid heeft er een stokje voor gestoken.
Na de uittocht van de Remonstranten hebben zich al vrij spoedig andere ketterijen of dwalingen aangediend. Dat is men meer en meer gaan tolereren.
Dat vindt u een goede zaak?
Nee, dat vind ik natuurlijk geen goede zaak. En wat verder de tuchtoefening betreft: deze funktioneert zo, dat onze kerkeraden (dus de kerkeraden van de Geref. Bond, red.) geen predikanten uitnodigen die het Woord niet brengen naar Schrift en belijdenis. Dat is natuurlijk een vorm van tuchtoefening. In onze klassikaleen synodevergaderingen laten wij verder zoveel mogelijk het geluid van Schrift en belijdenis horen. Het feit dat de Gereformeerde Bond 75 jaar bezig is in de Hervormde Kerk om zich te keren tegen de leugen in de eigen kerk is ook ergens een vorm van tucht. Ik denk, datje, wat onze positie betreft, het ongeveer daar moet zoeken. Voor die radikale vorm van tuchtoefening vinden wij geen meerderheid.
Dan komt het er voor ons op aan dat we er uit zullen gaan, want wij zijn niet in de meerderheid in de Hervormde Kerk. We houden echter de band vast aan de Kerk, omdat we de overtuiging zijn toegedaan dat onze God die kerk nog niet in de steek gelaten heeft.
Nog even een moeilijke vraag. Als de Gereformeerde Bond de meerderheid zou vormen in de Hervormde Kerk, zou dan op dezelfde wijze tegen ketterijen worden opgetreden als inderijd tegen de Remonstranten is gedaan?
Ja, dat is de konsekwentie. 't Zou misschien wel wat minder rigoureus gaan dan dat het in de 17e eeuw ging. En je blijft natuurlijk wel erg zitten met de vraag waar je de grens moet trekken. Die ligt naar mijn overtuiging echt niet bij de grenzen van de Gereformeerde Bond. Er zijn meer mensen in onze kerk die willen staan voor de gereformeerde konfessie.
Kun je zeggen dat de Afscheiding ook positieve gevolgen heeft gehad voor de Hervormde Kerk?
Daar ben ik absoluut van overtuigd. Direkt al na de Afscheiding. Uiteindelijk zijn er maar vijf predikanten en één kandidaat uit de Hervormde Kerk gegaan. Er zijn er veel meer achtergebleven die ook gereformeerd waren. Die hebben van de Afscheiding als het ware een injektie gekregen om te strijden voor het gereformeerde karakter van de kerk.
We gaan iets meer naar het heden: hoe kijkt u aan tegen de arbeid van ds. Kersten, die toch wel de motor van de vereniging van 1907 genoemd mag worden, waaruit onze Gereformeerde Gemeenten zijn ontstaan?
Ds. Kersten is voor jullie gemeenten tot grote zegen geweest. Hij heeft de gemeenten samengebundeld en in kerkelijke banen weten te leiden, 'k Heb het gedenkboek , , 'k Zal gedenken" ook gelezen en ik vind het bijzonder positief dat hij zo geijverd heeft voor een theologische opleiding voor predikanten. Hij heeft de gemeenten ook een soort kerkelijk besef bijgebracht en een ordelijk kerkelijk leven gegeven.
Stel, dat u voor uzelf tot de konklusie zou komen, dat u niet meer in de Hervormde Kerk kunt blijven, bijvoorbeeld door , , Samen op Weg". Zou u zich dan in onze gemeenten kunnen thuisvoelen? Met andere woorden: hoe groot is voor u de geestelijke verwantschap met onze gemeenten?
Ik weet niet of ik wel welkom zou zijn in de Geref. Gemeenten. Wel moet ik toegeven, dat men in de Geref. Gemeenten de Herv. Kerk nooit met zoveel woorden een valse kerk heeft genoemd, zoals men dat in de Chr. Geref. Kerken wel heeft gedaan. En dat men kennelijk in de Geref. Gemeenten toch een zekere affiniteit voelt
met diegenen die in de Herv. Kerk willen staan voor het Gereformeerd belijden. Als ik mensen ontmoet uit jullie gemeenten, herken je elkaar in veel zaken betreffende het geestelijk leven. Ik lees sinds enkele jaren „Daniël" en ik moet zeggen: met veel instemming. De geestelijke verwantschap is beslist aanwezig. Jammer vind ik toch de tastbare achterdocht jegens hervormden. Ik voel me vaak in de ogen van veel G.G.leden een „tweede-rangs-cbristen". Je bent „maar" hervormd, dus niet erg betrouwbaar, o.a. in de leer. Je kan in de Hen'. Kerk nog wel bekeerd worden, zo zei iemand uit jullie gemeenten me eens, maar daarna zal de Heere je spoedig uit die kerk leiden en brengen naar een kerk waar de waarheid zuiver, bevindelijker wordt gebracht. Op een enkele uitzondering na, kan het eigenlijk niet wat goeds wezen, een dominee in de Hervormde Kerk. Maar om terug te komen op je vraag: er bestaat geestelijke verwantschap. Zou er een uittreden uit de Herv. Kerk nodig zijn, dan zijn voor mij de Geref. Gemeenten één van de mogelijkheden tot kerkelijk onderdak. Daarnaast zou je kunnen denken aan de „middenmoot" in de Chr. Geref. Kerken. Ik hoop echter dat het nooit nodig zal zijn.
Ds. J. H. Velema schrijft in het herdenkingsboek „En toch niet verteerd": „Er is veel dat ons verbindt met de Geref. Gemeenten, maar de uitspraken van 1931 zijn naar onze vaste overtuiging niet in overeenstemming met Schrift en belijdenis, maar geven een theologisch systeem, dat de prediking beheerst." Voor hem is dat onoverkomelijk. Hoe kijkt u daar tegen aan?
Die uitspraak van 1931 vind ik ook erg moeilijk. Ik weet dat ik door zo iets alleen al te zeggen bij velen in jullie kerk er eigenlijk al buiten sta. Wij verwijten het de Gereformeerde Kerken dat ze 21 woorden tussen haken hebben gezet in artikel 36 van de N.G.B., maar hebben de Geref. Gemeenten niet zelf een bovenkonfessionele uitspraak gedaan in de leeruitspraken van 1931? Kan dat eigenlijk we! zonder andere gereformeerde partners te raadplegen? Eenvoudig gezegd lijkt het me dat de Geref. Gemeenten door deze uitspraak het geestelijk leven al te zeer onder de beheersing van de uitverkiezing hebben gezet. En ik heb uit verschillende publikaties in uw kring de indruk gekregen dat men vindt dat de rechte schriftuurlijkbevindelijke prediking alleen maar zó kan zijn, als ze uitgaat van deze leeruitspraken. Wie zich hierin niet vinden kan, staat buiten de Geref. Gemeenten en volgens
sommigen misschien ook wel buiten het schriftuurlijk-bevindelijke leven. Dat gaat mij veel te ver!
Het komt nogal eens voor dat jongeren (en ook ouderen) van de Gereformeerde Gemeenten overgaan naar de Nederlands Hervormde Kerk. Wat vindt u daarvan?
Dat moetje nooit te gauw doen. Pas als er, om welke reden dan ook, geen plaats meer voor je is in je eigen kerk, kun je erover denken naar een andere kerk over te gaan. Mensen die zijn opgegroeid in de beslotenheid van de Gereformeerde Gemeenten en in de ruimte van de Hervormde Kerk komen, kunnen vaak heel slecht tegen die ruimte. Sommigen lopen daardoor het gevaar te verdwalen of te gaan dwalen.
„Fanatieke" hervormden hoor je weieens zeggen, dat het je plicht is om „terug te keren" naar de Hervormde Kerk. U ziet dat dus niet zo?
Nee. Het is ook geen oplossing voor de gescheurdheid van de kerk. In de kerk waarin je geboren bent, heb je een roeping. Die kerk, waar de Heere je van jongsaf gebracht heeft, mag je niet zo maar verlaten.
Zou u nog een slotopmerking willen maken?
Ik zou wensen dat de tijd aanbrak dat we elkaar als broeders van hetzelfde huis wat meer konden verdragen en wat beter naar elkaar leerden luisteren, en wel vanuit de aanvaarding van elkaar in Christus, Die het Hoofd der Kerk is. 150 jaar afscheiding geeft ons een droevig beeld van de kerk in Nederland. „Quis non fleret? " (Wie zou niet wenen? ) schreef wijlen drs. A. Vergunst boven zijn bijdrage in het befaamde boekje „Tien keer Gereformeerd". Dat was in 1973. En tot dat wenen is nog alle reden, maar het wordt maar weinig gevonden, naar ik vrees. Velen zijn tevreden over eigen huis en haard. Men heeft genoeg aan zichzelf. Kerkelijke strijd zijn we moe. De status quo wordt bemind. Laten we God bidden om een geestelijke opwekking in heel de kerk van Nederland. En, zei Spurgeon eens, Heere begin dan maar bij mijzelf.
Wie zou met deze laatste woorden niet instemmen? Dominee Maasland, ook vanaf deze plaats hartelijk dank voor uw spontane medewerking aan dit nummer van „Daniël" en voor de hartelijke ontvangst in de pastorie van Waddinxveen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 januari 1984
Daniel | 33 Pagina's