Reakties uit de Gereformeerde Gezindte
Naast een vraaggesprek met een predikant uit de Hervormde Kerk hebben we als redaktie ook aan een drietal vertegenwoordigers van verschillende afgescheiden kerken gevraagd hun mening te willen geven over de Afscheiding en over onze gemeenten.
Uiteraard betreft het hun persoonlijke visie. Het kan heel verrijkend zijn te horen hoe mensen met een heel andere kerkelijke achtergrond dan wij tegen bepaalde zaken aankijken. Met bepaalde antwoorden zullen wij het niet (helemaal) eens zijn, dat spreekt voor zich.
Aan alle vier zijn precies dezelfde vragen voorgelegd.
De vragen waren:
1. Hoe kijkt u tegen de Afscheiding van 1834 aan?
2. Hoe is uw kerk (genootschap) ontstaan?
3. Hoe kijkt u tegen onze gemeenten aan? Wat zijn volgens u de belangrijkste punten van overeenkomst en verschil tussen u en ons?
4. Is meer eenheid in de Gereformeerde Gezindte volgens u mogelijk of wenselijk en met welk kerkgenootschap ziet u dat het gemakkelijkst gerealiseerd?
Om ruimte te besparen, worden de vragen niet steeds herhaald, maar is er steeds naar het nummer van de vraag verwezen. Wel gaven de antwoorden soms aanleiding om enkele tussenvragen te stellen. Die vragen zijn uiteraard wel opgenomen.
1. Diepste oorzaak van de Afscheiding was de leervrijheid in de Hervormde Kerk en daarmee de ontrouw aan de drie formulieren van enigheid. Die leervrijheid was gelegaliseerd door de nieuwe en dubbelzinnige proponentsformule. En ook wel doordat de synode zich niet meer over leergeschillen wilde uitspreken.
In 1834 leidde dit tot de afscheiding van „de synodale Hervormde of liberale kerk om weder te keren tot de gronden der vaderen". In deze Akte van Afscheiding of Wederkering werd de Hervormde Kerk een valse kerk genoemd waarmee men niet langer gemeenschap wilde oefenen, tenzij deze terug zou keren „tot de waarachtige dienst des Heeren”.
Daarentegen wilde men gemeenschap zoeken met alle ware gereformeerden, dat wil zeggen met diegenen, die zich wilden houden aan Gods Woord, de belijdenisgeschriften en de Dordtse Kerkorde. Naar mijn mening was de Afscheiding terecht en legaal. Wanneer een kerk een valse leer tolereert en er geen leertucht is, zal dit moeten leiden tot afscheiding.
2. Op de synode van de Gereformeerde Kerken in 1944 te 's Gravenhage werd de leer van de veronderstelde wedergeboorte van dr. A. Kuyper voor wettig verklaard en gesteld „dat in onze kerken niets mag worden geleerd, dat met de betrokken leeruitspraken niet tenvolle in overeenstemming is”.
Op 11 augustus 1944 werd door K. Schilder een Akte van Vrijmaking of Wederkeer voorgelezen, waarmee hij zich vrijmaakte, en velen met hem, van deze onschriftuurlijke leer. Men maakte zich vrij van de binding van de leeruitspraken en van de tuchtmaatregelen die daaruit waren voortgevloeid, juist om gereformeerd te kunnen blijven (op grond van art. 31 der D.K.O.).
3. Punten van overeenkomst zijn bij beide kerken, dat zij zich willen houden aan Schrift en belijdenis. Het absolute schriftgezag staat voor beide kerken vast. Ook over tal van ethische en maatschappelijke vragen wordt ongeveer of geheel gelijk gedacht. Ik denk bijvoorbeeld aan zaken als abortus provocatus, euthanasie, de betekenis van het huwelijk enz.
Een punt van „groot" verschil is, dacht ik, de verbondsgedachte. De Synode van de Ger. Gem. sprak in 1931 uit, dat het verbond onder de beheersing van de uitverkiezing staat en dat het wezen van het verbond daarom alleen de uitverkorenen geldt. De gereformeerd vrijgemaakte zal zeggen: de doop (en dus het verbond) is er voor de gelovigen en hun zaad. De Heere richt Zijn verbond op met de gelovigen en hun zaad, wezenlijk, echt. Met al de beloften die erbij horen. En daar geven de vader en moeder hun ja-woord op. Wanneer dit niet waar was, zou een gedoopt kind nooit een verbondsbreker kunnen zijn. En dat zegt de Bijbel toch heel duidelijk. Als een kind later God de rug toekeert, dan is hij een verbondsbreker, maar we kunnen niet zeggen dat hij niet wezenlijk in het verbond begrepen is geweest. Dan zou de dwaling van dr. A. Kuyper weer de kop opsteken, nl. dat er een uitwendig en een inwendig verbond is.
- Worden alle gedoopten in de Gereformeerde Kerken (Vrijgemaakt) als wedergeboren gezien en hoe funktioneert de oproep tot bekering bij jullie in de prediking?
Het verbond geldt alle bondelingen. Zowel Jacob als Ezau waren besneden en in het verbond. Ezau heeft het verbond en daarmee de beloften van het verbond veracht. Welke die beloften zijn, is te lezen in het doopformulier.
Verder wordt in de Bijbel wedergeboorte, bekering en levensheiliging vaak gezien als verschillende namen voor eenzelfde zaak. Er zijn mensen die van jongs af aan geloven en daarin opwassen en toenemen. Er zijn ook mensen die pas op latere leeftijd tot geloof en bekering komen. En voor iemand die niet gelooft, geldt de oproep tot bekering. Voor iemand die gelooft, geldt dat zijn leven daarmee in overeenstemming moet zijn (dagelijkse bekering!). Wie er wedergeboren is of wordt, is een zaak die alleen God weet. Voor ons geldt: wie gelooft zal hebben, die zal zalig (behouden) worden.
- Nog een tussenvraag: u noemt als , , groot" verschilpunt de verschillende verbondsvisies, maar is er ook niet een verschillende kijk op de bevinding?
Bij ons gebruikt men deze term inderdaad liever niet. Wat bij de Ger. Gem. onder bevinding wordt verstaan, wordt in onze kerken aangeduid als geloofsleven. Bevinding is toch ten diepste geloofservaring. Wij bevinden in ons geloofsleven, als het goed is tenminste, dat de Heere een waarmaker is van Zijn Woord. Dat wil zeggen, dat ondanks onze onvolmaaktheid de Geest getuigt met onze geest dat wij kinderen Gods zijn. Dus, dat vraag en antwoord 1 van de Heidelbergse Catechismus niet een loze kreet" is, maar dat het ook voor mij geldt, ondanks mijn onvolmaakt geloof en leven.
4. Deze vraag vind ik erg moeilijk te beantwoorden. Er zijn binnen de Geref. Gezindte kerken die dichter bij ons staan en verder weg. Dit geldt zowel voor het verstaan van Schrift en belijdenis als voor allerlei terreinen van het leven. De Gereformeerde Kerk (Vrijgemaakt) heeft geprobeerd tot samenspreking te komen met de Christelijke Gereformeerde Kerken. Dit is tot op heden niet gelukt. Waar wij elkaar op Schrift en belijdenis kunnen vinden, zal dat zeker moeten op bevel van Christus en mogen wij niet op ons zelf blijven staan.
1. Het lijkt mij goed om even een paar historische gebeurtenissen op een rijtje te zetten.
In 1816 werd door koning Willem I aan de kerk het Algemeen Reglement van Bestuur opgelegd. De kerk mocht voortaan slechts besturen. De leertucht ontbrak. Er waren predikanten die openlijk de Godheid van Christus loochenden. Te Ulrum kwam Hendrik de Cock met een groot deel van zijn gemeente in verzet tegen het synodale bestuur en de reglementen.
Hij beriep zich op de belijdenisgeschriften en de Dordtse Kerkorde. Hoewel hij de leer der vaderen voorstond, werd hij geschorst en na verloop van tijd zelfs als dienaar des Woords uitgestoten, omdat hij het Woord zuiver had verkondigd. Ds. de Cock is door de historische situatie naar de Afscheiding toegegroeid (op 14 oktober 1834 scheidde de Cock, mede onder invloed van ds. Schol te, zich met een deel van zijn gemeente af). Hij heeft de kerk willen reformeren, maar toen dit niet mogelijk bleek, werd de Afscheiding een feit.
Naar mijn mening dacht ds. Scholte te snel aan afscheiding. Hij achtte het geheel van de kerk niet van wezenlijk belang, maar had alleen oog voor de plaatselijke gemeente.
2. Bij de Afscheiding vormden zich reeds twee groepen van gemeenten. Onder leiding van ds. H. de Cock vormden zich „de gemeenten onder het kruis", terwijl de volgelingen van ds. H. P. Scholte bekend stonden als „de afgescheidenen". Het voornaamste geschilpunt tussen beiden v/as, dat de Kruisgemeenten geen erkenning van de overheid wilden aanvragen. In 1869 herenigden beide richtingen zich en noemden zich voortaan de Christelijke Gereformeerde Kerk.
In 1892 was er een groep van ongeveer 700 mensen die niet meeging met de Doleantie van 1886 en die voortzetting voorstonden van de oude Christelijke Gereformeerde Kerken van 1869.
3. Ik kijk positief tegen de Ger. Gem. aan. Allereerst ziet men in dat er veel voor de jeugd gedaan moet worden. Er zijn eigen scholen waar de opvoeding van het gezin gekontinueerd kan worden. Het jeugdwerk in het algemeen staat op hoog peil. Het blad „Daniël" — dat ik overigens al jaren lees — zou ik een goed jeugdblad willen noemen. Verder wordt er in de Gereformeerde Gemeenten grote nadruk gelegd op de toepassing van het heil. Er wordt schriftuurlijk bevindelijk gepreekt. „In de Gereformeerde Gemeenten is vanouds sterk de nadruk gelegd op de praktijk van de godzaligheid. In onze gemeenten is nog steeds de schat bewaard gebleven van de verborgen omgang met God", aldus J. H. Mauritz in de Daniël" van 15 mei 1981. Vooral in onze tijd moeten de jongelui goed weten, hoe een mens bekeerd wordt, anders zijn ze snel geneigd over te lopen naar de vrije groepen.
En dan die overeenkomsten en verschillen. Vooraf de opmerking dat ik het niet zo gemakkelijk vind om over verschillen te praten, omdat meestal snel te absolute uitspraken gedaan worden. Ik zal proberen deze vraag zo objektief mogelijk weer te geven.
In de Chr. Geref. Kerk heeft men meer oog voor het eigene van een bepaald tekstgedeelte en het specifieke van een bijbelboek. De exegese, in voorwerpelijke zin, krijgt zo meer klem en relief. De toepassing heeft echter niet overal evenveel diepgang. Separerende prediking wordt weieens verdacht gemaakt of zelfs „klassifikatietheologie" genoemd.
In de Ger. Gem. wordt bevindelijk gepreekt. Dit is echter zeer moeilijk en vereist een groot inzicht en licht in de boodschap van de Bijbel. Wanneer bevindelijk preken een „maniertje" wordt, wil men te veel uit de tekst halen. Dit gevaar heb ik weieens, o.a. in de Ger. Gem., gekonstateerd.
In de Chr. Geref. Kerk wordt er meer nadruk gelegd op het zijn in het verbond — dat God met het zaad van Abraham heeft opgericht — dan in de Ger. Gem. In de prediking wordt daarom de verantwoordelijkheid van alle kerkgangers meer beklemtoond dan in de Ger. Gem. In de prediking bij jullie wordt vaak sterk vanuit de uitverkiezing gepreekt en zodoende meer gesproken over het eenzijdige werk van God in het hart van een zondaar. Beide elementen — verkiezing en verbond — dienen in een spanningsvol evenwicht te zijn.
Maar nogmaals: ik wil deze verschillen niet
als absolute tegenstellingen zien. Het is vaak een kwestie van meer of minder. En dat zie je ook onder predikanten van eenzelfde kerkgenootschap voorkomen. En daarom, ondanks die verschillen, zou ik vooral ook willen wijzen op de overeenkomst: zowel de Ger. Gem. als de Chr.
Geref. Kerk wil voluit vasthouden aan Schrift en Belijdenis. Dat is het gemeenschappelijke. Verschillen zijn er altijd geweest.
4. Het is duidelijk, dat eenheid in de Gereformeerde Gezindte wenselijk is. Hoeveel verdeeldheid is er niet. Als wij werkelijk een gemeenschappelijke basis hebben, (dat is namelijk de vraag) zal dit ook in de praktijk moeten blijken.
Dan zullen de wereld en andere kerken meer respekt voor ons hebben en wat meer zegt, dan zal de Naam des Heeren niet om onzentwille door het slijk worden gehaald. Als we een geestelijke eenheid voorstaan, dan moeten we bedenken dat we dit niet los mogen maken van de zichtbaarheid ervan in institutionele vorm.
1. Er kunnen bepaalde oorzaken zijn waardoor een gebeurtenis als de Afscheiding niet meer te vermijden is. Ds. De Cock werd het op den duur onmogelijk gemaakt in de vaderlandse kerk te blijven. Hij kon er zijn ambt niet meer uitoefenen.
- Het werd De Cock onmogelijk gemaakt zegt u. Was er geen plicht tot afscheiding, bijvoorbeeld omdat de Herv. Kerk een valse kerk was geworden?
Inderdaad wordt wel gesteld dat de
Hervormde Kerk een valse kerk was geworden, o.a. in de Akte van Afscheiding. Ik geloof dat deze opmerking onjuist is. Er waren veel hervormde gemeenten waar het Evangelie zuiver werd gepredikt, de sakramenten rein werden bediend en de tucht werd uitgeoefend. En tot nu toe zijn er gelukkig nog hervormde gemeenten die aan deze kriteria voldoen. Ondanks alle Dit is allemaal makkelijker gezegd dan in de praktijk gerealiseerd. Het kan wel eens zijn dat de Heere de kerken, waar Schrift en belijdenis alleen alle gezag heeft, Zelf door de nood der tijden bij elkaar brengt. Hoe dit gaan zal, weet ik niet, maar het zal altijd anders gaan dan wij denken.
Persoonlijk denk ik dat de Christelijke Gereformeerde Kerk het best kan samengaan met die kerken waar in de prediking gesproken wordt over de rijke Christus voor een arme zondaar. Alleen waar een voorwerpelijke én onderwerpelijke prediking beluisterd kan worden (en dat is zelfs in één kerkverband van plaats tot plaats verschillend), kan sprake zijn van een echt samengaan. Bovendien mag een zeker kerkbesef niet ontbreken.
In de praktijk kan dit wel eens betekenen, dat er naast het samengaan met andere ook gezocht en gebeden moet worden om de ware eenheid in eigen kerk.
Persoonlijk voel ik mij het meest verwant aan de Gereformeerde Gemeenten en een deel van de Gereformeerde Bond.
stormen die over de vaderlandse kerk heengegaan zijn, is in die kerk de leer der Reformatie nog te beluisteren, ofschoon ik er dadelijk bij moet zeggen dat dat helaas niet van iedere afzonderlijke gemeente kan worden gezegd.
Ik zou dus niet willen stellen dat ds. De Cock de plicht had zich af te scheiden omdat dè Herv. Kerk een valse kerk was geworden.
2. In 1907 zijn de Kruisgemeenten verenigd met de ledeboeriaanse gemeenten. Aanvankelijk was ds. Boone het met deze vereniging eens en onder de bepalingen werd ook zijn naam gezet. Later trok hij zich echter terug. De redenen waren zijn bezwaar tegen de naam van het nieuwe kerkgenootschap. Hij wilde de naam Oud Geref. Gem. en niet Geref. Gem. Daarnaast wilde hij het oude ambtsgewaad handhaven met bef, steek en kuitbroek. Ook wees hij het algemeen gebruik van de psalmberijming van 1773 in plaats van die van Datheen af.
In zijn mening werd hij versterkt toen hij werd bepaald bij de woorden uit Openb. 22 : 9 en Spr. 24 : 21: Zie dat gij het niet doet" en „Vermeng u niet met hen die naar verandering staan”.
Op 3 december 1907 werd op een vergadering te Waddinxveen het verband der Oud Geref. Gem. opgericht waarbij
aanvankelijk 15 gemeenten zich aansloten. Nu zijn er ± 60 gemeenten.
- Is het wel te verdedigen dat ds. Boone om zulke „bijkomstige" redenen niet met de vereniging meeging?
Laten we eerst duidelijk stellen dat het in 1907 ging om een vereniging van diverse gemeenten. Niemand dwong daartoe; een ieder was vrij om met die vereniging mee te gaan of niet. Ds. Boone bleef apart staan om de drie genoemde redenen die u „bijkomstig" noemt. Ik geloof niet dat we op die wijze daarover mogen spreken. Gezien de hele figuur Boone zullen die zaken voor hem dermate belangrijk geweest zijn dat hij niet mee kon gaan met de vereniging. Laten we ook niet gering denken over het feit dat, zoals hij zelf later schreef „in mijne meening werd gesterkt door de woorden uit Qpenb. 22 : 9 en Spr. 24 : 21". Het al of niet meegaan zal zeker een gebedszaak geweest zijn.
3. Over het algemeen kijkt men in onze gemeenten met gemengde gevoelens naar de Geref. Gem. Bij het zien van de grote aktiviteiten die ontplooid worden op allerlei terreinen wordt in onze gemeenten in veel gevallen gedacht en gezegd: daar hebben wij geen behoefte aan. Vooral bepaalde zaken in het jeugdwerk schrikken eerder af dan dat ze aantrekken. Er wordt vaak een parallel getrokken tussen de Geref. Gem. van nu en de Geref. Kerken uit de jaren van voor de Tweede Wereldoorlog. Het massale karakter van de diverse bondsdagen worden in onze gemeenten met argwaan bekeken.
Al die aktiviteiten vergen een geweldige organisatie. En daar staan veel oud gereformeerden huiverig tegenover. Wijlen ds. Van der Poel bracht eens onder woorden wat wellicht veel oud gereformeerden zullen onderschrijven. Hij zei het ongeveer zo: „Vroeger werd op de klassisvergaderingen een uurtje gesproken over zakelijke kwesties. De rest van de dag werd doorgebracht met gesprekken over het bevindelijke, geestelijke leven. Toen hoorde je nog eens vertellen van deze of gene wat God in de afgelopen tijd aan zijn ziel gedaan had. Nu komen we met tassen vol papieren waarover we uren praten en aan het andere komen we niet meer toe". Het is natuurlijk wel de vraag of welk kerkgenootschap dan ook aan bepaalde ontwikkelingen kan ontkomen. Daarom bedreigt het hierboven genoemde gevaar iedere kerk.
Wel is het zo dat in de Geref. Gem. in sterker mate wordt ingespeeld op allerlei maatschappelijke ontwikkelingen dan in de Oud Geref. Gem. Ik voel aan dat hier een spanningsveld ligt: enerzijds het inspelen op maatschappelijke ontwikkelingen anderzijds een meer geïsoleerde opstelling. De ene kerk neigt meer naar de ene pool, de andere meer naar de andere.
Een ander verschilpunt is dat de Oud Geref. Gem. een veel losser kerkverband vormen dan de Geref. Gem. Een van de redenen voor die vrij losse organisatie wordt wel verklaard vanuit de nog steeds aanwezige sympathie voor de Hervormde Kerk. Men heeft zich nooit strak als afzonderlijk kerkgenootschap willen organiseren. Je proefde altijd nog enigszins een zekere weemoed over het verval in de vaderlandse kerk.
Het gevoel van smart over het noodzakelijke vertrek weerhield de oud gereformeerden ervan zich uitdrukkelijk als kerk te organiseren. Daardoor bleven de „kerkmuren" laag en velen die bij andere kerkgenootschappen behoorden, stapten daar nogal gemakkelijk overheen. Dit leidde ertoe dat ds. Mieras eens schreef over ds. Boone: „Hervormden, christelijke gereformeerden en mensen van de Gereformeerde Gemeenten, tezamen met de oud gereformeerden vergaderd, zaten onder hem en vulden de gebouwen, waar hij sprak: een typische eigenschap van de oud gereformeerden tot op deze dag toe”.
4. Ik zou liever spreken over samenwerking dan over eenheid. Eenheid in de zin dat kerken samengaan, lijkt mij moeilijk te realiseren.
Samenwerking is nuttig en nodig. Dat gebeurt al vrij veel. Zie bijvoorbeeld de GBS, SGP, scholen, gezamenlijke protesten bij de overheid enz.
Deze samenwerking zou kunnen worden uitgebreid tot meer terreinen. Ik denk aan een gezamenlijke doordenking van allerlei problemen op technisch, medisch, etisch gebied. De laatste stakingsgolf was er ook weer een voorbeeld van hoe geïsoleerd en vereenzaamd mensen uit onze kringen stonden en met welke problemen ze gekonfronteerd werden wanneer ze niet meededen aan de akties.
Alle vier kollega's hartelijk dank voor de bereidwilligheid aan dit nummer van „Daniël" mee te willen werken.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 januari 1984
Daniel | 33 Pagina's