Rosalinde wil knikkeren (2)
Bij de familie Van de Heyden zitten vader, moeder, Jan en Henk aan tafel. Ze wachten op Rosalinda en Ton. Ze kijken heel verbaasd als Ton thuisgebracht wordt met de auto van de buren. Moeder gaat snel naar de voordeur.
„Is er iets met Rosalinde? " vraagt ze verschrikt.
„Rosalinde wil niet naar huis. Ze blijft knikkeren op het schoolplein", zegt Ton, De buurvrouw vertelt dat Ton op straat liep. Vader komt erbij. Hij schrikt ook. „Wat is dat nou weer!" zegt hij boos.
Als hij begrijpt wat er gebeurd is, zegt hij tegen moeder: „We moeten een strenge straf voor haar bedenken. Iedere middag te laat, en nou dit weer.”
Rosalinde weet niets van wat er thuis gebeurd. Ze knikkert nog steeds op het plein. Eindelijk heeft ze twee keer gewonnen. Nu heeft ze nog achttien knikkers. Gauw naar huis, dan kan ze vanmiddag voordat de school begint nog een paar knikkers erbij winnen. Waar is Ton?
„Ton, kom, we gaan naar huis!", roept ze. Maar waar is Ton? Rosalinde kijkt om zich heen. Ton is nergens te bekennen.
Verschrikt loopt ze de kleuterschool in. „Waar is Ton? ", vraagt ze aan de juf. „Ton? Die is allang weg.”
Rosalinde loopt het schoolplein af. Ze kijkt in de straat. Er komt een mevrouw langs die haar hond uitlaat.
„Zoek je iets? ", vraagt ze.
„Mijn broertje is weg", zegt Rosalinde verdrietig.
„Jouw broertje? Heeft hij een blauwe jas aan en een witte das om? ”
„Ja!", knikt Rosalinde.
„Hij liep hiernet over de stoep. Hij ging die kant uit.”
„Echt waar? ? "Rosalinde schrikt. Ze rent weg om haar fiets te halen. "Ton op straat! Waar is hij nu? O, als hij maar geen ongeluk heeft gehad. Zou hij.... O, wat is Rosalinde nu bang!
Ze fietst snel weg en ze kijkt steeds links en rechts om zich heen. Ze ziet Ton helemaal niet.
Als ze vlak bij huis is, wordt ze nog banger. Hoe moet dat nou? Wat moet ze zeggen tegen vader en moeder. Ze had direkt naar huis moeten gaan.
„O", zucht ze en ze denkt: „Zou de Heere nu willen helpen? " Ze schrikt er wel van. Zij luistert niet naar haar moeder en niet naar wat God wil, maar de Heere moet wel naar haar luisteren. Nee, dat zal zeker niet gebeuren. Het is haar eigen schuld. En die arme Ton!
Langzaam fietst ze het tuinpad in. Ze durft niet naar binnen te kijken. Ze zet haar fiets tegen de muur. Moeder komt al naar de keukendeur.
„Ton", zegt Rosalinde bang. „Hij is er niet!”
„Ton is binnen", zegt moeder, „de buurvrouw zag hem op straat lopen. Ze heeft hem net gebracht. We gaan eten, we hebben al zo lang op je gewacht Doe je jas uit. Ga maar gauw aan tafel; vader wil juist gaan beginnen.”
Rosalinde durft vader niet aan te kijken. Ze sluit haar ogen en vouwt haar handen. Vader bidt: „Heere, voordat wij een zegen vragen over dit eten willen wij u eerst bedanken voor Uw wonderlijk sparende hand over ons en onze kinderen. U doet met ons niet naar onze zonden.”
De rest hoort Rosalinde niet meer. Ze krijgt een brok in haar keel. De tranen springen in haar ogen. „Amen" hoort ze dan.
Ze schuift haar stoel achteruit en gaat huilend de kamerdeur uit, de trap op naar haar kamer. Vader en moeder kijken elkaar aan.
„We hoeven geen straf meer voor haar te bedenken", zegt moeder. „Ze heeft haar „straf' al gehad....”
A. M, van Houdt
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 januari 1984
Daniel | 32 Pagina's