WIJ WETEN HET
Lees eerst aandachtig 1 Joh. 5:14-21 voor je de bijbelstudie gaat bestuderen
11.1 Wij weten (15, 18, 19, 20)
„Wij weten het", mag je tegenwoordig eigenlijk niet meer zeggen, geloof ik. Men wil datje iedereen in zijn waarde laat en je mag niemand veroordelen, die er anders over denkt dan de bijbelschrijvers. Je zou ze bijna gelijk geven. Maar nee, het is niet waar! Wij weten het en zij niet. Het Woord van God is waarachtig en niet de Koran van de islamieten en niet wat deze of gene sekte ons biedt. Dat is de taal van Johannes als hij zegt dat de dwaalleraars leugenaars zijn. Vijf maal komen we in dit slotgedeelte tegen „wij weten". Er is maar één waarheid en er zijn er geen twee. Is dat eigenwijs? Ja, dat zeggen ze vast wel tegen je, maar dat is helemaal niet waar, want je hebt gewoon gelijk. Je bent niet eigenwijs als je de Bijbel alleen maar naspreekt.
11.2 Hoe weetje dat? (14, 18, 19, 20)
Wij vergissen ons niet in het Woord van God. Maar hoe weet jij dat? Van je ouders geleerd of van de dominee gehoord of op school opgestoken? Dan heb je het alleen maar van horen zeggen. Dan heb je wel gelijk natuurlijk, maar je staat toch niet erg stevig in je schoenen. Of weet je het persoonlijk en heeft de Heere die wetenschap vastgemaakt in je hart? Want dat is de wetenschap waar het hier over gaat! Het is niet alleen maar voor waar houden, wat God in Zijn Woord heeft geopenbaard, maar een zekerheid die voortkomt uit het zaligmakende geloof! Dan heeft de Heere het hart geraakt en is er wedergeboorte gekomen (19). Ja, dan weetje pas werkelijk dat God bestaat, want eerder zei je dat ook wel, maar intussen leefde je wel gewoon door in een dodelijke tweeslachtigheid. Maar als je weet dat God, de Levende God is, leef je niet gerust verder, maar gebeurt er wat in je leven. Als de Heere Jezus de enige Weg ter ontkoming gaat worden, ga je de Waarachtige kennen (20) en gebeuren er zaken, die nooit meer uitje geheugen zijn te wissen. Dan wéét je dat wij ons niet vergissen. Zolang je daar niet iets van kent, sta je wankel en hoeft er niet veel te gebeuren of je weet het niet meer. Of weet jij dat wij gelijk hebben? Dan ben je een gelukkig mens.
11.3 Gebed voor de broeder (14-16)
Wij hebben het bij hoofdstuk 3 : 22 al over het gebed gehad. Hier zien we hetzelfde in vers 14, 15. De geloofswetenschap houdt immers ook in dat we weten dat de Heere verhoort als we bidden naar Zijn wil. Als je die wetenschap mist, bid je heel anders en wacht je maar eens af of het helpt. Maar zo bidt Gods volk niet als ze eens mogen'bidden. Nee, dan laten ze het aan de Heere over wat de uitkomst is, maar weten tegelijk dat wat Hij doet goed is. In vers 16 zien we dat de apostel dat toepast op het gebed voor een in zonden gevallen broeder. We moeten dan God bidden en niet schimpen of er schande van spreken. Nee, we moeten er niet met elkaar over spreken, maar met de Heere, want dat is veel vruchtbaarder. Er staat hier zelfs de belofte bij dat Hij hem het leven zal geven. De statenvertalers hebben getwijfeld of ze hier „Hij" met een hoofdletter moesten schrijven. Het zou ook kunnen betekenen dat we door gebed zo iemand tot het leven konden brengen, maar één ding is wel
duidelijk, namelijk dat de Heere dat dan moet geven. Wat een belofte voor de kinderen Gods is dat als ze bidden voor het nageslacht. Laten ze niet te gering denken van het gebed. Elia was een man van gelijke beweging als wij en ook zijn gebed werd verhoord (Jac. 5 : 17). Het gebed van een rechtvaardige vermag veel (Jac. 5:16).
11.4 Zonde tot de dood (16)
We kunnen niet barmhartig genoeg denken over een ander en laten we niet te snel zijn met de gedachte dat er voor deze of gene toch „geen bidden meer aan" is. Niet voor niets wekt de apostel op tot gebed voor hen die in zonde zijn gevallen. Maar er is ook een anderzijds: ij behoeven niet barmhartiger te zijn dan God Zelf (Calvijn). Als de Heere iemand heeft overgegeven aan de verharding en zo iemand dus gezondigd heeft tot de dood, is gebed zinloos geworden. De lezers van de brief zullen geweten hebben over wie het ging. In hun midden zijn respektabele mensen geweest, die een godzalige indruk maakten, mensen met een warm hart voor de Heere en Zijn dienst. Maar ineens zakte het af en de liefde sloeg om in bittere haat. Dat is niet zo'n best teken, als iemand van het ene uiterste in het andere valt. Hetzelfde vinden we in Hebr. 6 : 4-6, waar het gaat over hen die de hemelse gaven gesmaakt hebben en de krachten van de toekomende eeuw, maar toch afvallig worden. Voor hen is er geen terugkeer meer mogelijk. Zij hebben de Heere openlijk te schande gemaakt en peinzen er ook niet over ooit om te keren. Zij zijn verhard en daarom hoeft nooit iemand te vrezen die zonde gedaan te hebben, want dan zou het ons allemaal niets meer interesseren.
11.5 Zondigt niet (18)
Met Gods kinderen zal het nooit zo ver komen. Die uit God geboren is, bewaart zichzelf en de boze vat hem niet. Gods volk kan wel in zonde vallen en het kan zelfs heel ver gaan (D.L. V, 4, 5), maar ze worden nooit aan de verharding prijsgegeven. De Heer zal niet verlaten de werken Zijner handen. Dat is de troost voor hen, die de Heere mogen vrezen: zijn kunnen de Heere wel verlaten, maar de Heere verlaat hen nooit meer. Zij kunnen Hem wel vermoeien met hun zonden, maar de Heere wordt hen nooit moe en weet wat van Zijn maaksel te wachten is. Hoe zalig is dat volk dat uit God geboren is want de boze kan hen nooit grijpen.
11.6 Wij en de wereld (19, 21 20)
Wat een tegenstelling komt er dan tussen de wereld en de Kerk. Het is een verschil van dag en nacht. De wereld ligt in het boze en wentelt zich behaaglijk in de zonde, maar Gods kinderen haten de zonde, al gelukt het niet die uit te bannen. Het is of de apostel wil zeggen: bemoei je er maar niet mee, want waar je mee omgaat, word je mee besmet. De wereld wemelt van de afgoden en de mens behaagt zichzelf ermee (21), maar zij die de Waarachtige kennen, leven voor een Ander, omdat Hij als de Gezalfde des Vaders hun schuld heeft verzoend en hen vasthoudt tot het einde. Hij bidt dat hun geloof niet ophoude. Wat een voorrecht om het te mogen belijden en beleven: Deze is de Waarachtige God en het eeuwige Leven. Ja, dat is het: Hij is hun leven en dat terwijl zoveel anderen gaan verloren in de dood. Het is het één of het ander: jezelf de dood in zondigen of het Leven ontvangen. Wist je dat al?
11.7 Vragen
1. Kun je voorbeelden uit de Bijbel noemen van mensen die het dachten te weten, maar er niets van af wisten?
2. Moeten wij mensen met een andere godsdienst in hun waarde laten of mogen we hen niet verdragen? Hoe trnsdat in Israël?
3. Het gaat hier over het gebed van Gods kinderen dat verhoord wordt. Betekent dat, dat gebeden van onbekeerden niet verhoord worden? Zoek voorbeelden uit de Bijbel.
4. Wat is het verschil tussen het gebed van Gods kinderen en dat van een onbekeerde?
5. Wat wordt ermee bedoeld dat zij die de zonde tegen de Heilige Geest doen, van het ene uiterste in het andere vallen?
6. Kunnen onbekeerde mensen dus iets van de ware godsdienst ervaren? (vergl. Hebr. 6 : 4-6 en eventueel wat Calvijn daarover zegt).
7. Waarom is hoofdstuk vijf van de Vijf Artikelen tegen de remonstranten belangrijk? Wat leerden de remonstranten dan en waarom klopt dat niet?
8. Waarom blijven er nog zoveel zonden bij Gods kinderen over? (lees D.L. V, 2)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 december 1983
Daniel | 33 Pagina's