JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

GEORGE, je vader heeft je lief

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

GEORGE, je vader heeft je lief

10 minuten leestijd

Vervolgverhaal deel I

Op een open vlakte met hier en daar een groepje bomen aan vier zijden door donkere bossen omzoomd, staat een stevige blokhut. Uit de schoorsteen op het naar één kant hellend dak kringelt een dun spiraaltje rook. Vlakbij de hut, in de schaduw van een groepje jonge esdoorns, graast een koe. In een loophek, dat tegen de zuidmuur van de hut staat, ligt een jongetje van een maand of zeven. Zijn donkere kijkers volgen een dikke bromvlieg die gonzend tussen de spijlen zoemt. Een goede tweehonderd meter van de hut vandaan loopt een paard voor een ploeg. Met de regelmaat van een klok draaien paard en ploeg om aan het eind en het begin van de akker. De man die paard en ploeg doet keren kijkt geen enkele maal om. Al meer dan twee uren stapt hij in eendere kadans in de lange, kaarsrechte voren die de ploeg in de aarde trekt. Heen en weer, heen en weer. En hoog boven bossen, blokhut en akker staan de bergen. Zij kijken — nog wit en koud — over dat alles heen. Maar hoger, oneindig hoger straalt de lentezon, die straks de sneeuw op de bergen doet smelten, die mens en dier blij maakt en de knoppen van bomen en planten doet zwellen en openspringen. De zon, die Joe Smith doet werken als een

paard, uren lang, onvermoeid. De zon, die Mary zijn vrouw doet zingen als een lijster. Ha, de lange, lange winter is voorbij. Nog even dan zal de nu nog dampende, donkere akker veranderd zijn in teer groen tapijt. Dan zal de beek langs het huis, nu nog koud en stijf, weer bruisen van plezier. Dan zal de koe, die nu nog moet zoeken naar wat toefjes groen haar buik vol eten met fris mals gras. Dan zullen de esdoorns, de populieren en de eiken met volle bladerdossen volop schaduw geven aan mens en dier. Nog even dan zal de kleine George, die nu zo stilletjes ligt te kijken, zich optrekken aan de spijlen van het loophek en vol verlangen naar de wijde wereld daar buiten, zijn eerste stapjes doen. Ja, nog even en dan....

„Hij lijkt op jou Joe"

Met een kleur van inspanning sjouwt George met een voor zo'n klein kereltje veel te zware balk van de stal naar de grote populier bij de beek. Bij de deur kijken Joe en Mary lachend toe. „Dat haalt hij nooit Joe". , , Hm, wacht maar af, 't is eendoorzettertje. Nee, nee, niet gaan helpen".

George, onbewust van de belangstelling in zijn persoontje, sjouwt dapper verder. Hij heeft het in zijn bolletje gezet het brok hout

dat hij in de stal vond in de beek te smijten. Niets en niemand zal dat kunnen verhinderen, want wat hij eenmaal in dat koppige hoofdje heeft gezet, kan er met tien paarden niet uitgetrokken worden.

„Hij lijkt op jou, Jou", zegtMary. In haar stem klinkt een vage ongerustheid door. Joe merkt het niet. Hij knikt alleen maar. Ja, George is een koppig kereltje. Zo klein als hij is, hij weet van geen toegeven.

„Nu nog niet Mary, later"

„Zo George, nu deze sommen nog en dan is het welletjes voor vandaag". Aan de grote tafel die — om zoveel mogelijk van het schaarse daglicht te profiteren — onder het raam is geschoven, zitten Mary en haar zoontje. George heeft net een hoofdstuk uit de Bijbel gelezen. Hij moest er voor op z'n knietjes gaan zitten. De Bijbel is groot en dik, zodat hij er als hij gewoon op de stoel zit niet eens in kijken, laat staan er Uit lezen kan. 't Ging weer beter dan de vorige week. De erg moeilijke woorden mocht hij overslaan. Verleden winter is Mary begonnen met haar kleine jongen lezen en schrijven te leren. De eerste jaren is de Bijbel niet van zijn plaats geweest. Och, er was altijd zoveel te doen, er kwam niet van om hem open te doen. Ze was er in het begin wel eens verdrietig om geweest. Maar Joe had gezegd: „Nu nog niet Mary, laten we eerst de hut groter en mooier maken. En ze hadden geslaafd en gezwoegd van de vroege ochtend tot de late avond. Zomer en winter, jaar in jaar uit. 's Winters zette Joe zijn strikken en vallen en maakte hij jacht op de kostbare pelsdieren. Als hij heel vroeg in het voorjaar naar de stad ging om de huiden van de gevangen dieren te verkopen, had ze de Bijbel nog wel eens opengeslagen. De dagen duurden zo lang zonder Joe. Maar als hij dan met een slee vol levensmiddelen, landbouwgereedschappen en vele andere dingen terugkwam, was ze het grote Boek weer vergeten. Ze hebben rijke oogsten gehad. Elk jaar kocht Joe er een stuk land bij. Er staat een stevige schuur naast de al driemaal vergrote blokhut. Twee paarden en drie koeien bevolken die schuur en diep verborgen onder het hooit staat een met ijzer beslagen kist, waarin Joe zijn geld bewaard. Ze hebben het goed met z'n drietjes. Al zien ze soms maanden geen ander mens, dat deert hen niet.

, , 'k Heb ze af'.

Mary schrikt op uit haar gedachten. Ze pakt de lei die George vol gekrast heeft met

sommen en kijkt ze snel na. „Allemaal goed", prijst ze hem, „je bent een knappe kerel, hoor".

Vader

„Moeder, moeder, daar komt hij!" Met één sprong is George bij de kamerdeur. Een vlugge ruk aan de kapstok en met z'n jas maar half aan rent hij de deur uit Daar, in de verte nadert iets donkers over de lichte sneeuw. De hele morgen heeft George zitten uitkijken. Vandaag kan vader terugkomen! En nu is het zover. Hij holt hem tegemoet. Hij zou nog wel harder willen rennen, maar dat gaat niet. Hier en daar begint de sneeuw al te smelten. Dan trapt hij dwars door het dunne laagje heen, dat zo stevig lijkt, maar in werkelijkheid zo bros en dus is. „Vader, vaadeèèrÜ" Joe steekt zijn hand op. Hij heeft dat dappere figuurtje al gezien. „George", schreeuwt hij, , , 'k Heb wat voor je meegebracht'"

„Mary-hoeve"

De jaren zijn voorbijgesneld. De seizoenen wisselden zonder ophouden in een altijd eendere regelmaat: lente - zomer - herfst - winter.

De eenvoudige blokhut is veranderd in een mooie boerderij met een ruime stal en een grote schuur. Vader Joe is de vijftig al gepasseerd, maar werkt nog even hard en rusteloos als vroeger. Nee, nog harder, nog rustelozer. En Mary? Mary is er niet, Mary is gestorven. Een ernstige ziekte verzwakte haar en twee jaar geleden is zij begraven bij de hoge populier naast de beek.

Tante Manda, een oude negerin, die vijf jaar geleden met Joe mee uit de stad kwam om te helpen en Mary's taak wat te verlichten, is na de dood van Mary huishoudster geworden. Zij is een vriendelijke vrouw, die dagelijks in haar Bijbel leesten stil haar gang gaat. „Mary-hoeve" staat met mooie sierletters boven de deur van de boerderij.

„Mary-hoeve", och wat zou het. Mary is niet meer en mét Mary is de liefde het huis uitgeslopen. Het botst iedere dag tussen Joe en George. Er gaat geen dag voorbij of ze hebben elkaar gegriefd met woorden of soms met een enkel gebaar. „Ik wil weg", had George gezegd, „ik houd het hier niet meer uit. Ik werk me nog dood en wat heb ik dan gehad? Niks, helemaal niks". Maar Joe had hem toegebeten: „Wat weg! Je hebt het best hier". „Ik wil ook wel eens verder kijken", had George toen kortaf geantwoord, , , 'k Ben echt niet van plan

weg te blijven, maar dit houd ik niet meer uit. Dit is geen leven". Tante Manda had geprobeerd vrede te stichten, maar Joe had haar afgeblaft en geschreeuwd dat zij zich er buiten moest houden. Zo is de situatie op „Mary-hoeve" geworden. Een vader en een zoon, twee dezelfde karakters, staan lijnrecht tegenover elkaar. Dat kan nooit goed gaan.

Gegroet.... George

In een razende vaart stuift een man te paard over de sneeuw, die als een onafzienbare witte deken het nachtelijk heuvelland bedekt. De bijna volle maan maakt dat de ruiter zich niet kan vergissen in de weg die hij neemt. Het is zo licht als de dag. Zo behoedzaam als de ruiter zijn tocht begonnen is, zo roekeloos rijdt hij nu. Voorovergebogen in het zadel spoort hij zijn paard gedurig aan tot nog grotere spoed: „Toe King, loop watje kunt". Af en toe trekt hij een gezicht, alsof hij ergens pijn heeft. Soms mompelt hij wat.

„Sneller King. Als hij ons achterna komt. Hij is er toe in staat". Tegen de morgen houdt de man zijn paard wat in. Nu kijkt hij voor het eerst ook om. Een smal spoor in de rulle sneeuw verraadt waar hij gereden heeft. Even slaat de schrik hem om het hart. Vader zal zeker zijn spoor volgen en wat dan? En weer hoort hij de woedende stem die hem toeschreeuwde: „Ik zal jou leren de hand tegen je vader op te heffen!" En weer krimpt hij ineen onder de suizende slagen van de buffelleren riem die hem ongenadig raakte, op z'n rug, z'n schouders, z'n hoofd,

't Was zover. Slaande ruze op eerste Kerstdag, op zijn twintigste verjaardag. Even leek het of hij het winnen zou. Maar z'n vader was sterker en als een kleine jongen werd hij de stal uitgeranseld. Hij had zich de hele dag niet meer laten zien. Maar toen hij wist dat zijn vader en tante Manda sliepen, was hij weggegaan. Als een dief was hij het huis uitgeslopen. In de stal had hij een briefje achtergelaten.

„Nu ik weet dat u me haat, blijf ik geen dag meer. Ik heb King meegenomen en de helft van het geld uit de kist. Het paard en het geld komen mij toe, als loon op m'n arbeid in deze ellendige jaren".

George.

Er zijn bijna vier lange jaren voorbij na Georges verdwijnen. Op „Mary-hoeve" was alles anders geworden na de ontdekking dat George was verdwenen. Joe had geraasd en gevloekt en was hem direkt gaan zoeken. Maar na een week was hij onverrichterzake teruggekomen.

Hij wilde Georges naam niet horen noemen. Hij werkte voor twee en tante Manda hielp zo goed ze kon. Een jaar nadat George was weggelopen waagt tante Manda het zijn naam te noemen. Ze heeft in haar Bijbel zitten lezen en schuift die naar Joe toe. „Ik weet zeker dat George terugkomt. Hier staat het, lees het maar". Wat onwillig begint hij te lezen. Het duurt erg lang eer hij de Bijbel weer aan haar teruggeeft. „Welterusten", is alles wat hij bromt. Maar de volgende dag zegt hij: „Ik heb er nog eens over nagedacht, maar George komt niet te rug. Die jongen uit dat verhaal had een andere vader als die jongen van mij. Die jongen wist dat zijn vader hem liefhad en dat weet George niet. Die denkt dat ik hem haat". „Je moet eens wat meer in de Bijbel lezen Joe", is alles wat tante Manda zegt.

Na drie jaar is er nog niets veranderd. George is weg en blijft weg.

Joe is weken naar hem op zoek geweest en heeft hier en daar een spoor van hem ontdekt. George heeft in de zilvermijnen gewerkt, is bij een zwervende Indianenstam gezien, heeft zich een jaar aangesloten bij paardenhandelaars en pelsjagers. „Kon ik hem maar een boodschap sturen, Manda. Kon ik hem maar vertellen dat ik van hem houd".

(wordt vervolgd)

J. W. van den Berg

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 november 1983

Daniel | 24 Pagina's

GEORGE, je vader heeft je lief

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 november 1983

Daniel | 24 Pagina's