Kiezen voor Jezus.....?
ds. C. Harinck is predikant van de Ger. Gem. te ©ostkapetïek
De Bijbel begint met: „In den beginne.... God!!"
God staat aan het begin van de schepping. Zo staat God ook aan het begin van de redding van de gevallen mens.
Adam en Eva waren het niet die God zochten, maar God zocht onze eerste ouders toen zij al bevende voor Hem vluchtten.
De hoogste roem van een wedergeboren en door Christus geredde zondaar is: „Mij is barmhartigheid geschied", en niet: „Ik heb voor Jezus gekozen!"
God ontvangt al de eer van de zaligheid en de mens valt er buiten met al zijn doen en willen.
Maar hoe zit het dan met de verantwoordelijkheid van de mens?
Maakt de bovengenoemde leer niet, dat de mensen een afwachtende houding gaan aannemen tot de zaligheid hen als een appel in de schoot geworpen wordt? Moet de mens zelf niet kiezen en geloven?
Oproep tot kiezen
Het is een bijbels motief, dat God steeds mensen oproept tot een keuze. God komt onze zondige rust verstoren en roept: Kiest u heden wie gij dienen zult" (Jozua 24 : 15).
Hoe heeft Mozes het volk niet voor die keus gesteld in zijn afscheidsrede toen hij zei: „Kies dan het leven opdat gij leeft". De Heere Jezus deed niet anders. Zijn prediking stelde de mensen voor een keus. Hij predikte: „Niemand kan twee heren dienen."
Doordrenkt van hemelse ernst was Zijn boodschap toen Hij sprak: „Wie met Mij niet is, die is tegen Mij; en wie met Mij niet vergadert, die verstrooit". Aangrijpend was dan ook de keus waarvoor het volk gesteld werd toen Pilatus vroeg, wie of er losgelaren moest worden: „Jezus of Barabbas? "
Pilatus en de Joden kwamen niet gemakkelijk van Jezus af.
Zij moesten iets met Hem doen.
Slechts twee wegen stonden open. Zij moesten Hem als Messias erkennen en als verloren mensen voor Hem buigen, of zij moesten zichzelf in hun godsdienst en eigengerechtigheid handhaven en Jezus verwerpen. In de ware prediking wordt de mens voor de keus geplaatst.
Hij zal iets met de boodschap moeten doen. Slechts twee mogelijkheden zijn er: de boodschap verwerpen of omhelzen.
De prediking is dan ook nimmer vrijblijvend in die zin, dat het aan ons wordt overgelaten wat er mee te doen.
In de vijf artikelen tegen de Remonstranten staat dat het evangelie gepredikt moet worden met bevel van geloof en bekering.
Het gehoorde is een reuk des doods ten dode of een reuk des levens ten leven. De oproep tot kiezen en beslissen is dus bijbels te noemen.
Gods eis tot bekering en geloof wordt onverkort gehandhaafd in de ware prediking. Niemand heeft het recht om onbekeerd te zijn en God niet te dienen.
Kiezen voor Jezus?
En toch wijzen wij de oproep, die in bepaalde kringen wordt gehoord om „te kiezen voor Jezus", af.
Waarom?
Omdat in deze kringen niet alleen wordt gezegd, dat een mens moet kiezen, maar ook kan kiezen.
De mens bezit de keuze-mogelijkheid, zo zegt men daar. En van het benutten van die mogelijkheid hangt alles af. Het aksent ligt op de beslissing, die de mens neemt.
Het wordt dan voorgesteld alsof God gewillig en begerig is om de zondaar te zaligen, maar Gods handen zijn gebonden
en kan niets doen zonder de medewerking van de mens.
Dit zal door de ene groep wel wat meer op de voorgrond gesteld worden, dan door de andere, maar allen, die zo luid roepen:
„Een mens moet kiezen voor Jezus", stellen de zaligheid toch afhankelijk van die keus.
Dikwijls formuleert men het op volgende wijze: het is met de behoudenis van een mens net als met pillen van de dokter. Als je die in je kast laat staan, helpen ze niet. Zo is het ook met Jezus. Hij is ons gegeven tot verlossing, maar als je Hem niet aanneemt dan helpt Hij niet.
Billy Graham is gewoon te zeggen: „Jezus kan niets voor je doen als je je hart voor
Hem gesloten houdt."
Je merkt, hoop ik, dat alles draait om de beslissing van de mens.
God kan zonder de menselijke medewerking niets doen. De keus van de mens is beslissend.
En ik vrees dat veel jongeren ook in die richting denken.
Als gevraagd wordt: Hoe word ik bekeerd?
Hoe kom ik tot geloof? dan hoor je dikwijls: je moet je hart voor Jezus openen; je moet Jezus aannemen.
De verwarring tussen de bijbelse oproep om te kiezen en de onbijbelse gedachte, dat de mens tot die keus in staat is, is heel
groot geworden. Sommigen lossen dit op door te zeggen: God roept ons niet op tot een keus. Anderen stellen: met de hulp van God kun je de juiste keus maken.
De wil van de mens
De visies waarover je hierboven las, hebben te maken met de wil van de mens. Bezit de mens nog een vrije wil en is die wil in staat om de goede keus te doen?
De mens bezit een wil. Als redelijk schepsel is de mens door God gemaakt.
Wat is de wil? Het is de kracht waardoor de mens iets kiest.
God heeft de mens zo gemaakt, dat hij tot kiezen in staat is.
Nu staat de wil nooit los van het verstand en het voorstellingsvermogen.
Een mens kiest altijd wat hij van meerdere dingen het meest begeert.
Denk maar aan Eva in het paradijs. Zij zag dat de vrucht begeerlijk was, toen nam zij en at.
Satan werkte via het zien in op haar verstand en begeerte en toen kwam de wil tot een daad van nemen en eten. Dit is de zonde van Eva.
Zij heeft met toestemming van haar wil, dus vrijwillig en moedwillig van de verboden vrucht gegeten.
Eva is niet gedwongen tot zondigen.
Zij bezat de macht om Satan te weerstaan. Het sterkste motief heeft haar wil tot de daad bewogen en dat was de begeerte om als God te zijn.
Sinds de zondeval van de mens is de wil verdorven en wordt hij beheerst door de zonde. De wil tot gehoorzamen en liefhebben van God is veranderd in de wil om te zondigen en zelf te beslissen wat goed en kwaad is.
De zondige wil van de mens keert zich als een grote vijand tegen Gods-geboden en Gods genade.
De boze wil weigert te gehoorzamen aan Gods Wet en weigert te buigen voor Gods genade in Christus.
Het is één van de zwaarste beschuldigingen van Christus aan het adres van de mens: „Gijlieden wilt tot Mij niet komen, opdat gij het leven moogt hebben."
Wij spreken hoog van ons „niet kunnen" en hebben het hoog in ons vaandel geschreven, dat wij onszelf niet bekeren kunnen en niet kunnen geloven, maar onze onmacht komt voort uit onwil. De wortel van het niet-kunnen is het Gode-vijandig gedrag van onze gevallen en verdorven wil. Velen denken hier anders over.
Pelagius leerde dat de mens na de val nog steeds het vermogen bezit om het goede te kiezen en het kwade te verwerpen.
De Rooms Katholieke Kerk is door Pelagius beïnvloed en leert dat de wil ziek is, maar door de helpende genade van God in staat is om Gods wil te doen.
De remonstranten leren dat de mens nog steeds een vrije wil bezit, die in staat is te geloven en het goede te kiezen. Zij stellen dat God de bekering en het geloof niet zou eisen indien het niet in de macht van de mens was om zich te kunnen bekeren en te kunnen geloven.
De hervormers zijn algemeen van gevoelen dat de wil van de mens door de zonde verdorven is. In ieder mens is een neiging tot het kwade en een onbekwaamheid tot het goede.
De wil is geen vrije heer meer, maar een slaaf van de zonde.
Het paard van de vrije wil wordt volgens Luther door de macht der zonde bereden. Luther vindt de term „vrije wil" een naam zonder kracht, die in de kerk geïntroduceerd is door de duivel.
De reformatoren loochenden niet, dat de mens nog steeds een wil bezit. Zij maakten van de mens geen machine, ook niet in de bekering. Zij leerden dat de mens niet tegen zijn wil zondigt en niet tegen zijn wil God dient. Zij verwierpen echter, dat de wil nog goed was en tot het goede bekwaam was.
De val heeft ons niet in een stok of blok veranderd. De mens bleef een schepsel met een wil en blijft daarom verantwoordelijk voor zijn daden. De gevallen mens wil en kiest altijd de zonde en nooit het goede.
De oorzaak daarvan is niet, dat de wil vernietigd is, maar dat de wil verdorven is door de zonde.
Een mens kan dus niet kiezen voor Jezus, ja erger, een mens wil niet kiezen voor Jezus. De gevallen mens verwerpt Jezus en kiest tegen Hem.
De oproep tot kiezen blijft bestaan
Nu zouden we gemakkelijk tot een andere dwaling kunnen vervallen en zeggen: „God eist geen keus van ons en beveelt ons niet om ons te bekeren".
Maar God heeft geboden ons te bekeren. Wanneer wij dit zouden loochenen hebben we de Schrift tegen.
Waarom doet God dit dan?
God heeft Zijn eigen redenen voor zulke geboden. De Heere behandelt ons als redelijke, zedelijke schepselen in Zijn vermaningen en nodigingen.
Hij kan en mag niet minder eisen als onze bekering en het geloof in Christus.
Ons niet meer kunnen geloven is schuld, want het is gevolg van de zonde en geen gevolg van de schepping.
Omdat de Heere ons goed gemaakt heeft, mag Hij eisen wat wij nu door de zonde niet meer kunnen.
Maar er is meer.
Calvijn wijst in de bespreking van de vermaningen Gods er op dat God ons Zijn eis laat horen, opdat het ons tot gebed zou brengén. Hij wijst op het gezegde van Augustinus: „God beveelt wat wij niet kunnen, opdat wij weten wat wij van Hem vragen moeten."
De genademiddelen
Calvijn wijst nog op een ander aspekt. De Heilig Geest werkt altijd door middel van vermaningen. Volgens Calvijn wordt „door de vermaning de genade medegedeeld". Hij bedoelt dat de Heilige Geest altijd door middel van het Woord werkt.
Wij zeggen wel dat al de vermaningen en eisen Gods overbodig zijn, omdat de zondaar toch geen macht en geen wil heeft om ze op te volgen. Calvijn houdt de balans beter in evenwicht en zegt: God wil de vermaning gebruiken tot de bekering van de zondaar.
Het gebod van God om ons te bekeren en te geloven is volgens Calvijn ook nodig om ons aan onze onmacht te ontdekken. Ook dit is een reden waarom God met zulke strenge eisen van bekering en geloof tot ons komt.
Nog meer is er te zeggen over Gods eisen van bekering en geloof. Wat God eist in Zijn Wet, belooft Hij in Zijn Evangelie. De arminianen gaan op zoek in zichzelf om aan de eis van kiezen en geloven te voldoen (en wat zijn wij dan ook arminiaans), maar de Schrift wil ons leren om wat God eist bij God te zoeken. Wij moeten voor wat God eist niet op zoek in onszelf, maar in Gods belofte.
De remonstranten zeggen: Je kunt doen wat God eist, als je de kracht van je vrije wil maar goed gebruikt.
De ware bijbelse leer zegt: Er is bij de mens noch wil noch macht om te geloven, maar bij God is te vinden wat hem ontbreekt.
Gods eis in de Wet moet ons brengen tot Gods belofte in het Evangelie. Zoek de vervulling van wat God eist daarom niet in jezelf, maar in Gods beloften en laat het gebod je brengen tot gebed.
De vernieuwde wil
In de wedergeboorte wordt de wil van de mens vernieuwd.
Niets dan een almachtige hand kan dit werk doen.
De wil speelt een grote rol in de ware bekering.
De zondaar heeft een wil in de zaak van de bekering. Maar een heel andere wil dan de remonstranten leren.
Het is absurd om te spreken over een zondaar, die God liefheeft, gelooft, berouw heeft en dat alles tégen zijn wil.
Toch vinden sommigen dit het summum van rechtzinnigheid.
De zondaar moet willen!-Het is zonder twijfel, dat de wil een aandeel heeft in dit alles.
Hij moet gewillig zijn om de brede weg te verlaten en de smalle weg van Gods geboden te gaan.
Maar hoe vindt God ons in de bekering? Hij vindt ons geheel onwillig. We haten de smalle weg naar de hemel en weigeren te bukken voor Zijn genade.
Verandert de mens zichzelf dan? Kan hij tot beter inzicht komen en zijn onwil afleggen?
Een mens kan van alles proberen, maar om God met het hart en vanuit een gewillig gemoed te dienen en te zoeken, daarvoor moet zijn wil vernieuwd worden. De Heere vindt ons niet gewillig, maar maakt ons gewillig.
Onze wil zal eeuwig afkerig van God, van boetvaardigheid, van Christus en van een heilig leven blijven, indien niet een wil veel machtiger als de onze, onze wil vernieuwt, de tegenstand versmelt en de loop van onze natuurlijke genegenheid wijzigt.
Dit gezegende en machtige werk Gods hebben wij allen nodig om van harte God lief te hebben, Zijn dienst een verlustiging te noemen, hartelijk bedroefd te zijn over de zonde, Christus te zoeken en Hem te verkiezen en een leven van heiligmaking te beminnen.
God werkt gelukkig beide, het willen en het werken naar Zijn welbehagen. Wij worden niet te werk gesteld om in onszelf op zoek te gaan naar de volbrenging van Gods eisen.
Aan Gods voeten is te vinden wat God van ons eist.
En Christus heeft de belofte ontvangen: „Uw volk zal zeer gewillig zijn op de dag van Uw heirkracht."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 30 oktober 1983
Daniel | 32 Pagina's