Werken in een niet-christelijke omgeving
In deze periode zijn veel jongeren die de school hebben verlaten, op zoek naar een baan. Anderen hebben gelukkig werk gevonden en zijn enthousiast aan de slag gegaan.
Toch kun je het ook moeilijk krijgen als je een baan gevonden hebt. Velen zullen terechtkomen in een omgeving die niet aansluit bij het milieu dat je thuis en op school gewend bent. We leven immers in een samenleving die niet meer christelijk genoemd kan worden en ook in je werksfeer kun je hier mee te maken krijgen.
Vier jongeren heb ik gevraagd hoe zij het ervaren om in een niet-christelijke omgeving te werken. Hieronder kun je hun reakties lezen.
- Wat voor werk doe je op het ogenblik, Bert?
Ik werk bij een verhuurbedrijf van grondverzetmachines en vrachtwagens. Dit bedrijf is ingericht voor het afvoeren van zuiveringsslib. Dit is afval van een zuiveringsinstallatie van rioolwater. Het afval wordt door ons in tankwagens weggehaald om gedroogd en verwerkt te worden tot gewone mestgrond.
- Kun je iets vertellen over de sfeer waarin je werkt?
Mijn kollega's zijn ruige lui. Toch hebben we een goede sfeer op het werk. Aan de andere kant moet ik zeggen dat mijn kollega's niet bepaald vroom of kerkelijk zijn. Dat vind ik wel eens moeilijk.
- Kun je een paar voorbeelden noemen?
Onlangs ging er iets mis bij het afvoeren van het slib. Er kwam een hele lading naar buiten die niet tegen te houden was. In korte tijd zat iedereen er in. Op zo'n moment hoor je pas welke taal er gebruikt wordt. Ja, en wat zegje dan? Gelijk maar iedereen aanspreken en zeggen: „Je mag niet vloeken"? Dat is op zo'n moment ontzettend moeilijk.
Ook het bidden voor en na het eten is vaak bijna onmogelijk. De een schreeuwt nog harder dan de ander. Je zit de hele dag alleen in de cabine, zodat met schafttijd de tongen goed los komen.
Ook zondagsarbeid is iets dat wel eens voorkomt. Zo'n rioolwaterzuivering draait de hele week door, ook in het weekend. Wanneer er in de week niet genoeg slib is afgevoerd, moet er op zaterdag en soms ook op zondag gereden worden. Gelukkig zijn er altijd kollega's die bereid zijn dit te doen, maar die vragen ook wel eens: „Waarom jij niet? "
En dan denk ik ook aan al die gesprekken na het weekend. Dan worden er allerlei sterke verhalen gefantaseerd over wat ze meemaakten met voetbal, vrouwen en sterke drank. Dikwijls vraag je je dan af hoe je je moet opstellen. Je ervaart het als een druk die op je uitgeoefend wordt. Je bent dan geneigd om mee te doen alleen al om onder die druk uit te komen. Toch is dat de weg van de minste weerstand.
- Bert, wat. zou je tegen degenen zeggen die in een soortgelijke situatie verkeren?
Ik zou ze graag sterkte toe willen wensen. Maar bovenal veel gebed. Op het gebed wil de Heere krachten geven om tegen onchristelijke praktijken te strijden.
- Jacob, wat voor werk doe je op het ogenblik?
Ik zit in militaire dienst. In november 1981 ben ik begonnen met mijn dienstplicht. Ik heb er over nagedacht welk werk ik hierna zal gaan doen. Omdat ik eigenlijk geen vakgerichte opleiding heb, probeerde ik in het leger te blijven en dat is gelukt. Sinds 2 mei van dit jaar zit ik bij de landmacht als technisch specialist met een kontrakt van vijf jaar. Eerst heb i k de Bijzondere Kader Opleiding (BKO) gevolgd in Roermond. Op het ogenblik zit ik in Eindhoven waar ik een instrukteursopleiding volg die acht maanden duurt. Daarna hoop ik geplaatst te worden bij een van de rijscholen van de landmacht.
- Waarom heb je gekozen voor het leger?
In deze tijd van grote werkloosheid moet je eigenlijk pakken watje kunt krijgen. Zo'n baan in het leger is echt niet het einde, maar het is beter dan niets. Dat ligt natuurlijk anders met werk dat in strijd is met je geweten.
- Heb je in militaire dienst te maken met onchristelijke praktijken?
Ja, ik draai nu al verschillende maanden in het leger mee. Ik kwam daarbij voor dingen te staan die niet bepaald christelijk te noemen zijn. Ik denk bijvoorbeeld aan het vloeken dat sommige jongens zo gemakkelijk doen. Vaak is het moeilijk om daar iets van te zeggen. Wanneer je bijvoorbeeld zegt: „Joh, weetje wel watje zegt? ", dan kijken ze je vaak aan alsof ze water zien branden. Het beste kun je er iets van zeggen onder vier ogen. En vaak is het ook dan nog erg moeilijk. Het is meestal zo dat je het in gedachten mooi voor elkaar hebt, maar de praktijk is steeds weer anders. Ook bidden en danken voor en na het eten doen de meesten niet. Het gebeurt wel eens dat andere jongens een stuk vlees van je bord weghalen onder je gebed. .Een poosje geleden zei een jongen nadat ik gebeden had: „Zo, ben je er weer? Ik dacht datje in slaap gevallen was". Nou, en wat moetje dan zeggen?
Ik heb trouwens ook meegemaakt dat jongens die van huis uit toch wel gewend waren om te bidden en te danken, het in de kazerne niet meer durfden. Ik kan dat best begrijpen, maar je mag het toch niet goedpraten.
Als je in dienst komt, vragen ze al heel gauw of je mee gaat „stappen". Dat wil zeggen dat ze naar de stad of het dorp gaan, om daar de bloemetjes buiten te zetten. Meestal gaan ze dan naar een bar, een bioscoop of een discobar. Hieraan kun je natuurlijk niet meedoen.
In sommige kazernes wordt iedere dag een film gedraaid. Zo zijn er dus een heleboel zaken waarmee je gekonfronteerd wordt. En dat is allemaal best moeilijk. Vaak ben je in de kazerne een eenling.
- Hoe stel je je dan op in zo'n samenleving?
Het is heel belangrijk datje probeert om eerlijk te zijn ten opzichte van jezelf en je naasten. En als je dat doet, kan het ook wel eens meevallen. Je wordt dan dikwijls geaksepteerd zoals je bent. Maar je moet dan wel opletten watje doet en watje zegt. Er wordt namelijk heel goed op je gelet. Als je niet oplet ben je al gauw geneigd om een scheutje water bij de wijn te doen. Je weet wel hoe dat gaat: niemand kent me hier toch immers en m'n ouders zien het toch niet.
- Jacob, wat zou jij willen zeggen tegen jongeren die in een niet-christelijke samenleving moeten werken?
Ik denk dat het vooral in zo'n omgeving belangrijk is dat we het christen-zijn voorleven. Uit onszelf kunnen we dat niet. We struikelen immers dagelijks in vele. Maar toch is het onze plicht.
- Elly, om maar met de deur in huis te vallen: is het in deze tijd eigenlijk nog wel mogelijk om in de verpleging te werken?
Jawel, hoewel het steeds moeilijker wordt om als leerlingverpleegkundige of verpleegkundige te werken, vooral door de snel veranderende waarden en normen waarbij Gods Woord losgelaten wordt.
Tijdens je opleiding en op een afdeling werkje met mensen die hun principes ontlenen aan de humanistische denkwereld. Ons uitgangspunt moet echter de Bijbel zijn, maar om dat uitgangspunt ook in de verpleging te handhaven, valt niet altijd mee.
- Kun je daar enkele voorbeelden van geven?
Ik denk dan in de eerste plaats aan abortus provocatus. Als je vertelt datje daaraan niet wilt meewerken omdat God van ons eist: „Gij zult niet doden", krijg je vaak als tegenargument te horen: „Ja maar, waar blijf je dan met je naastenliefde? Er is toch een mens in nood? Onze naasten moeten we toch helpen? "
Ik denk ook aan euthanasie. Van medische zijde worden er meestal weinig inlichtingen gegeven over het behandelingsschema. Het kan gebeuren datje bij ernstig zieke of stervende patiënten een hoge dosis van een bepaald medicijn moet geven, waarbij je je dan afvraagt of die dosis niet te hoog is.
Het gebeurt ook wel dat de patiënten zelf zeggen: „Ik wou dat ze er een eind aan maakten, voor mij hoeft het niet meer!" Ik heb het daar wel eens moeilijk mee gehad. Wat moet je zeggen tegen zo iemand?
Meestal kun je je op moeilijke situaties niet voorbereiden. Stel je maar eens voor dat er een patiënt binnekomt op de EHBOafdeling die ernstig gewond is. Onmiddellijk wordt er hartmassage en mond-opmond beademing toegepast. Maar dan blijkt dat de patiënt een briefje bij zich draagt dat als hij door een ongeluk nivalide dreigt te worden, hij niet behandeld wil worden. Moetje dan doorgaan met hartmassage, ook als de arts zegt dat zijn laatste wil gerespekteerd moet worden? Op zo'n moment sta je voor de keus: God gehoorzamen of de arts!
Als leerlingverpleegkundige sta je ook vaak alleen. Je gaat zelf uit van Gods Woord terwijl de groep uitgaat van een humanistische levensbeschouwing. Vooral tijdens de diskussie is dat vaak erg moeilijk. Je vindt elkaar niet omdat je twee totaal verschillende uitgangspunten hebt. Hoe gemakkelijk en verleidelijk is het dan om je mond maar te houden. Hoe moeilijk maar ook hoe nodig is het anderzijds om toch voor je mening uit te komen.
Als verpleegkundige krijg je natuurlijk ook te doen met patiënten die op sterven liggen.
Het is vaak heel erg moeilijk om bij deze patiënten te beginnen over de noodzaak om bekeerd te worden. Ook omdat je van je kollega's te horen krijgt: „Daar begin je toch niet over tegen iemand, die al genoeg heeft aan zijn ziekte? " Ook word je dikwijls met jezelf gekonfronteerd: „Waarom ik niet? ", denk je dan, vooral als het jonge mensen betreft.
Natuurlijk is het zo dat bepaalde zaken in het ene ziekenhuis erger zijn dan in het andere. Ik spreek vanuit mijn eigen situatie en van wat ik gehoord heb van kollega's en leerlingverpleegkundigen.
- Heb je een advies voor hen die in de verpleging werken? Hoe moet je je wapenen tegen hetgeen op je afkomt?
Allereerst is het gebed belangrijk. De Heere weet alles. Hij kent de vragen en problemen waarmee je in de verpleging te maken hebt. Wanneer je Hem om hulp vraagt, kan en wil Hij je helpen.
Het is verder belangrijk om vanaf het begin duidelijk voor je overtuiging en je mening uit te komen, ook als je alleen staat en je met valse schaamte te kampen hebt. Maak als het even kan de hoofdverpleegkundige duidelijk hoe je over bepaalde zaken denkt. Het voorkomt moeilijkheden op het moment zelf.
Ook is het van belang om er voor te zorgen datje een adres hebt, waar je kunt praten over je problemen en ervaringen, vooral als je op kamers woont. Blijf niet teveel tussen je kollega's zitten. Voor je het weet neem je hun ideeën en meningen over, vooral als je zelf nog geen mening hebt kunnen vormen.
Ik vind het ook belangrijk dat je je afvraagt met welke specifieke problemen je te maken kunt krijgen als je naar een nieuwe afdeling gaat. Je kunt dan op grond van Gods Woord een mening vormen om jezelf te wapenen voor de diskussies. Het lezen van de Bijbel is daarbij erg belangrijk. Ik denk dat je je als verpleegkundige jezelf moet afvragen of je op een bepaalde afdeling, zoals bijvoorbeeld gynaecologie, kunt werken. Niet om de realiteit te ontvluchten, maar omdat veel handelingen indruisen tegen je principes.
Bid de Heere steeds om kracht en vraag of Hij je helpen wil en wil leren om de juiste beslissingen te nemen in dit beroep.
- Als ik je zo hoor zou ik bijna geneigd zijn om mensen af te raden om de verpleging in te gaan?
Nee, ik hoop niet dat wat ik gezegd heb, de mensen afschrikt. Het is een fijn, een boeiend en een mooi beroep. Ik. denk wel dat het belangrijk is om jezelf te wapenen als je als leerlingverpleegkundige gaat
werken. Maar dat geldt eigenlijk voor ieder beroep. Het is belangrijk om voor je mening uit te komen. Mijn ervaring is datje dan ook eerder geaksepteerd wordt. Zelf vind ik het mooie van dit beroep dat je als verpleegkundige veel kunt betekenen voor een ander, al besef je dat niet altijd.
- Matty, kun je iets vertellen over de omgeving waarin je werkt?
Ik werk op een christelijke school in het noorden van het land. Deze school heeft de naam „christelijk", maar er worden dingen gedaan die helemaal niet overeenstemmen met de christelijke levensstijl. Zo worden er bijvoorbeeld regelmatig disko-, toneel-, film-en cabaretavonden georganiseerd. De leerlingen kunnen dit schooljaar gratis dansles krijgen. Personeelsavonden worden besloten met dansen. En zo zijn er nog meer dingen te noemen. Nu moet ik er aan toevoegen dat er ook christelijke scholen zijn, waar deze dingen niet worden toegelaten, maar op onze school is er wat dit betreft weinig verschil met een openbare school.
- Hoe ervaar je dat om in zo'n omgeving te werken?
Om eerlijk te zijn, vind ik het moeilijk, je staat zo vaak helemaal alleen. Ik ben bijvoorbeeld de enige lerares die geen lange broek draagt en die geen make-up op heeft. Er is één docent waarvan ik het gevoel heb dat hij me begrijpt. Meestal praat ik in de pauze met hem over „christelijke" onderwerpen.
Het kontakt met kollega's wordt door dit alles vaak bemoeilijkt. Je kunt eigenlijk nergens over meepraten. Onlangs hadden we een gesprek over een nieuwe methode om molekulen en atomen te onderzoeken. Ik wist niets van deze methode af en vroeg waar ze dat vandaan hadden. Het antwoord was: „In de horizon". „Wat is dat? ", is dan je volgende vraag. Misschien een wetenschappelijk tijdschrift of zo? Het bleek een T.V.-programma te zijn. Op zo'n moment voel je je buiten het gesprek geplaatst, omdat je zelf geen T.V. hebt en je dus ook niet mee kunt praten.
Als je voor je mening uitkomt, krijg je nauwelijks of geen steun van je kollega's. Bovendien word je al gauw bestempeld als te vroom en te godsdienstig. Je moet het zo nauw niet nemen. Ze aksepteren me meestal wel, maar ze begrijpen er niets van. Juist op school vind ik dit erg moeilijk. De leerlingen hebben erg snel in de gaten en maken er misbruik van als ze merken datje door enkele kollega's niet geaksepteerd wordt Dan heb je soms het gevoel alsof je helemaal alleen staat watje levensstijl betreft. Je zou immers ook graag willen dat je bij de leerlingen in de smaak viel.
De eindexamenkandidaten hadden dit jaar op de laatste schooldag een disko-ochtend georganiseerd voor de leraren. De rector had er toestemming voor gegeven. Zelf ben ik die dag niet op school geweest. Na zo'n dag wordt er enthousiast over gesproken, maar je kunt niet meepraten omdat je er niet bij was en het er niet mee eens was. Ja, dan voel je je soms ontzettend alleen.
- Je zei dat het een christelijke school is, is er dan geen basis, de Bijbel, waarop je de mensen kunt aanspreken?
Eigenlijk niet, omdat sommige gedeelten van de Bijbel voor mij een totaal andere waarde hebben dan voor mijn kollega's en leerlingen. Laat ik een voorbeeld geven.
De meeste christelijke scholen beginnen de dag met gebed en schriftlezing en eindigen de dag met gebed. Sommige scholen hebben deze indeling afgeschaft en houden halverwege de dag een „bezinning", waarbij uit de Bijbel wordt gelezen en een gebed gedaan wordt.
Welnu, onze school heeft voor het laatste gekozen. Om een gesprek met de leerlingen te bevorderen, krijgt elke docent een korte verklaring van het bijbelgedeelte en enkele vragen die door de klas beantwoord kunnen worden. De bezinning mag je op je eigen manier invullen, door .bijvoorbeeld een gedicht voor te lezen.
Op een dag moest ik met de leerlingen Lukas 9 : 1-6 lezen. In dit gedeelte gaat het over de uitzending van de twaalf discipelen door de Heere Jezus. Zij moeten de Joden het Evangelie gaan verkondigen en de zieken genezen. Eén van de vragen was: elke boodschap klinkt er in Lukas 9 tot ons door? Volgens de verklaring die er bij gegeven werd, is het antwoord: Wij moeten, evenals de discipelen, de maatschappij in en vertellen wat er verkeerd is, de eventuele wantoestanden bestrijden en de maatschappij vernieuwen. Jezus ging ook het land door om het onrecht te bestrijden. Dit kunnen we doen door de kracht van de Heilige Geest in ons hart". Zo'n antwoord kan ik niet geven, omdat
het niet overeenkomstig Gods Woord en de belijdenisgeschriften is. De leerlingen aksepteren wel je mening, maar vinden het toch vreemd. Woorden als genade, rechtvaardigheid, bekering hebben een heel andere betekenis voor hen.
Het gebeurt wel eens dat er tijdens het gebed gegrinnikt wordt, omdat je vraagt of de Heere onze zonden wil vergeven en bij ons werk wil helpen. Op zo'n moment vraag je je wel af hoe je het doen moet.
- Vind je het belangrijk om juist in zo'n omgeving voor je overtuiging uit te komen?
Jawel, maar ik moet er wel bij zeggen, dat dit ontzettend moeilijk is, omdat je meestal niet begrepen wordt. Je krijgt dan geen steun, niet van docenten en niet van de leerlingen. Dat "maakt het vaak erg moeilijk.
Toch is het belangrijk om in de klas uit te komen voor je mening. Zelf vraag ik altijd stilte als ik uit de Bijbel ga lezen. Mijn argument hiervoor is dat Gods Woord eerbied vraagt en dat we op een christelijke school zitten en dat het dus van de leerlingen gevraagd mag worden. Helaas is niet iedere leerling het daar mee eens. Onlangs las ik in de schoolkrant dat een leerling de vraag stelde of onze school nog wel christelijk te noemen is. Nu weet ik niet of dat geschreven is, omdat ik daar in de klas wel eens de nadruk op leg. Dat doet er ook niet toe. De betrokken leerling werd op het matje geroepen en kreeg de opdracht in de volgende schoolkrant te schrijven dat het wèl een christelijke school is, omdat er nog uit de Bijbel gelezen wordt, enz
Werken in een niet-christelijke omgeving. Daarover ging het in de voorgaande gesprekken. Ik had ook tien of twintig of honderd jongeren kunnen vragen om een reaktie te geven. Er zijn immers zo veel mensen die in een niet-christelijke omgeving werkzaam zijn. Misschien hoor jij er ook wel bij.
Als je de vraaggesprekken gelezen hebt, merkje dat de vier gesprekspartners allen het gevoel hebben dat ze alleen staan in hun omgeving, hoewel dat bij de een duidelijker naar voren komt dan bij de ander. Verder merk je dat iedere baan zijn specifieke problemen heeft, daarom is het moeilijk algemene richtlijnen te geven.
Waardoor kunnen problemen ontstaan?
Sommigen kunnen problemen krijgen in hun werk die rechtstreeks te maken hebben met de keuze van je beroep. Zo krijgt bijna iedereen die in de verpleging gaat werken wel te maken met ethische vragen rond leven en dood. Wie in militaire dienst gaat, wordt soms aan den lijve gekonfronteerd met vragen rond kernbewapening en oorlog en vrede. Juist omdat je dan met allerlei andersdenkenden in kontakt komt, is het belangrijk om je aan de hand van Gods Woord van te voren een mening te vormen. De jeugdvereniging of gesprekskring van jongvolwassenen kan daarbij een belangrijke rol spelen.
Andere problemen hebben te maken met de plaats waar je je beroep gaat uitoefenen. Zo zal iemand die op een klein kantoor met enkele kollega's uit de Gereformeerde Gezindte samenwerkt weinig problemen hebben met levensstijl en woordgebruik. Iemand die een administratieve baan heeft op een groot kantoor in een grote stad, zal daar echter wel rechtstreeks mee te maken krijgen. Met name door de onderlinge gesprekken kun je het daar erg moeilijk hebben. Een onderwijzer of leraar van een reformatorische school zal meestal veel minder voor zijn principes uit moeten komen, dan iemand die op een algemeen christeljke school werkt.
Een derde faktor die een rol speelt is je karakter. De een heeft een open karakter en zegt vrijmoedig wat hij of zij denkt.
„Binnenvetters" overwegen soms dagenlang hoe ze iets ter sprake zullen brengen, of laten veel maar over zich heengaan. De een kan zijn gedachten gemakkelijk onder woorden brengen, de ander heeft daar veel moeite mee.
Als de banen nu voor het opscheppen zouden liggen, zou je kunnen bekijken welke het beste bij jouw omstandigheden en karakter zou passen. Maar in deze tijd ben je soms al blij als je maar een baan hebt.
Misschien zeg je wel: ik ken eigenlijk die problemen niet, hoewel ik toch in een nietchristelijke omgeving werk. Het kan dan best zijn dat jij over zoveel vrijmoedigheid en takt beschikt dat jouw overtuiging voluit geaksepteerd wordt en dat men er ook rekening mee wil houden. Wees daar dankbaar voor en verhef je er niet op. Het is een gave van God.
Het kan echter ook zijn datje alles zonder kommentaar over je heen laat gaan, of dat je gewoon met alles mee doet. Je wordt dan voluit geaksepteerd, je zult je heus niet alleen voelen. Toch zou het een kwalijke zaak zijn als je kollega's moeten zeggen dat ze helemaal niet kunnen merken dat jij heel andere principes hebt. En als ze weten wat je principes (zouden moeten) zijn, vinden ze je diep in hun hart eigenlijk nog maar „slap" ook.
In de wereld, maar niet van de wereld
Is het eigenlijk nog wel mogelijk om in een niet-christelijke wereld te werken? In hoeverre moeten we ons afzonderen en het maar zoeken in eigen kring? Wat is onze taak in deze wereld?
Dit zijn vragen waar we steeds meer mee te maken krijgen. Vragen die ook niet zo gemakkelijk te beantwoorden zijn, vooral als je in een betrekkelijk beschermde omgeving als het bondscentrum werkt.
We leven in een gesekulariseerde (verwereldlijkte) wereld. In onze westerse wereld krijgt het christendom steeds minder invloed. Mensen die het christelijk geloof aanhangen en de Bijbel hanteren als norm voor hun leven worden steeds meer een minderheidsgroep die men steeds minder gaat begrijpen.
Dat is geen nieuw verschijnsel. Zo was het eigenlijk ook met de eerste christelijke gemeenten in de eerste eeuwen. Zij leefden in een vóór-christelijk tijdperk, wij in een na-christelijke periode.
Hoe moet nu je houding in deze wereld zijn?
Je hebt een gedoopt voorhoofd. Toen je gedoopt werd, heeft de Heere je als het ware apart gezet.
De kinderen van de Israëlieten werden door de Heere Zijn eigendom genoemd.
Ds. C. Harinck zegt in zijn boek „Ons doopsformulier": Zeer treffend lezen we daarvan in Ezechiël 16 : 21 waar de Heere tot het afgodisch Israël zegt aangaande hun kinderen: Dat gij mijn kinderen geslacht hebt en hebt ze overgegeven, als gij dezelve door het vuur hebt doen gaan". De kinderen die de Israëlieten de gruwelijke Molochdienst hebben geofferd, waren Gods kinderen". De Heere zegt tot de ouders van die kinderen: Wat hebt gij met Mijn kinderen gedaan? "
Verder zegt ds, Harinck: „Israël was een gemerkt volk, een volk des eigendoms. Zo ook merkt de doop ons en onze kinderen. Ook dat is een waarmerk dat er nooit meer uitgaat. De kinderen der zichtbare gemeente dragen Gods merkteken aan hun voorhoofd. Hij roept hun toe wat de besnijdenis Israël toeriep: „Dit volk zal alleen wonen". Het ligt onder de verplichting om Hem toegewijd te zijn en van de rest van de wereld afgezonderd, God te vrezen en te dienen".
Zo staan we dus in deze wereld.
Betekent dat dat we ons moeten afzonderen? Nee, niet in die zin dat we ons moeten terugtrekken in een klein kringetje. De Heere heeft ons in deze wereld geplaatst. Hij heeft ons in Nederland geplaatst. Hij heeft ons een plaats gegeven in een onchristelijk samenleving. Immers de
Heere regeert over alle dingen. Lees zondag 10 van de H. C. maar eens.
Van ons wordt verwacht dat we getrouw ons werk zullen doen. Ook al is het soms nog zo moeilijk. Maar ook dat mogen we aan de Heere voorleggen. Laten we maar heel eerlijk tegen Hem zeggen: „Heere U hebt me in deze tijd een plaats gegeven. U hebt me ook apart gezet door mijn doop.
Leer mij te leven overeenkomstig Uw Woord. Wilt U me geven, wat U van me eist". In het hogepriesterlijk gebed bidt de Heere Jezus niet of de Zijnen uit de wereld mogen worden weggenomen. Hij vraagt aan Zijn hemelse Vader: „Ik bid niet dat Gij hen uit de wereld wegneemt, maar dat Gij hen bewaart voor de boze".
Zijn discipelen zijn in deze wereld gezonden en de Heere Jezus zegt: „En Ik heilig Mijzelf voor hen, opdat ook zij geheiligd mogen worden in waarheid".
Misschien zeg je nu wel: ja maar, dat waren de discipelen, maar dat ben ik niet.
Toch kunnen we hieruit leren dat de Heere Zijn discipelen in deze wereld zendt. Zij hebben een taak gekregen. De taak om te midden van al het onchristelijke christelijk te leven: in de wereld maar niet van de wereld.
En dat geldt ook voor iedereen die gedoopt is, omdat God hen door de doop afzonderde van de wereld.
En jij?
Hoe is jouw leven? Is het soms zo dat er eigenlijk geen verschil is tussen jou en je omgeving? Dat is erg! De Heere roept je dan toe met de woorden van Amos: Zoek Mij en leef!
Misschien zeg je wel: uiterlijk ben ik afgezonderd van de wereld; ik kom voor mijn principes uit omdat ik zo opgevoed ben, maar innerlijk ben ik in wezen net als de wereld.
Persoonlijke wedergeboorte is nodig. Zonder die wedergeboorte is het „niet van de wereld" geen werkelijkheid. En de Heere wil die wedergeboorte schenken door Zijn Woord en Geest, ook vandaag nog.
Natuurlijk is het goed als je voor je overtuiging uitkomt, maar het zal steeds moeilijker worden om in deze wereld staande te blijven, zonder een wezenlijke vernieuwing van je hart.
Een andere wereld
Het „niet van de wereld" betekent dat er een andere wereld verwacht wordt. Deze wereld komt tot een einde, maar toch is er toekomst voor degenen die vreemdeling op deze wereld geworden zijn.
Zij mogen hopen op een andere wereld, een nieuwe hemel en een nieuwe aarde.
Wanneer je zó in een onchristelijke samenleving werkt, moetje toegeven dat het „in deze wereld" en het „niet van deze wereld" een spanningsveld vormt.
Maar we lezen ook in de Bijbel dat die spanning eenmaal opgeheven zal worden. Dan zullen alle pelgrims thuiskomen in een beter vaderland.
Maar nog leven wij in deze wereld. En nog klinken de vermanende woorden van Petrus: Dewijl dan deze dingen alle vergaan, hoedanig behoort gij te zijn in heilige wandel en godzaligheid! Verwachtende en haastende tot de toekomst van de dag van God in welke de hemelen door vuur ontstoken zijnde, zullen vergaan en de elementen brandende zullen versmelten".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 augustus 1983
Daniel | 32 Pagina's