VRIJMOEDIGHEID
1 joh. 2 : 28 - 3 : 6
STUDIE 8
28 En nu, kinderkens, blijft in Hem; opdat wanneer Hij zal geopendbaard zijn, wij vrijmoedigheid hebben en wij van Hem niet beschaamd gemaakt worden in Zijn toekomst.
29 Indien gij weet, dat Hij rechtvaardig is, zo weet gij, dat een iegelijk die de rechtvaardigheid doet uit hem geboren is.
1 Ziet hoe grote liefde ons de Vader gegeven heeft, namelijk dat wij kinderen Gods genaamd zouden worden. Daarom kent ons de wereld niet, omdat zij Hem niet kent.
2 Geliefden, nu zijn wij kinderen Gods en het is nog niet geopenbaard wat wij zijn zullen. Maar wij weten dat als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem zullen gelijk wezen; want wij zullen Hem zien gelijk Hij is.
3 En een iegelijk die deze hoop op Hem heeft, die reinigt zichzelven gelijk Hij rein is.
4 Een iegelijk die de zonde doet, die doet ook de ongerechtigheid; want de zonde is de ongerechtigheid.
5 En gij weet dat Hij geopenbaard is, opdat Hij onze zonden zou wegnemen en geen zonde is in Hem.
6 Een iegelijk die in Hem blijft, die zondigt niet. Een iegelijk die zondigt, die heeft Hem niet gezien en heeft Hem niet gekend.
1 Joh. 2 ; 28 - 3:6
8.1. Vrijmoedigheid (28)
Hoe komt het toch dat Gods kinderen zo weinig vrijmoedigheid hebben? Dikwijls lopen ze maar wat te zuchten, willen er niet over spreken en vele vragen vullen het hart. Waarom toch?
Weten ze dan niet dat er een verse en levende Weg is en ze daarom mogen toegaan met een waarachtig hart, in volle verzekerdheid des geloofs? (Hebr. 10 : 20, 21). Ach, ze weten het allemaal wel. Maar toch missen ze de geloofsvrijmoedigheid omdat het hart er maar al te veel zo ver vandaan is. De wereld trekt zo, het hart is er zo vol van en de beslommeringen van het leven nemen zo'n grote plaats in. Kortom, ze leven niet dicht bij God. Ja, dan kan er grote vrees zijn voor de dood. En het is hun eigen schuld. Zien we het om ons heen ook niet dikwijls? Als een kind des Heeren een nauwe omgang had met zijn God, was het sterfbed zo gemakkelijk, hoewel er best wel eens angst voor de dood was, en als een slordig leven in de zonde een van Gods kinderen helaas kenmerkte, was de strijd nog lange tijd groot. De apostel Petrus zegt het dan ook duidelijk dat als Gods volk in een heilige levenswandel de Heere diende ook hun omgang in het eeuwig Koninkrijk gemakkelijk zal zijn (2 Petr. 1:5-11). Daarom zegt Johannes: n nu, kinderkens, blijft in Hem, opdat, wanneer Hij zal geopenbaard zijn, wij vrijmoedigheid hebben, en wij niet beschaamd gemaakt worden in Zijn toekomst.
Want dat is de andere kant: beschaamd gemaakt worden. Kan dat Gods kinderen dan nog overkomen? Nee, maar wel de onbekeerden die misschien vroom hebben gesproken en toch nooit de ware heiligmaking in de praktijk hebben gebracht. Tot hen zal gezegd worden: „Ga weg van Mij, gij die de ongerechtigheid werkt". Wat zal dat vreselijk zijn als we op vele vragen niet één antwoord zouden kunnen geven. Dan word je „beschaamd" gemaakt.
8.2. Een iegelijk (29, 3, 4, 6)
Vijf maal komen we in dit gedeelte tegen „een iegelijk". Niemand kan daar onderuit en voor niemand geldt een uitzondering. Misschien ziet de apostel in de gemeenten wel mensen die denken dat zij hieraan voorbij kunnen gaan. Je hebt toen ook van die mensen gehad, die dachten dat zij ver gevorderd waren in de godsdienst en dat het toch niet te verdienen is. Zij hebben de mond vol van genade, maar leven in sommige opzichten zonder de wet. Met een
moeilijk woord, noemen we dat: anti-nomiaans, dat is tegen-de wet. In vers vier komen we bijna hetzelfde woord tegen. In onze vertaling staat daar: ongerechtigheid. Letterlijk staat er a-nomos, niet volgens de wet. Iedere zonde is dus tegen de wet van God. Zonde is niet zomaar iets wat niet hoort, onfatsoenlijk en onbehoorlijk. Nee, het is tegen God Zelf gericht. Heb je dat wel eens gezien, dat iedere zonde een aanslag is op Gods heilige wet? Weet je dat de zonde kwetsend is voor de Heere? Als je dat gaat verstaan, word je bang voor de zonde en is het een wonder datje nog steeds mag leven. Als het goed is, blijft dat bij Gods kinderen hun leven lang. Daarom zei de apostel Paulus ook: Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods. Toets jezelf maar eens of je ook al walgt van de zonde. .
8.3 Ziet hoe grote liefde (1)
Johannes weet heel goed hoe hij Gods kinderen het best kan raken. Hij wil hen midden in het hart treffen en spreekt daarom met nadruk over de liefde van God de Vader. „O, kinderkens", wil hij zeggen. „Ziet toch eens hoe grote liefde ons de Vader gegeven heeft, namelijk dat wij kinderen Gods genaamd zouden worden". Is het voor u dan geen onuitsprekelijk wonder geworden dat de Heere Zich nog over u wilde ontfermen? Wij zijn van nature kinderen des toorns en nu heeft de Heere de zaken nog omgedraaid. Ziet het toch eens! Denk er nog eens over na. Laat het uw hart nog eens verbreken. Nee, dat maakt geen slordige mensen, maar nauwgezette mensen. Hoe meer daarvan ervaren wordt, hoe voorzichtiger we gaan leven. Genade maakt geen wetteloze mensen.
8.4 Wat wij zijn zullen (2)
De apostel heeft nog meer beweegredenen. Denk er eens aan wat wij zijn zullen. Straks als Hij, de Heere Jezus, zal geopenbaard zijn, dan zullen wij Hem gelijk wezen. Wat zal dat zijn! Nu zijn we al kinderen Gods en dat is al zo'n voorrecht. Ja, dan zullen wij Hem zien gelijk Hij is. Dan zullen we gelijken op Hem. Dan worden we naar Zijn Beeld vernieuwd, zonder zonde. „O, christenen" wil de apostel der liefde zeggen: bedenkt toch dat we eenmaal met een verheerlijkt lichaam zonder zonde en ongerechtigheid Hem zullen mogen dienen. Laat dat een aansporing zjjn om ook nu al de zonde te bestrijden, want hoe kunt u daarnaar verlangen, als u hier de zonde aan de hand probeert te houden. Een iegelijk dan, die deze hoop op Hem heeft, die reinigt zichzelven, gelijk Hij rein is.
8.5 Hij is geopenbaard (5)
Nog sterker. De Heere Jezus is al op de aarde geweest. Hij is al eenmaal geopenbaard. En wat was het doel van Zijn komst? Was het niet om de zonde weg te nemen? Weer doet de apostel een beroep op het hart van Gods volk. Als de Heere Jezus dan zoveel waarde heeft gekregen, dan is dat toch omdat Hij nog de enige weg was die er overbleef. Alle andere wegen om van de zonde en de schuld af te komen liepen toch dood en de Naam van de Heere Jezus werd toch dierbaar. Door de toepassing van de Heilige Geest mochten ze toch geloven dat Hij ook hen nog wilde redden. Ze mochten toch zien dat Hij geen zonde gekend had noch gedaan, maar dat God de Vader Hem tot zonde heeft gemaakt, opdat zij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem (2 Kor. 5 : 21). „Geen zonde is in Hem" (5), zegt Johannes. Als dat dan het hart vervuld heeft met verwondering, laat de zonde dan ook de grootste vijand zijn. Die zonde heeft de Heere Jezus toch in de diepste Godsverlating en angsten der hel gebracht. Werkelijk, de zonde moet met alle macht worden bestreden. De apostel draagt vele redenen aan tot eer van de Heere en tot nut van Gods kinderen.
8.6 Niet gezien en gekend (6)
Ken je dat leven niet? Heb je geen droefheid over de zonde gekend, omdat je er de Heere mee onteerd, Die toch nog het leven wil geven? Heeft de Heere Jezus nooit meer waarde voor je gekregen dan dat het je misschien eens ontroerde dat Hij zoveel heeft geleden? Heb je die hartelijke vrijmoedigheid nooit ontvangen door de werking van de Heilige Geest, die zo liefelijk aandrong om de Heere op Zijn Woord te geloven? Dan heb je de Heere Jezus nooit „gezien" met een oog des geloofs en dan heb je Hem niet „gekend". Denk er eens over na datje dan eenmaal beschaamd zult staan, omdat je de weg wel hebt geweten maar nooit bewandeld. Een van onze oudvaders, W. a Brakel, zou zeggen, wees maar veel met de wet van God bezig, overdenk veel hoe je de Heere vertoornt met je zonde en wees daar net zolang mee bezig tot je eronder verootmoedigd wordt en ga dan met je zonde maar naar de Heere toe en bedel om genade. Kun je het dan zo verdienen? Nee, het is slechts een waarnemen van de middelen, die de Heere wil zegenen.
8.7 Vragen
1. In welk vers van 1 Petr. 2 zie je dat Gods kinderen een gemakkelijk sterfbed wordt beloofd, als ze nauwgezet leven?
2. Hoe zullen de ongelovigen de Heere Jezus zien als Hij wederkomt? (vergl. v. 2)
3. Gaat het in Hebr. 10 : 20, 21 om dezelfde vrijmoedigheid als hier in vers 28? Hoe wordt die vrijmoedigheid volgens die gedeelten verkregen?
4. In vers 3 staat dat de wereld ons niet kent, omdat zij Hem niet kent.
5. Maak eens konkreet wat „rechtvaardig" leven is (vers 29).
6. Vergelijk vers 1 en 2 met Rom. 8 : 18-25. Wat heeft de hoop te betekenen voor onze kijk op deze schepping? Heeft de inhoud van die hoop nog iets met deze wereld te maken? (vergl. 2 : 17 en 25)
7. Lees van de Dordtse Leerregels V, 5 en geef het met eigen woorden weer.
8. Doe hetzelfde met D. L. 1, 16.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 augustus 1983
Daniel | 32 Pagina's