De zwaardmacht van de overheid
Is het in deze tijd nog wel reëel om te spreken of te schrijven over de zwaardmacht van de overheid?
Binnen onze samenleving is het toch al lang geen vanzelfsprekendheid meer dat de overheid de bevoegdheid wordt toegekend haar gezag te laten gelden. Integendeel. Er is heel duidelijk sprake van een gezagskrisis. Onze rechtsorde is in gevaar.
Sterker nog, steeds luider klinkt het, dat de verantwoordelijkheid voor deze gezagskrisis, voor de problemen met de rechtsorde, niet ligt bij de burgers, maar dat de overheid hiervoor verantwoordelijk is. Ze zou niet voor een leefbare samenleving gezorgd hebben.
De samenleving is op allerlei wijzen grondig veranderd. Het openbare leven is niet meer gestempeld door christelijke beginselen. Voor velen is de Bijbel een gesloten boek geworden.
Veel mensen, ook jonge mensen, vragen zich bezorgd af waar deze ontwikkeling ons heen zal voeren.
Afscheid van een gereformeerde visie
Om duidelijk te maken hoe deze ontwikkeling is ontstaan, moet ik jullie even iets van de geschiedenis van onze staatsregeling vertellen.
Er is een tijd geweest dat bewust afscheid werd genomen van de gereformeerde visie op de taak van de overheid.
Dat was bij de staatsregeling van 1798. Voor ons land was toen de franse tijd aangebroken. Het stond toen helemaal onder invloed van de franse revolutiegeest. In 1798 kwam er een nieuwe staatsregeling tot stand, een soort grondwet, die voor de staatkundige ontwikkeling van ons land, tot in onze tijd toe, grote betekenis zou hebben. Deze staatsregeling gaf, zoals daarna niet meer is gebeurd, heel stellige antwoorden op de grote vragen van gezag en vrijheid van enkeling en gemeenschap. Men ontwikkelde een nieuwe visie op de taak van de overheid.
De bewoordingen van deze staatsregeling zijn vol zelfvertrouwen en wekken de indruk dat de makers pretenderen de grote vragen voor eens en voor altijd te hebben opgelost.
De oppermacht berust in de gezamenlijke leden der maatschappij, die burgers genoemd werden, zo zegt art. 2 van de akte van staatsregeling.
In de aan de eigenlijke staatsregeling voorafgaande artikelen wordt over de wet gezegd: „De wet is de wil van het gehele maatschappelijke lichaam, uitgedrukt door de meerderheid öf der burgers, öf derzelver vertegenwoordigers. Zij is, hetzij beschermende of straffende, gelijk voor allen."
Hoe de wil van het maatschappelijk lichaam tot uitdrukking gebracht zou worden door de meerderheid of door vertegenwoordigers van de burgers, werd ook geregeld.
„Het Bataafse volk" zo luidde het, „zijn belangen in persoon niet kunnende waarnemen, verkiest daartoe bij onderlinge overeenkomst, een geregelde staatsvorm en wel, een volksregering bij vertegenwoordiging. De gekozen vertegenwoordiging is de hoogste macht in de staat. Aan deze vertegenwoordigende macht zijn alle bewindvoerende lichamen ondergeschikt en verantwoordelijk."
Het volk regeert zichzelf
Ik hoop dat het jullie inmiddels duidelijk is geworden dat hier de breuklijn ligt. Het volk regeert namelijk zichzelf door middel van algemene wetten die gelden voor alle burgers. Zij doet dat niet rechtstreeks, maar via een gekozen vertegenwoordiging.
Deze gedachte, afgezien van die vertegenwoordiging, is duidelijk terug te leiden tot wat Rousseau in zijn bekende boek „Du contract sociale" heeft geleerd. Daarin wordt voor eens en altijd afgerekend met de bijbelse visie op het ambt van de overheid.
Door de nieuwe staatsregeling was de breuk dus kompleet. In de grondslagen van de moderne demokratie kwamen de rechten van de mens in de plaats van de norm van Gods Woord. Dit betekende uiteindelijk dat uitingen van ongeloof en anti-geloof gelijke rechten kregen met de uitingen van het geloof.
De doorwerking daarvan, die toen nog moest beginnen, is nu helaas duidelijk waarneembaar.
Langzaam maar zeker begon de staat zich te ontwikkelen tot de neutrale staat. Natuurlijk werden niet alle trekken van het christelijk verleden direkt uitgewist. De gereformeerde religie was te nauw verweven geweest met ons volksleven. Het afleggen van de eed in de naam van God almachtig en enkele andere zaken in onze wetgeving, herinneren nog aan een christelijk verleden.
Langzaam maar zeker werd afscheid genomen van deze christelijke uitingen.
Naast de eed kwam er de belofte. De bede verdween helaas uit de Troonrede. En er komen steeds meer anti-christelijke trekken openbaar in het beleid van de overheid. De demokratie kent geen geestelijke basis. Dat is een noodlottige zaak in ons land met zijn gereformeerde geschiedenis.
Velen hadden hoge verwachtingen van de ontwikkeling van de staat, van de demokratie. Die zijn echter niet uitgekomen. Het paradijs, waar ze van gedroomd hebben als resultaat van menselijke ontwikkeling, van kennen en kunnen, is uitgebleven. De droom, dat men staatkunde zou kunnen bedrijven zonder God, is een leugen gebleken.
Bijbelse visie
Op tal van plaatsen wordt er in de Heilige Schrift over de overheid gehandeld. Heel duidelijk vinden we dat bijvoorbeeld in Gen. 9 : 6: Wie des mensen bloed vergiet, zijn bloed zal door de mens vergoten worden; want God heeft de mens naar Zijn beeld gemaakt" Uit de kanttekening blijkt dat de uitlegging hier op neer komt dat God in deze uitspraak de overheid bevestigt en de doodstraf verordent omdat ook na de zondeval iets van Gods beeld in de mens is overgebleven en Hij niet toestaat dat dit Zijn beeld straffeloos geschonden worde. Letterlijk schrijven zij: Hier wordt het ambt der overheid bevestigd en het zwaard haar gegeven tot straf der boosdoeners." Hierbij verwijzen ze ook naar de bekende tekst uit Rom. 13 : 1. En bij het slot van het vers tekenen zij aan: Ofschoon Gods beeld door de val geschonden en verbroken is, zo heeft nochtans God enig overblijfsel daarvan om verscheidene redenen in de mens gelaten, hetwelk Hij niet begeert geschonden te hebben, maar verordent hier straffe van zodanige schending."
Juist ook de reformatoren hebben ons opnieuw zicht gegeven op de taak van de overheid.
Artikel 36 van onze Ned. Geloofsbelijdenis is er heel duidelijk in: „ Wij geloven dat onze goede God uit oorzaak der verdorvenheid des menselijken geslachts, koningen, prinsen en overheden verordend heeft, willende dat de wereld geregeerd worde door wetten en politiën, opdat de ongebondenheid der mensen bedwongen worde en het alles met goede ordinantie onder de mensen toega. Tot dat einde heeft Hij de overheid het zwaard in handen gegeven, tot straf der bozen en bescherming der vromen."
Ook Calvijn zegt heel duidelijk dat de overheid door God is ingesteld om onze zonden. In één van zijn preken over het boek Deuteronomium zegt hij letterlijk: „Indien wij de ongereptheid van de natuur waarin God ons geschapen heeft, hadden behouden, zou datgene wat men de rechtsorde noemt, niet zozeer nodig zijn geweest, daar een ieder de wet in zijn hart zou dragen op deze wijze, dat er geen t enkele dwang nodig zou zijn, om ons in het gelid te doen blijven. Ieder zou haar regel gekend hebben, en één van zin
zouden wij gevolgd hebben, wat goed en rechtvaardig was. De justitie is daarom zo veel als een middel ter genezing van deze verdorvenheid, die in de mensen wordt gevonden. Zo dikwijls als men spreekt van de aardse regering, dienen wij te weten, dat wij daarin een spiegel hebben van onze slechtheid, daar wij zien, dat het noodzakelijk is, dat wij er door geweld toe gebracht worden om hetgeen billijk en redelijk is, te betrachten. Waartoe immers hebben zij, die de regering uitoefenen, het zwaard in de hand? Toch zeker om hen in bedwang te houden, die door buitensporigheden en vergrijpen in opstand komen. En waaruit komt dit anders voort dan hieruit, dat de mensen, die uit eigen beweging behoorden te zoeken wat goed en rechtvaardig is, dit verderven en alles in verwarring trachten te brengen, wanneer men hen niet verhindert? Welk een reden om ons diep te schamen, ligt hier in: terwijl God ons naar Zijn beeld heeft geschapen, ons zeggenschap en heerschappij heeft gegeven."
En dan betoogt hij verder, dat God de aardse justitie heeft ingesteld om te voorkomen dat er algemene verwarring zou ontstaan en wij in een wanhopige toestand zouden geraken wat zeker zou gebeuren indien het een ieder geoorloofd zou zijn om te doen wat hij wilde.
„Want” zegt Calvijn, , , als de sterkste het wint, wat zal dan geschieden? Dan zouden we beter in de wouden onder de wolven en temidden van wilde dieren kunnen zijn, dan dat de mensen zouden tezamen leven, terwijl hen alles zou zijn toegestaan. Want er zijn geen dieren die zo verwoed zijn als onze begeerten."
Heel nadrukkelijk vinden wij ook in de belijdenisgeschriften van gereformeerde kerken in de verschillende landen een of meer artikelen, die over de burgerlijke regering en de staatkundige orde handelen. Deze artikelen spreken over koningen en mensen die in hoogheid zijn gezeten, over de machten die over ons gesteld zijn, over de rechters der aarde.
De staatsmacht wordt in deze belijdenisgeschriften steeds gekoncentreerd in de mensen die met macht bekleed zijn en van wie telkens verzekerd wordt dat zij door God zijn aangesteld en in Zijn Naam gerechtigheid moeten oefenen.
Het overheidsgezag is afgeleid gezag
De Heilige Schrift is er ook heel duidelijk in dat het gezag zoals dat onder de mensen aanwezig is, ten diepste afgeleid gezag is. Al het gezag van overheden en van ambtsdragers is door God gegeven. Dit gezag kan zelfs tegen God worden gebruikt en bijvoorbeeld in dienst van de macht der duisternis worden gesteld. Heel duidelijk is de Heere Jezus als Pilatus aan Hem vraagt: Spreekt Gij tot mij niet? Weet Gij niet dat ik macht heb U te kruisigen en macht heb U los te laten? Dan antwoordt de Heere Jezus: „Gij zoudt geen macht hebben tegen Mij als het u niet van boven gegeven was."
En in Spr. 8 : 15 en 16 lezen we: Door Mij regeren de koningen en stellen de vorsten gerechtigheid. Door Mij heersen de heersers en de prinsen, al de rechters der aarde."
En daarom zal van de overheden eenmaal rekenschap worden gevraagd van wat ze hier op aarde hebben gedaan. Dus ook al regeren de overheden niet zoals Gods Woord dat van hen vraagt, toch zijn zij bekleed met goddelijk gezag. Dat laat ons de Heilige Schrift heel duidelijk zien. Dat betekent dat de onderdanen gehoorzaamheid verschuldigd zijn aan de overheid.
Lees in dat verband maar eens de vermaning van Petrus in 1 Petr. 2:13.
Worsteling
Als we ernst willen maken met de boodschap van Gods Woord dan zal dat Woord ook een regel zijn voor ons gehele leven. Duidelijk is jullie inmiddels geworden dat dit haaks staat op die heersende visie in onze maatschappij en wat we kunnen zien in ons volksleven. De bijbelse visie op de macht van de overheid wordt door het grootste gedeelte van ons nederlandse volk niet meer gedeeld. Helaas zijn er ook mensen die nog wel Gods Woord wilen hanteren, maar die van mening zijn dat met de bijbelse visie op het gezag van de overheid je niet meer uit de voeten kunt en dat het niet meer overkomt, je wordt niet meer begrepen, dus
En als ze dat dus uitspreken, dan trekken ze de konklusie datje die bijbelse visie niet meer kunt voorstaan in het politieke en maatschappelijke leven.
Anderzijds wordt wel eens gezegd: Nederland is geen christelijk land meer en onze overheid geen christelijke overheid. Dus hoefje die overheid niet meer serieus te nemen. Dat dit standpunt ook niet bijbels is, zal hopelijk inmiddels duidelijk zijn.
Dat er sprake is van een grote worsteling tussen de macht van God en de macht van de draak, wordt niet meer als zodanig gevoeld. Zoals gezegd, een groot gedeelte van ons volk ontkent de bijbelse visie op de macht van de overheid. Over de zwaardmacht hoefje helemaal niet meer te praten. De overheid is de dienaar van de mensen geworden, en die maken wel uit hoe wetgeving en bestuur er zuilen moeten uitzien, hoe dat zal moeten gaan funktioneren.
Benauwend is het dat ook velen die zich nog christen, of zelfs gereformeerd christen noemen, die worsteling ontlopen. Ook in de politiek wil men niet meer worstelen met de grote vragen, niet meer zich door het Woord van God laten gezeggen. Terwijl juist het Woord Gods een heldere lamp is op ons pad.
Velen hebben gekapituleerd, de strijd gestaakt. Toch blijft de Heere ons oproepen om ook vandaag zijn gezaghebbend Woord te laten spreken, waarbij we de uitkomst aan de Heere mogen overlaten. De moderne mens meent zelf wel te kunnen bepalen waar de macht van de overheid kan beginnen en ophouden. Daartegen zullen wij een hartgrondig nee moeten uitspreken.
Wij zien om ons heen waartoe de moderne ontwikkeling leidt. Wij kunnen en mogen geen vertrouwen hebben in de mens die zelf wel zal uitmaken wat goed en kwaad is. Aan de andere kant is het ziende op alle negatieve ontwikkelingen een wonder dat we toch nog een overheid hebben.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 juli 1983
Daniel | 32 Pagina's