JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Kobeno krijgt antwoord

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Kobeno krijgt antwoord

11 minuten leestijd

Het is druk in de bovenzaal van de Julianakerk. Vele handen reppen zich om honderden bijbels, bijbelgedeelten, kursussen en traktaatjes in stevige enveloppen te steken en verzendklaar te maken. Op de grond staan tientallen dozen. Lege postzakken liggen vol ongeduld te wachten om gevuld te worden.

Op de tafels die in de vorm van een groot hoefijzer zijn gezet, staan dozen vol met bijbelkursussen en traktaatjes.

Meer dan 3000 enveloppen, voorzien van namen en adressen staan in stapeltjes van 50, 60 gereed. Overal zie je de blauwe boekjes met hetMarcusevangelie en de Handelingen der apostelen.

„We proberen de dertig postzakken vol te krijgen", zegt meneer Everse, de voorzitter, die net als alle anderen stevig doorwerkt. Dertig van die postzakken? Da's niet mis. Dat betekent drieduizend enveloppen vullen. Op één avond? Ja, waarom niet? Gauw, gauw, ze wachten daarginds op antwoord! Vlug, vlug, nog vlugger! Snel, één, twee, drie, vier traktaatjes. Hup, alle vier in het blauwe boekje. Gauw een bijbelkursus er omheen. Vooruit, schuif in een envelop. Hé, wat lastig, 't past maar net. Hupsaké, een sluitinkje door de gaatjes. Knip, dicht.

Au, m'n vingers. Ha, wat zit er een vaart in. Even koffie drinken en dan.... daar gaat ie weer. Boekjes op? Geen nood, op de zolder liggen er nog genoeg.

- Meneer Minnee, wilt u wat blauwe boekjes halen?

- Arie, werken joh! Oh, jij bent met de labels van de postzakken bezig.

- Meneer Vink, zijn er nog bijbelkursussen?

- Ha, daar komt meneer Rietveld met een schaal vol oliebollen.

- Hé, meneer Kooy, die enveloppen voor Accra zijn al gesorteerd.

- Juffrouw de Muynck, schrijft u even een briefje naar die dominee die om 100 Bijbels vroeg?

- Wacht even meneer Braaksma, hier heb ik brieven uit Nigeria, die moeten toch terug naar Schotland?

- Juffrouw Meinema. hebt u die honderd etiketten al geschreven?

- Meneer Gertenbach, deze enveloppen moeten apart gestempeld worden.

- Wout, heb jij nog aan postzegels gedacht?

- Martin, Jan halen jullie even een pak Bijbels?

- Meneer Den Hollander, zullen we even ruilen. U de kursussen vouwen, dan zal ik de enveloppen dichtmaken.

De dozen raken leeg, de postzakken vol. Tien, twintig, vijfentwintig. Een vlugge blik op de klok: half twaalf. Mevrouw Vink brengt de soep binnen. Even pauze, maar dan....

Veilig?

In een golvende vlakte met hier en daar een groepje grillig gevormde bomen ligt een dorpje. Een stuk of vijftien lemen hutten staan in een cirkel om een open binnenplaats. Een bijna ronde maan verlicht het dorpje alsof het dag is. Je kunt goed zien dat de openingen tussen de hutten met klei zijn dichtgesmeerd. Zo is er een stevige muur ontstaan, waarbinnen mens en dier veilig is voor eventuele vijanden en roofdieren.

Veilig? Maar wat schuifelt daar dan in de schaduw van de muur over de grond? Kijk, nu komt het tevoorschijn. O, bah, een slang. Hij lijkt in het koude licht van de maan nog gladder en griezeliger dan overdag,

't Is een nachtadder op zoek naar zijn prooi. Onhoorbaar kronkelt hij over een hoopje dorre bladeren. Geluidloos glijdt hij door een kleine opening in de lemen muur het dorpje binnen. Hu.... dat kan gevaarlijk worden.

Kobeno gaat verhuizen

In één van de hutten ligt een jongen van een jaar of twaalf met open ogen het donker in te staren. Er spoken talloze gedachten door zijn hoofd. Hij heeft zich wel tien keer omgedraaid op zijn slaapmatje. Naast zich hoort hij de rustige ademhaling van zijn zusje, dat gerold in een bontgekleurde katoenen doek al uren in dromenland verkeert Wat verderop ligt moeder. Dicht tegen haar aan slaapt Kwesi. Hij is nog geen jaar oud. Hij weet van geen gedachten die je wakker houden. Maar Kobeno kan niet slapen. Hij heeft zóveel om over te denken. Hoe lang wonen ze nu al hier? Toch wel langer dan een jaar. 'tLeek zo mooi. Hier zijn geen vliegen zoals bij de rivier. Vliegen die je blind kunnen maken. Maar hier is alles onvruchtbaar. Je kunt alleen zaaien als het geregend heeft. En 't regent nu al in geen vier maanden.

Kobeno gaat voorzichtig rechtop zitten. Aan het streepje licht op de vloer van de hut ziet hij dat de maan al hoog geklommen is. Vaag ziet hij zijn zusje liggen. Amena is blind, net als grootvader en grootmoeder en Kodjo de jongste broer van vader. Daarom zijn ze hier gaan wonen, ver van de rivier met zijn gevaarlijke vliegen. Maar hier gaan ze misschien wel dood van de honger als er niet gauw regen komt. Toch zijn het niet de gedachten aan hongersnood en droogte die hem wakker houden. Het zijn de woorden die vader vanavond zei tegen grootvader. „Ik ga hier weg, ik kan waarschijnlijk werk krijgen op de cacaoplantages bij Accra. Kobeno kan daar naar school en misschien vinden we voor Amena wel een dokter die haar beter kan maken".

Kijk, daarom kan Kobeno niet slapen. Naar school, dat zou wat zijn. Hij kan wel lezen en schrijven en rekenen, maar hij zou het graag nog veel beter willen leren.

't Gaat over de Bijbel

Op één van de vele dikke vierkante palen die bij tientallen bij de haven staan, zit Kobeno. Z'n hele houding drukt moedeloosheid uit. Met een stokje prikt hij gedachteloos in een brede spleet waarin tientallen insekten krioelen. Ook al niks hier. Ze hadden beter niet kunnen verhuizen, 't Leek weer zo mooi, maar 't was allemaal bedrog. Er is helemaal geen werk op de cacaoplantages. Er was niet eens een huisje om in te wonen, alleen maar een afdakje van plaatijzer. Twee dagen heeft vader gewerkt in de haven, vandaag is hij er voor de zoveelste keer op uit om werk te zoeken. Als Kobeno zijn ogen weer over het drukke gedoe in de haven en op het haventerrein laat gaan, verstrakt zijn gezicht Wat ligt daar nog geen tien meter verderop, half achter die dikke steen? 't Is iets blauws. Zou dat er al lang liggen? Hij ziet het nu pas. Met een zwaai gooit hij het stokje weg en springt van het paaltje. Oh, 'tis een boekje. Als hij het opraapt valt er een opgevouwen blaadje papier uit. „Heil and Heaven" staat er op. Kobeno vouwt het open. 't Gaat over de Bijbel ziet hij. Daar heeft hij wel eens van gehoord. Als een schat klemt hij het blauwe boekje onder zijn arm. Het blaadje papier stopt hij onder zijn vuile blouse.

Naar Nigeria

Langzaam vaart een kleine vrachtboot de haven van Accra uit. Hij heeft een wonderlijke vracht aan boord. Want op en onder het dak krioelt het van mannen, vrouwen en kinderen. Tegen de reling achterop het schip staat Kobeno. Hij heeft zijn blinde zusje stevig bij de hand en vertelt haar honderduit. „Straks komen we langs Tema onze grootste haven. Ik zal je precies zeggen hoe alles er uit ziet.

Hier staat een bank Amena, kom maar". Dicht tegen haar grote broer aan, haar hand op zijn knie, luistert Amena naar de geluiden om zich heen. Ze zijn met een heleboel andere mensen op weg naar Nigeria. Vader en alle mannen en grote jongens gaan daar werken. „Laten we weer teruggaan naar de compound, naar ons dorpje", had moeder

gezegd, „het is zo'n lange reis. Wat moeten we nou in zo'n vreemd land". Maar vader was boos geworden. „Terug? En dan verhongeren zeker". Amena geeft haar broer een duwtje. „Lees nog eens voor Kobeno". Dat hoéft ze geen twee keer te vragen. Kobeno steekt z'n hand onder zijn blouse en haalt het blauwe boekje tevoorschijn, 't Is wat verfrommelt en vuil geworden. „We moeten bij nummer 22 van het achtste hoofdstuk beginnen". Hij buigt zich dicht naar haar oor. „Luister Amena: En Hij kwam te Beth.... eh.... Beth-Saïda en zij brachten tot Hem een blinde en baden Hem dat Hij hem aanraakte". Amena schokt op. „Staat dat er echt? " vraagt ze een beetje schor. „Lees gauw verder Kobeno". „En de hand van de blinde genomen hebbende, leidde Hij hem uit buiten het vlek".

Als ik veel geld verdiend heb, gaan we Hem zoeken

't Is nacht geworden. De vrachtboot stoomt gestaag naar het oosten. De meeste passagiers slapen, maar Kobeno ligt nog wakker. Naast zich hoort hij Amena rustig ademhalen. Aan de andere kant van hem liggen vader en moeder. De kleine Kwesi in moeders armen. Voorzichtig draait Kobeno zich op zijn andere zij. Het boekje onder zijn blouse kraakt een beetje. Ha, wat gelukkig dat hij het niet verkocht heeft. Hij doet het niet ook, vast niet. Toen hij het aan moeder liet zien, schonk die er niet veel aandacht aan. Maar toen ze zag dat er mooie, tekeningen in stonden, zei ze hoopvol: „Misschien kun je het wel voor veel geld verkopen". „Ik lees het eerst zelf en dan zie ik wel", had hij geantwoord. En ver van de vuile krottenwijk waar het nooit rustig wordt had hij Amena uit het boekje voorgelezen. Het blaadje papier gebruikte hij als bladwijzer. Dat zou hij wel eens lezen als het boekje uit was. Alles begrepen ze niet, maar 't was wonderlijk mooi. Jezus, die Naam kwam telkens terug. Hij was de hoofdpersoon in al die verhalen. Vanmiddag — na het verhaal van die blinde man, die weerziende werd — had Amena even gehuild. „Waar zou Jezus wonen Kobeno? Ik wil ook naar Hem toe en Hem vragen of Hij mij beter maakt. Ik wil zo heel erg graag weer zien". „Laten we eerst het boekje uitlezen", had hij gezegd. „Misschien staat het er waar Hij woont. Het kan ook best zijn dat Hij al dood is. Ik ga veel geld verdienen in Nigeria Amena. Daar koop ik dan een Bijbel voor, ja? Dit is geloof ik maar een heel kleine stukje van de Bijbel. Ik weet bijna zeker dat die veel en veel dikker is. Ik geloof dat de Bijbel hetzelfde is als de Koran en die is erg dik en erg duur". Amena had gelachen door haar tranen heen.

„Zou Hij erg ver weg wonen? " „Misschien", had hij geantwoord. „Maar we zullen Hem wil vinden hoor. We blijven net zo lang zoeken tot we Hem hebben. Als Hij maar niet dood is", had hij er aarzelend bij gezegd. Kobeno glimlacht in het donker. Jezus is vast niet dood, vast niet. Dat kan hij niet geloven. Morgen zal hij een heel stuk voorlezen aan Amena, dan weten ze het gauw. Ja, morgen dan zal hij.... dan weet hij.... dan.... Voor Kobeno het in de gaten heeft, is hij net als Amena naar het dromenland vertrokken.

Vissoep

Een honderd, tweehonderd kilometer ten oosten van Lagos, niet ver van de grote verkeersweg, ligt een dorpje. De armoedige huisjes zijn zonder enige orde neergezet Ze lijken allemaal op elkaar. De daken van golfplaten en muren van ruwe boomstammen. In de deuropening hangt bij velen een bontgekleurde katoenen doek. Voor één van de huisjes zit Amena. Ze past op Kwesi. Hij kan niet ver weg kruipen, want de in elkaar gedraaide repen katoen, waaraan hij vast zit, zijn niet lang. Uit het huisje dat een paar meter verderop staat, klinkt muziek. De eigenaar van dat huisje heeft een transistorradiootje gekocht. De hele dag en een groot gedeelte van de avond staat het ding keihard aan. Anema hoort het nauwelijks meer. Ze vindt dat moeder lang wegblijft. Moeder is naar de markt. Een uur lopen heen, maar terug duurt het langer. Dan kan ze niet zo vlug lopen met een volle mand boodschappen. Ze eten straks vissoep. Mm, Amena proeft het al. Ze weet precies hoe moeder dat klaarmaakt. In een grote ronde pot vol water snijdt ze grote stukken vis. Alles gaat er in, moeder gooit nooit iets weg, de kop, destaart, alles. Dan zet ze de pot op het vuur en roert erin met een dikke stok. Eerst wordt het water een beetje rood maar al gauw wordt het grijs. Als het bijna kookt, strooit moeder er meel in net zo lang tot de soep heel dik wordt. In een andere schaal heeft ze gierstdeeg klaargemaakt. Hè, het water loopt Amena om de tanden, zo'n trek krijgt ze. Ze rolt denkbeeldig een balletje deeg en doopt dat in de dikke soep. „Eh, eh", roept Kwesi ineens, „eh, eh". Amena draait haar hoofd in de richting van haar broertje. Haar vingers tasten naar de katoenen band waaraan hij vastzit. Toen hij heel klein was, kon ze hem nog vaag zien. Nu is het donker om haar heen.

(wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 juli 1983

Daniel | 32 Pagina's

Kobeno krijgt antwoord

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 juli 1983

Daniel | 32 Pagina's