De wonderlijke reis van..... een Bijbel
Kijk, op een smal paadje van het oerwoud, van het dichte bos, lopen twee meisjes. Over hun gezichten lopen straaltjes zweet. Dat is geen wonder , want met z'n tweetjes dragen ze een pak, zo groot, zo zwaar! Veel te groot en veel te zwaar voor zulke kleine negermeisjes.
„Toean, toean". Hier is een pak, net aangekomen. Het is voor u. Kijk maar: Versluis, toean Versluis staat er op. Uit.... Holland! O, toean, daar komt u toch vandaan? Wat is het zwaar, wat zal er in zitten? "
Vlug pakt zendeling Versluis zijn mes, snijdt de touwen los, het papier er af en.... wat ziet hij daar? Bijbels! Is het werkelijk waar?
Hoe vaak heeft hij nu al niet een brief geschreven naar Holland: „Sturen jullie me alstublieft toch Bijbels! In de taal van de mensen hier. Er zijn er die goed kunnen lezen. Er bestaan toch Bijbels in de taal van deze mensen."
Maar steeds weer was het antwoord geweest: „Het is heel jammer, zendeling Versluis, we zouden u graag helpen, maar dat kost zoveel geld en dat is er niet! Misschien, misschien later....: "
En nu zendeling Versluis doet het papier verder eraf en legt alle Bijbels op stapels. Ho, daar valt een briefje. Vlug raapt zendeling Versluis het op en leest: „Dit is het begin. Er komen er nogmeer. In Nederland is een aktie gehouden. Veel kinderen hebben meegedaan. Er is veel geld binnengekomen. We hopen dat u er blij mee bent."
Blij? In het hart van zendeling Versluis komt grote blijdschap. Je kunt het wel zien aan z'n gezicht. Het straalt van blijdschap. Wat een Bijbels, het Woord van God. Wat is het nodig en nu zijn ze gekomen! En hij denkt: „Heere wilt U ze nu gebruiken om aan kinderen en mensen een nieuw hart te geven". O, hoe vaak hebben de mensen in de dorpen al niet gevraagd: „Toean, zijn de Bijbels er al? Toean, komen er nog Bijbels? " En nu, nu zijn ze er!
Maar waarom kijkt zendeling Versluis nu ineens zo bang? Hij denkt aan Yarni. Yarni, de hoofdman van het naburige dorp. Yarni, met zijn boze gezicht, zijn felle ogen, die alles zien, zijn scherpe oren die alles horen, met zijn schelle stem, die zulke lelijke spottende dingen zegt.
O, en woonde Yarni nu maar niet bij de ingang van het dorp met zijn hut vlak langs de weg. Wie het dorp binnen wil moet langs Yarni! En nu juist in dat dorp woont Puni en hoe vaak heeft zij al gezegd: „Toean, ik kan lezen, vroeger geleerd. Toean, ik zie wat er op het boek staat: Bijbel. Toean, mag ik een Bijbel? Dan kan ik alles lezen van God en van de Heere Jezus."
O, zendeling Versluis zou zo wel naar haar toe willen gaan en zeggen: Hier, Puni, hier is de Bijbel. Maar dat kan niet, dan zou Yarni het al dadelijk weten en komen en de Bijbel misschien in stukken scheuren of verbranden. Nee, het moet ongemerkt gebeuren. Hoe moet de Bijbel bij Puni komen? Wacht, Dari, de huisjongen, die gaat nogal eens bij Puni op visite. Die kan de Bijbel wel bij Puni brengen. En zo gebeurt het.
Kijk, daar loopt Dari, maar maar, waar is de Bijbel? Nou, hij draagt toch iets? Ja maar ja, in zijn handen draagt hij een in elkaar gevouwen bananenblad. Ieder, die dat ziet, zal denken: „O, daar loopt Dari, hij gaat zeker een lange tocht maken, want hij neemt eten mee!" Zit er dan eten in het bananenblad? Ja, rijst met lekkere stukjes vlees nogal liefst. Maar onder die rijst verpakt in een stukje plastik, ligt een Bijbel. De Bijbel voor Puni Hij loopt en loopt en na uren, ja, dan is Dari op het laatste stukje weg naar het dorp! En de eerste die hij ziet is Yarni.
wordt vervolgd
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 juni 1983
Daniel | 32 Pagina's