Mijn belijden
Zoo ik niet had geloofd, dat in dit moeilij de Heer mij weg en woning had bereid, en dat mijn naam staat in Zijn boek geschr voor hoogere heerlijkheid:
Zoo ik niet had geloofd, dat Hij mijn tijde en zonder Zijnen wil geen haar valt van mijn hoo zoo ik niet altijd weer Zijn liefde vond be zoo ik niet had geloofd, zoo ik niet had g
- Maar nu moet ook mijn lied uw donker pad verzeile verstomden in het leed, verstomden in den daar is een bron van kracht met onuitputb're welle daar is nog zaligheid!
Een leven in den dool maakt afgemat en verlangt ge niet naar rust, verlangt gij niet naar hui - Dit is de zeek're weg: een heuvel, een beb Christus aan het kruis.
Hier houdt de kennis op en gaat de geleerdheid ond de wijze loopt voorbij, de denker schudt het - Daar is geen and're weg: Gods liefde werkt het wond welzalig die gelooft!
Welzalig, die gelooft. WeIzalig reeds he het wank'le kleingeloof, dat Hij te planten ook als Zijn wijze raad een storm zendt in de takk tot sterking van den stam.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 juni 1983
Daniel | 32 Pagina's