JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Is er een relatie tussen belijdenis en beroep ?

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Is er een relatie tussen belijdenis en beroep ?

6 minuten leestijd

Over deze vraag, en hiermee verwante vragen, is al door veel mensen nagedacht. Eén van deze mensen was de socioloog Max Weber (1864-1920).

Hij dacht dat er een relatie bestond tussen de protestantse ethiek en de geest van het kapitalisme. Hij heeft dan ook geprobeerd om aan te tonen, dat met name de calvinistische ethiek, het kapitalisme heeft bevorderd.

Hieronder volgt een verkorte weergave van zijn studie.

Weber konstateerde dat het kapitalisme een typisch westeuropees verschijnsel was en dat er veel méér handelslieden uit protestantse dan uit rooms-katholieke kring afkomstig waren. Dit gold in het bijzonder voor nederlanse protestanten, franse hugenoten en engelse puriteinen. Ook de opmerkelijk sobere levensstijl en de grote zelfdiscipline van deze mensen waren opvallend. Dit moest volgens Weber iets te maken hebben met hun godsdienst.

Het rooms-katholicisme heeft namelijk handel en nijverheid niet tot ontwikkeling gebracht. Dit had te maken met het onderscheid dat ze maakten tussen aardse en religieuze bezigheden: het kloosterleven was volgens hen veel belangrijker dan aardse aktiviteiten zoals handel en ambacht.

Het protestantisme leert daarentegen een heiliging van het dagelijkse leven.

Luther ziet het beroep van iemand als een door God opgelegde taak (een roeping). Calvijn benadrukt dat het doel van alle aktiviteiten, dus ook van de arbeid, de glorie van God moet zijn en niet aards welzijn.

De protestantse godsdienst leidde tot een hard en gedisciplineerd werken en tot een sobere leefstijl. Volgens Weber was vervolgens de uitleg van de uitverkiezingsleer door later levende calvinisten een extra stimulans om het aardse bezigzijn een erg belangrijke plaats te geven. Uiterlijke tekenen, zoais sukses in het beroep, zouden dienen als aanwijzing dat men uitverkoren was.

Het gevolg was: een nog sterkere nadruk op aardse aktiviteiten teneinde over het al dan niet uitverkoren zijn meer zekerheid te krijgen.

Weber beroept zich in dit verband op de geschriften van de puriteinse theoloog R. Baxter (1615-1691). Baxter spoort aan tot hard werken en getrouwe beroepsuitoefening. Ten eerste, omdat dit Gods bevel is („de hand des vlijtigen zal gezegend worden") en ten tweede, als middel tot zelfdiscipline („ledigheid is des duivels oorkussen").

Weber komt tot de konklusie dat de rusteloze beroepsijver van de calvinisten leidt tot vergroting van de produktie. De winsten, die gemaakt worden, worden niet „over de balk gegooid", maar moeten een goede en verantwoorde besteding krijgen. Aanvankelijk waren goede bestedingen voor calvinisten vooral liefdadigheid en armenzorg (ontleend aan oudtestamentische wetten en voorschriften zoals: een deel van de opbrengst van het land voor de armen, het nalezen van de oogst door armen en voorschriften m.b.t. kwijtschelding van schulden). Later worden de winsten gebruikt voor investeringen. Winstmaken wordt dan geleidelijk een doel op zichzelf en er ontstaat een keiharde koopmansmentaliteit die zo kenmerkend is voor het kapitalisme.

Volgens Weber kan dus de vraag: „Is er een relatie tussen de calvinistische ethiek en het kapitalisme? " met ja beantwoord worden.

Punten van kritiek

Er is veel kritiek uit te oefenen op Webers theorie. Hij heeft ten eerste krampachtig gezocht naar een relatie tussen „de geest van het kapitalisme" en het calvinisme. In het gebruik van citaten gaat hij selektief te werk. Vervolgens is door niet-calvinisten gewezen op het feit dat de ontwikkeling van het kapitalisme al vóór de opkomst van het calvinisme begonnen was.

Wij als calvinisten zien direkt, dat Webers gedachten over de uitverkiezingsleer niet ontleend kunnen worden aan de geschriften van Calvijn. Weber heeft geen oog gehad voor de meest wezenlijke boodschap van Calvijn. Deze wilde niets anders dan Gods Woord naspreken en het licht van Gods Woord laten schijnen over alle sektoren van het leven.

Weber noemt mijns inziens bepaalde mensen calvinisten die eigenlijk al lang geen calvinisten meer genoemd mogen worden. Het zijn hoogstens mensen die calvinistische dogma's gebruiken om „geld verdienen" te rechtvaardigen.

Onze tijd

Zouden zulke „calvinisten" nog bestaan? Ook in onze kring? Ik denk van wel. Ze redeneren als volgt: „Hard werken „voor de kost" is een plicht en als je uitverkoren bent kom je in de hemel, daar kun je verder niets aan toe-of afdoen".

Dus wél aardse aktiviteit (, je brood verdienen"), maar géén werk met betrekking tot de zaligheid („het strijden om in te gaan"), en dat op grond van bovengenoemde redenering. Een uiterst gevaarlijke redenering!

Een relatie belijdenis - beroep

Hoe kijken onze jonge mensen tegen beroepsarbeid/schoolwerk aan?

Ik denk dat er drie mogelijkheden zijn. Je ziet beroepsarbeid/schoolwerk als 1. roeping; 2. kwelling; 3. noch als roeping, noch als kwelling.

De meest duidelijke is de tweede mogelijkheid (kwelling).

Het werk wordt dan gezien als een lastige, vervelende en steeds terugkerende bezigheid. Er is geen sprake van arbeidsvreugde; het werken is een moeten.

De derde mogelijkheid (noch roeping, noch kwelling) schijnt te gelden voor de meeste mensen.

Het werk op zich is niet het probleem. Er wordt geredeneerd: „Alles op z'n tijd", dat wil zeggen er zijn werkdagen en vakantiedagen, er zijn werkdagen en „weekends" waar je naar toe leeft (veelal niet in de zin van: „hoe branden mijn genegenheên, om 's Heeren voorhof in te treên"). Meestal leiden de mensen met deze zienswijze een puur materialistisch leven. Er wordt namelijk gewerkt om te kunnen eten, drinken en vrolijk te zijn.

Jongelui (en ouderen) met zo'n leven komen bij langdurige werkloosheid in grote problemen. De grootste problemen zijn dan minder inkomen en verveling. Hun werk is weg en méér hadden ze niet.... Werkloosheid betekent voor hen ook meestal werkeloosheid.

Tenslotte de eerste mogelijkheid (roeping). Voordat je je werk als roeping ziet, moet je jezelf fundamentele vragen stellen over de betekenis van het werk datje doet (of wilt gaan doen). Daar komen velen helaas nooit aan toe.

Degenen die hun werk als roeping zien, zullen met een zekere gedrevenheid hun (school)werk doen; zij werken vanuit de notie „een goddelijk beroep" te hebben. Hun doelen liggen hoger dan het verzamelen van aardse schatten. Zij wensen hun krachten te besteden tot eer van Zijn dienst en tot eer van Zijn Naam.

Baxter, de puriteinse theoloog, uit wiens geschriften ook Weber citeert, heeft het volgende gezegd: „Kies dat werk of beroep (voorzover je kunt kiezen), waarin je het meest dienstbaar bent voor het koninkrijk Gods. Kies niet het beroep, waarmee je het rijkst of het aanzienlijkst wordt in deze wereld, maar waarin je de meeste „goede werken" kunt doen, en het best de zonden kunt ontvluchten".

Baxter raakt mijns inziens hier de meest wezenlijke dingen aan met betrekking tot beroepskeuze en beroepsuitoefening.

Dus er is een duidelijke relatie tussen belijdenis en beroep!

Hoe is dat in ons leven?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 april 1983

Daniel | 32 Pagina's

Is er een relatie tussen belijdenis en beroep ?

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 april 1983

Daniel | 32 Pagina's