Biddag
Geev my geen overvloed, en laat my niets ontbreken. Maar voed my Heer! met 't brood van mijn beschoren deel De mensch houd 't leven niet, bij 't geen hy heeft te veel Maar by 't geen nodig is, om 't leven aan te kweken.
Ligt zoud ik zad van spijs deez' laster-tale spreken: Wat heb ik God van doen? myn God. is buik en keel. Weer van my het gebrek, op dat ik niet en steel Die nood door dievstal keert, blyvt van uw' gunst versteken.
Dies Heer, zo lang ik in het kommer-dal zal leven, Zo wilt my matelijk myns levens nooddruft geven Gy weet wie dat ik ben, gy kent myn brosch gemoed.
De ryckdom maakt den mensch verwaand en opgeblazen. De schrale armoed kan de kloekste ziel verbazen. Genoeg, is op der aard, het wenschlijkst aardsche goed.
(1661-1728)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 maart 1983
Daniel | 32 Pagina's