Open en eerlijk
En dit is de verkondiging die wij van Hem gehoord hebben en wij u verkondigen, dat God eeg Licht is, en gans geen duisternis, in Hem is, indien wij zeggen dat wij gemeenschap met Hem hebben en wij in de duisternis wandelen tp liegen wij én doen de waarheid niet. Maar indien wij in het licht wandelen gelijk Hij in het Licht is, zo hebben wij gemeenschap met elkander, en het bloed van Jezus Christus, Zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde. Indien wij zeggen dat wij geen zonde hebben, zo verleiden wij onszelven en de waarheid is in ons niet. Indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, dat Hij ons de zonden vergeve en ons reinige van alle ongerechtigheid. Indien wij zeggen dat wij niet gezondigd hebben, zo maken wij Hem tot een leugenaar en Zijn Woord is niet in ons. 1 Joh. 1 : 5-10
3.1 Open en eerlijk
Wat is het soms moeilijk om toe te geven datje een fout hebt gemaakt. Je hebt maar het liefst dat niemand het te weten komt en je maakt jezelf wijs dat het eigenlijk nog wel meevalt Dom eigenlijk. Je zou het veel makkelijker hebben als je voor je fout uitkwam. Als je ruiterlijk toegeeft, valt er een pak van je af en ben je opgelucht. Open en eerlijk zijn is maar het beste.
Zo is het trouwens ook ten opzichte van de Heere. Het liefst zouden we onze zonden verkleinen. „Het valt wel mee met mij" en „ik ben zo slecht nog niet", denken we. Je maakt jezelf wat wijs en je bedriegt jezelf. Sterker nog; je spreekt dan de Heere tegen, want Hij zegt dat het er met ons heel slecht voorstaat.
In de tijd van Johannes had je ook zulke mensen. Ze durfden zelfs te zeggen dat ze kinderen van God waren. Dat hadden ze zich wijs gemaakt. Uit hun doen en laten bleek echter het tegenovergestelde. Ze „wandelen in de duisternis" zegt Johannes in vers 6. En dachten die mensen dan toch dat het met hen wel goed zat, ook al leefden ze in de zonde? Ja, ze vonden het wel meevallen. Ze wilden niet zo „zwaar" op de hand zijn. Ze waagden het zelfs te zeggen dat ze geen zonden meer hadden (vers 8).
Arme mensen. Wat zal dat tegenvallen als je voor Gods rechterstoel staat. Nee, als je zo praat is de waarheid niet in je. Dat kan gewoon niet'(vers 8). Johannes ziet het liever anders. Hij vindt datje beter voor je zonden uit kan komen. Je hoeft voor de Heere je stand niet op te houden. Hij doorziet je toch. Je hoeft je zonden niet te verkleinen want ze zijn godonterend en machtig veel in aantal. Je kunt ze beter belijden (vers 9).
Dat leren Gods kinderen. Ze worden eerlijk en oprecht gemaakt. Ze poetsen zich niet op, maar zeggen alles aan de Heere. Hun wereldsgezindheid, hun liefdeloosheid, hun zondige hart, ja te veel om op te noemen, belijden ze voor de Heere. En dan? Werpt de Heere hen dan weg? Wil Hij nooit meer met hen te maken hebben? Nee, zegt Johannes, dan is Hij getrouw en rechtvaardig dat Hij ons de
zonden vergeve en reinige van alle ongerechtigheid. Dat is de blijdschap van Gods kinderen. Na die hartelijke belijdenis van zonden, mag er wel eens een hartelijke vreugde zijn dat de Heere nog vergeeft. Geen wonder dat het bloed van de Heere Jezus zo'n onuitsprekelijke waarde voor hen krijgt (vers 9 en 7).
3.2 Liegen, onszelf verleiden, God tot een leugenaar maken
Waarom zou je je zonden verkleinen? Dan lieg je tenslotte, want je spreekt met je daden tegen watje mond belijdt. Je liegt niet alleen, maar je verleidt jezelf. En je verleidt jezelf niet alleen, maar je spreekt de Heere tegen. Hij zegt dat het met ons helemaal de verkeerde kant opgaat en wij zeggen dat het Wel mee zal vallen. Dan maak je de Heere tot een leugenaar. Zie je de opklimming in het opschrift van dit stukje en in de verzen 6, 8 en 10? De apostel werkt naar een klimax toe in vers 10. Wat is er erger dan de Heere een leugenaar te noemen? En toch doe je dat, als je je zonden verkleint en niet belijdt wie je in werkelijkheid bent.
3.3 Licht en duisternis
„Zeggen" is dus iets anders dan „doen". Sommigen zeggen dat ze in het licht zijn, maar doen de werken der duisternis (vers 5-7). Dat kan niet. Als je de Heere vreest met een kinderlijke vrees, kun je niet meer in de zonde leven. De apostel spreekt in dit verband over het „wandelen" in de zonde. Gods kinderen kunnen nog wel in de zonde „vallen", maar zich thuis voelen in de zonde is voorbij. Aan de vruchten ken je de boom.
3.4 Ongerechtigheid en rechtvaardigheid
„Hij is getrouw en rechtvaardig, dat Hij ons de zonden vergeve". Hoe kan dat? Gods rechtvaardigheid eist toch juist dat de zonde betaald moet worden? En spreekt de Heidelberger niet over „God is wel barmhartig, maar Hij is ook rechtvaardig"? Toch schrijft Johannes heel bijbels. Vooral in het Oude Testament wordt het woord „rechtvaardigheid" of „gerechtigheid" — dat is hetzelfde — op een wat andere manier gebruikt. Het houdt in dat de Heere voor Zichzelf opkomt en niet met Zich laat spotten, maar ook dat Hij het voor Zijn volk opneemt en tegen de vijanden beschermt. Daarom kan de dichter van Psalm 71 een beroep doen op Gods gerechtigheid. Overigens kan in het Oude Testament gerechtigheid ook straffend bedoeld zijn, want wie het niet voor de Heere opneemt en in de zonde volhardt, is een vijand van God en kan rekenen op een straffende gerechtigheid. „Rechtvaardigheid" heeft dus twee kanten. Er kan een beroep op gedaan worden door de zondaar, als hij bidt om vergeving en er kan mee gedreigd worden als mensen volharden in vijandschap tegen God.
De Heere is getrouw en rechtvaardig, dat Hij ons de zonden vergeve. Johannes heeft het tegen de belijders van schuld. Gods gerechtigheid is reddend voor de verootmoedigde zondaar. En moet er dan aan Gods „gerechtigheid" niet genoeg gedaan worden? Natuurlijk wel, maar dan gebruiken we het woord in een iets andere betekenis. Het is de Heere Jezus, Die de straffende gerechtigheid heeft gedragen en daardoor is het mogelijk geworden dat onrechtvaardigen voor God rechtvaardig worden.
3.5 Vragen
1. Zijn er altijd goede werken bij Gods kinderen? (vers 6 en H.C. zondag 32)
2. Wat is het verschil tussen „wandelen" in de zonde en „vallen" in de zonde? Kun je voorbeelden uit de Bijbel noemen?
3. Weetje nu wat „rechtvaardigheid" en „gerechtigheid" in de Bijbel betekent? Lees de volgende teksten eens: s. 71 : 2, 15, 16, 19 en 24.
4. Gaat veel geloofszekerheid gepaard met veel goede werken? Of is het mogelijk dat iemand veel zekerheid heeft, maar dat het niet aan hem of haar te merken is?
5. In hoeverre is belijdenis van schuld een voorwaarde tot vergeving? (vers 8 en 9 en H.C. zondag 33)
6. Is er verschil tussen „vergeven van de zonden" en „reinigen van ongerechtigheid" (vers 9)? (vergelijk vers 7)
7. Vers 5-10 is heel goed te verdelen in drie stukjes. Let op de uitdrukkingen: „indien wij zeggen", „en doen de waarheid niet" (of wat daar op lijkt) en let ook op de klimax van liegen, verleiden en tot leugenaar maken".
8. Waarom zou de apostel in vers 7 het zinnetje hebben gebruikt „zo hebben wij gemeenschap met elkander"? Wat bedoelt hij daarmee in het verband van het vers? Moet dat er eerst zijn voor de apostel kan spreken over vergeving?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 maart 1983
Daniel | 32 Pagina's