JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

EEN KIJKJE IN DE MIDDELEEUWEN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

EEN KIJKJE IN DE MIDDELEEUWEN

7 minuten leestijd

Naar de stad

Over de hobbelige zandweg dokkert een kar. Een schonkig paard trekt de wagen langzaam voort Loom ploffen zijn poten door het opstuivende zand, zijn kop knikt bij iedere stap. Op de bok — een brede plank, die los op de zijkanten van de kar ligt — zitten een man en een jongen. Ze zeggen niet veel tegen elkaar, hun ogen staren over de kop van het paard in de verte. Daar, nog een uur gaans, ligt het einddoel van de reis, de stad.

De jongen gaat even verzitten. Onder zijn vormloze muts steekt warrig blond haar, zijn groezelige handen houden losjes de teugels vast 't Is een hele zit' t valt hem eigenlijk een beetje tegen Toen hij hoorde dat hij mee mocht sprong hij een gat in de lucht Vader had zijn enthousiasme wat proberen te doven. , , 't Is een lange rit Machiel, je zult je gauw genoeg gaan vervelen. Een woelwater als jij houdt dat nooit uit"

Machiel krabt even onder zijn muts. Hij had zich inderdaad al gauw verveeld. Wat een saaie weg, wat een eentonige reis. Gister waren ze zeggen en schrijve, twee mensen tegengekomen. Een oud moedertje met een magere geit en een boer die een onwillige koe voortdreef, 't Had even wat afleiding gegeven. In een oude, vervallen hut hadden ze geslapen. Nu nog een klein uurtje en dan zal hij de stad zien. Als Machiel daar aan denkt recht hij zijn rug. De stad! ha, daar is van alles I te beleven. Daar zal hij zich niet vervelen. I Vader heeft er genoeg over verteld. De markt de kerk, de winkels en misschien misschien wordt er wel iemand opgehangen als ze er zijn. Machiel rilt als hij zich voorstelt hoe dat zal zijn. Brr, hij weet eigenlijk niet of hij daar naar durft kijken. Hij draait zich naar zijn vader.

„Vertel nog eens wat van de stad, vader."

Huiselijke zorgen

Terwijl Machiel gretig luistert naar de bekende verhalen over het leven in de stad, heeft zijn moeder halswerk om zijn broertjes en zusjes, die nog te jong zijn om zo'n lange reis te maken, in het gareel te houden. Op het kale erf, waar een stuk of tien kippen, wat ganzen en twee varkens rondscharrelen, hebben Sijmen en Winand slaande ruzie om een met zand gevulde varkensblaas. Met een rood gezicht stuift moeder Grethe op het vechtende tweetal af. Zonder scrupules slaat ze er met een heibezem op los. Schreeuwend vluchten de broertjes ieder een kant uit moeder kijvend achterlatend.

Tien minuten later is de vrede weer getekend en voetballen ze er weer lustig op los. Met meer kracht dan overleg schoppen ze de varkensblaas het erf over.

Bij het beekje dat langs het huis stroomt probeert kleine Grethe een stuk hout uit het water te vissen. Ze is op haar buik gaan liggen en rekt zich zover ze kan. Als ze niet oppast gaat ze straks kopje onder.

Jan, de oudste van het stel, rent een varken achterna dat hem een homp brood ontstolen heeft Het dier ziet al kauwend kans de grijpende jongenshanden te ontkomen. Met een nijdige zwaai gooit Jan het de ijzeren kookpot achterna die naast het huis te drogen ligt

Op het rinkelend geluid van de tegen een paaltje ketsende pot komt moeder voor de tweede keer het huis uitrennen. Ze geeft de niets vermoedende jongen een kletsende slag.

Grote klodders deeg vliegen hem om de oren. Scheldend en mopperend wil moeder weer naar binnen gaan als ze plotseling de kleine Grethe bij het water ziet Met enkele stappen is ze bij de beek. Zonder pardon pakt ze haar dochtertje beet en plompt het twee, drie keer met het hoofd onder water. J

„Daar'', zegt ze, „ik zal je leren!" i

De kleine meid hikt en loopt blauw aan. Een fikse tik op haar broek brengt haar weer bij. Ze zet een gezonde keel op, maar moeder Grethe is al weer in huis en koelt het restant van haar woede op het brooddeeg, dat zwart van de vliegen op de vuile tafel ligt Vakkundig bewerkt ze de grote klomp deeg, ze slaat en kneedt het z e gooit het met een dreunende klets op de tafel en bewerkt het tot het naar haar zin is. Op de grond naast de stenen pot vol peulvruchten legt ze het neer om te rijzen. Een snelle blik op de zon vertelt haar dat het tijd is om de kippen te voeren en Brechtje uit haar houten wiegje te halen.

Moeder zucht Waren vader en Machiel maar thuis. Maar daar is nog geen kijk op, ze zijn pas weg. Drie dagen, misschien wel vier, had vader gezegd.

Nog maar net heeft moeder Brechtje van een schone doek voorzien en haar weer in de wieg gelegd of buiten breekt een gebrul los alsof er een paar tijgers aan het vechten zijn. Twee tellen later komt Sijmen het huis inrennen. „Grethe verdrinkt Grethe verdrinkt!"

Moeder loopt hem bijna onderste boven in haar haast om buiten te komen. Bij de deur komt de drenkelinge haar al tegemoet begeleid door een joelende Winand. Het water druipt uit Grethes kleren en vormt plasjes op de lemen vloer. Moeder— erger geschrokken dan ze laat blijken — trekt haar naar de stookplaats.

„Heb je nou je zin", kijft ze. „Hier, kom hier!"

Hardhandig begint ze de kleine meid te ontkleden. Ze wringt het dikke wollen goed buiten uit en hangt het in de zon om te drogen. Zuchtend loopt ze het huis weer in.

„Er uit jullie!" schreeuwt ze tegen Sijmen en ' Winand die hun zusje, dat bibberend op de haardplaats zit uitlachen.

„Gauw, of ik zal je krijgen."

Winand ziet nog kans een korst brood van de tafel te graaien en Sijmen steekt gauw zijn tong uit tegen Grethe, die angstig afwacht wat moeder nu zal doen.

Machiel kijkt zijn ogen uit

Onwetend van alles wat er thuis gebeurt slentert Machiel door de nauwe hoofdstraat van de stad. Vader heeft bem de herberg gewezen waar ze vannacht zullen slapen. „Als de wijzer van de stadsklok recht naar beneden staat moetje hier terug zijn. Ga nou maar rondkijken. Pas op datje geen ongeluk krijgt."

De handen op de rug, zijn ogen goed de kost gevend, is Machiel op stap gegaan. De binnenkomst alleen al was een belevenis voor hem. In de poorttunnel moest vader accijns betalen. De poortwacht bekeek nauwkeurig de lading en berekende snel hoeveel er betaald moest worden. Vader mocht ook met stenen betalen, maar die had hij niet bij zich. Nadat er voldaan was, reden ze de hoofdstraat in. Het geluid van de wielen, die over de houten brug zoveel lawaai maakten, klonk hier dof en gedempt.

„Dit is de Steenweg", had vader gezegd. „Er liggen echte keien, maar die kun je niet zien, omdat er zoveel vuil in de straat ligt." Bij de herberg had vader even stilgehouden. „Blijf jij op de wagen, ik ga vragen of er nog plaats voor ons is."

Vader was weer gauw terug. „Plaats genoeg, Machiel. We rijden nu naar de markt daar heb ik wel een paar uur nodig. Ga jij in die tussentijd maar eens rondkijken."

Hè, Machiel lacht hardop, louter, van genoegen. Rondkijken, nou en of. Wat zal hij straks veel te vertellen hebben!

(wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 maart 1983

Daniel | 32 Pagina's

EEN KIJKJE IN DE MIDDELEEUWEN

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 maart 1983

Daniel | 32 Pagina's