Het IK - tijdperk
EEN BLIK IN DE TIJD WAARIN WIJ LEVEN
De zeventigerjaren vormden een tijd van ekonomische bloei. Zo leek het althans. Er werden al waarschuwende stemmen gehoord, maar die leken te komen van zwartkijkers en beroepsonheilsprofeten, zoals Zijlstra, de president van de Nederlandse Bank. De welvaart was nog vrij algemeen en voor welzijnswerk was nog voldoende geld. En juist in die tijd ontstond het ik-tijdperk. De wereld draaide toch wel door, als er tenminste geen milieurampen of een kernoorlog zouden komen, die een eind zouden maken aan de behaaglijke rust. Het was tijd zichzelf eens wat te verwennen.
Het ik-tijdperk in een tijd van ekonomische bloei
Het is goed eens een aantal aspekten van dat ik-tijdperk op een rijtje te zetten. Dat kan gebeuren via zwaarwichtige beschouwingen, maar deze oppervlakkige tijd leent zich uitstekend voor een meer vluchtige weergave. Ik blader het laatste nummer van 1979 van de Haagse Post door en bekijk de foto's en de onderschriften. Ik zie Roel van Duyn als keuterboertje op een biologisch-dynamisch bedrijfje. Hij heeft definitief een streep gezet onder de politiek. Laten we er als toegift nog maar een uitspraak van hem bij pakken: „Ik denk dat er rampen zullen komen, ik doe er liever niet aan mee."
Ik zie een demonstratie van het aktiekomité Stop de Kindermoord. Schoolkinderen lopen met spandoeken: stoplichten verplicht! De akties zijn vriendelijker geworden. Je kunt immers niet al te onvriendelijk doen tegen een overheid die je anderhalve ton subsidie geeft!
Ik zie Dolle Mina's pamfletten uitdelen aan automobilisten. Ze lachen in de richting van de t.v-kamera's en roepen hun leuzen in de mikrofoons die worden voorgehouden. Het feminisme krijgt publiciteit en wordt zo een beweging met grote betekenis.
Ik blader verder en zie een foto van de bezetting van de Bloemhove-kliniek om de eisen tot legalisering van abortus kracht bij te zetten. Ook de volgende beelden gaan over dat feminisme: Hanneke van Buuren, die praat over lesbische relaties. Het Vrouwenhuis, waar vrouwen zich leren verdedigen. Hedy d' Ancona, die zich als woordvoerster van het feminisme voorbereidt op een latere post als staats se kretaris van emancipatiezaken.
Als ik nog even verder blader, zie ik een foto van Gerard van Beusekom, die nu eens opkomt voor de man: „De man is emotioneel geamputeerd". De man moet ook bevrijd worden en zijn gevoelens durven gebruiken. Tjibbe Bijlsma — de man op de volgende foto — brengt dat op zijn manier in de praktijk door er een driehoeksverhouding op na te houden. Ik word het foto's kijken wel moe, vooral om wat ze me te zeggen hebben. Maar ik moet verder om een kompleet beeld te geven van alle aspekten van het ik-tijdperk. Ik sla nu de foto's maar over en ga hoofdstukken aanduiden uit het bewuste nummer van de Haagse Post. Ik
Ja, maar zolang het blijft bij het weergeven van het doorbladeren van een tijdschrift weet niemand nog iets van mij. Dat is ook niet nodig. Zo denken belangrijke mensen uit het ik-tijdperk er echter niet over. Zij stellen ego-dokumenten samen en etaleren soms hun diepste innerlijk en hun intiemste leven. Zou dat misschien komen omdat dat innerlijk niet zo diep is en omdat er geen intimiteit meer bestaat? Anja Meulenbelt heeft tenminste in haar boek , , De schaamte voorbij" geen enkele moeite een sexuele beerput te openen. John Jansen
van Galen vraagt via enkele filmbesprekingen vervolgens onze aandacht voor „Het open huwelijk".
En toch blijkt deze vrijheid, waarmee slechts losbandigheid is bedoeld, geen echt geluk te brengen. Het volgende hoofdstuk spreekt dan ook van „De therapiegolf', met een bespreking van sensitiviteitstrainingen, gesprekstherapie en psychotherapie.
Gun uzelf....
We gaan nog even door. „Gun uzelf. " riepen de reklamemakers en dat lieten de Nederlanders zich geen twee maal zeggen: „buiten de deur eten, twee vakanties per jaar, flesje whisky in huis".
„Iedereen zijn eigen ster" laat zien hoe de popmuziek zich verplaatst naar de disko, waar iedere jongere in het schemer-duister zelf kan schitteren, zelf de ster kan zijn. En dan „Het nieuwe kind", dat ook zichzelf laat horen: „Driekwart zegt je en jij tegen zijn ouders, de helft beslist mee over de vakantiebestemming en een kwart heeft inspraak bij het kopen van kleding. Ook het kind van de jaren zeventig is weerbaarder geworden."
In „je lichaam, je leven" wordt de moderne lichaams-kultus in sport, alternatieve geneeswijzen, e.d. uiteengezet. „De nieuwe hardheid" laat zien hoe de moderne mens geleerd wordt voor zichzelf op te komen. Onafhankelijkheid is het slag-woord van het iktijdperk. „Je ziet het in het nieuwe taalgebruik. Woorden die de positieve kant van afhankelijkheid beschreven zijn ouderwets geworden; trouw, loyaliteit, inschikkelijkheid, geduld. Goede woorden zijn woorden die slaan op de autonomie van mensen: zelfstandig, jezelf zijn, bewustwording, voor jezelf opkomen." En: „De sukkels van nu zijn de aardige mensen van vroeger."
Het onthullende nummer van de Haagse Post sluit af met een artikel over „De ideologie der zelfontplooiing. " In 197 lag premier Den Uyl met de Rooie Vrouwen in de clinch over hun leuze „Kom op voor jezelf'. Zou dat beginsel niet leiden tot het „de mens de mens een wolf'? Twee jaar later lanceerde de V.V.D. het „gewoon jezelf zijn". Is zelfontplooiing de nieuwe heilsleer geworden? Het antwoord op de hier gestelde vraag moet luiden: Ja, helaas!
Een tijd van ekonomische teruggang
De zeventigerjaren werden in het nummer van de Haagse Post aangeduid als het iktijdperk. De vraag is of er ook in de eerste jaren van tachtig nog gesproken kan worden van het ik-tijdperk. De omstandigheden zijn, door de ekonomische neergang, toch wel wat gewijzigd. Het ik-tijdperk ontstond als een welvaartsverschijnsel én als een vermoeide reaktie op teleurstellende ervaringen. Het geloof in een betere wereld werd ingeruild voor twijfel en een streven zichzelf te verwennen: „Verwen uzelf...."
Maar zou dan niet wat zich aandient als een keerpunt in de welvaart ook een keerpunt kunnen betekenen in de ikmentaliteit?
Als we om ons heenzien, moeten we konstateren dat het ik-tijdperk voortduurt.
Het besef begint door te breken dat we een stapje of meerdere stappen terug zullen moeten doen.
We?
Nee, woorden als solidariteit met de zwakken doen het goed als je zelfbij die zwakken behoort.
Inleveren? Best, maar dan toch eerst de ander!
Samen de schouders eronder? Deskundigen zeggen immers dat onze ekonomie met vereende krachten wel weer gezond te krijgen is. Samen? Welnee, dan liever protesten tegen kortingen en inleveren! In deze maatschappij moetje immers opkomen voor jezelf. Een ander zal echt niet opkomen voor jou. En naar de toekomst toe? Het zal mijn tijd wel duren! Ik.... En ondertussen gaan de ontwikkelingen, die eerder werden geschetst, ook gewoon door. De aktiekomité's zijn nog aktief, al krijgen ze soms wat minder subsidie. Maar dat is op zichzelf al reden genoeg om akties te voeren! Het feminisme lijkt het einddoel in zicht te krijgen en zich des te strijdvaardiger op te stellen. Dat geldt ook voor andere „achtergestelden" in onze samenleving. De op stapel staande „Wet gelijke behandeling" spreekt in dit verband boekdelen. De afbraak van huwelijk, gezin en zedelijkheidswetgeving gaat onverdroten voort. Bladen als Story en Privé gaan nog niet over de kop. De disko heeft nog bezoekers genoeg. De lichaams-kultus, waarbij het eigen lichaam wordt gekoesterd, wordt vereerd, is nog niet op retour. De nieuwe hardheid gaat nog steeds hand in hand met oppervlakkige sentimentaliteit. En de ideologie van de zelfontplooiing is nog niet vervangen door zelfverloochening en zelfopoffering. Het ik-tijdperk vertoont hier en daar alleen maar wat grimmiger trekken, maar is allerminst aan het wegsterven.
Het doemdenken
De middeleeuwse mens had als lijfspreuk: memento mori, dat is gedenk te sterven. De renaissance-mens greep terug op een spreuk uit de oudheid: carpe diem, dat is pluk de dag. De gedachte aan de dood werd verdrongen door de genietingen van het aardse leven. Huizinga liet zien hoe de Middeleeuwer onder de dreiging van honger, ziekte en dood zich vaak overgaf aan zijn hartstochten en ongekend fel wist te leven. Het is de reaktie van „Laat ons eten en drinken en vrolijk zijn, want morgen sterven wij". Deze reaktie staat dan naast de vlucht uit deze wereld in het monniksleven. De vraag kan worden gesteld: Is er in onze tijd misschien ook iets dergelijks aan de hand? Is het ik-tijdperk misschien de primitieve levensuiting van de moderne mens, die leeft onder de dreiging van een algehele vernietiging door milieurampen of een kernoorlog?
Iets van zo'n ondergangsstemming is zeker aanwijsbaar, tot zelfs in boeken over de toekomst van het Westen toe. Maar is die angst voor de dood wel zo sterk aanwezig in een tijd dat men zelfs op „redelijke" gronden tot „zelfdoding" over gaat? Soms wordt dus welbewust de dood verkozen boven het leven. Maar of we de levensuitingen van de moderne mens nu willen uitleggen als wanhoopsreakties óf als reakties van levensmoede mensen van wie „alles zo nodig niet meer hoeft", één ding is
zeker: er ontbreekt uitzicht, er ontbreekt perspektief! Deze benadering van de werkelijkheid wordt ook wel aangeduid met de term „doemdenken".
Lea Dasberg heeft in haar inaugurele rede (rede toen ze professor werd) uitdrukkelijk aandacht gevraagd voor dat doemdenken. Zij ziet als opvoedkundige in dat doemdenken grote gevaren voor de opvoedkunde van kinderen en jongeren. Ze zegt: „Wat vullen wij pedagogen in achter de stippeltjes van de door alle kinderen ter wereld wel eens gedachte, gedroomde en geuite zin: later als ik groot ben...." Ligt het gebrek aan motivatie op de scholen nu echt alleen aan de kans op werkloosheid? „De matheid wordt veel minder veroorzaakt door de twijfel of er wel iets te doen zal zijn, dan wel of het wel enige zin heeft iets te doen." Het lijkt mij toe dat de vraag of er wel werk is de laatste tijd klemmender gewicht heeft gekregen dan toen Lea Dasberg in 1.980 deze woorden sprak. Maar duidelijk is wel dat het doemdenken vooral inhoudt dat het perspektief naar de toekomst ontbreekt bij veel ouderen en jongeren in onze tijd.
Het nieuwe realisme
Jongeren raken in onze tijd teleurgesteld in de z.g. verzorgingsstaat. Er mag dan wei een heel netwerk van sociale voorzieningen zijn opgebouwd — waaronder ook werkloosheidsuitkeringen —, maar een uitkering krijg je niet, zolang je nog niet gewerkt hebt. En bovendien is met geld ook allerminst alle schade, die veroorzaakt wordt door werkloosheid, goed gemaakt. Teleurstellende ervaringen kunnen leiden tot scepsis en een teleurgesteld idealisme zelfs tot cynisme. In het eerste geval houd je het wel voor gezien. In het tweede geval krijgen we scherpe reakties van verzet, soms zelfs een sterke drang tot vernietiging. Berusting én vernietigingsdrang, we vinden beide reakties terug in onze tijd. Ook de houding van scepsis leidt tot afwijzing van de verzorgingsstaat. De idealen van de verzorgingsstaat: „solidair zijn met de zwakken in de samenleving" lijken het in onze tijd bij de jeugd steeds minder te doen. De P.v.d.A., de partij die zich daar altijd druk over heeft gemaakt, spreekt — zo bleek bij de vorige verkiezingen — veel jongeren niet meer zo aan. De V.V.D. daarentegen scoorde erg hoog. Het „nieuwe realisme" slaat goed aan. In „Jeugd en samenleving" van december 1982 stond een uitvoerige weergave van een onderzoek van nijmeegse onderzoekers onder middelbare scholieren. Ik citeer: „In overgrote mate vinden scholieren van nu dat wie meer presteert ook meer moet verdienen. Anno 1975 werd een dergelijke visie door de meerderheid der studenten nog afgewezen. (—) Waar het kollektief faalt, wordt de individualistische aanpak uitgeprobeerd. (—) De jeugd neemt voorlopig de proef op de som. Ze heeft niets te verliezen bij een verzorgingsstaat die haar uitsluit".
Het is de vraag of dit „nieuwe realisme" niet een tussenstadium betekent voor veel jongeren. Het bovengenoemde onderzoek bracht duidelijk aan het licht dat linksextremisme en vooral rechts-extremisme bij jongeren duidelijk in de lift zit. Een negatieve houding ten opzichte van kulturele minderheden, andere rassen, een demokratische regeringsvorm en dergelijke moest worden vastgesteld bij een groeiend percentage scholieren. Opvallend is wel dat dit met name de jongens betreft. Dat zou er op kunnen wijzen dat niet alleen de toenemende werkloosheid, maar ook het feminisme verzet gaat oproepen. Vrouwen worden konkurrenten op de arbeidsmarkt en kunnen een aantasting betekenen van de posities van mannen. Al met al lijkt het gevaar niet denkbeeldig dat zowel extreem links als — wellicht vooral — extreem rechts weer een gouden tijd tegemoet gaat. En daarmee zou het ik-tijdperk sterk gaan lijken op de vooroorlogse jaren, de tijd dat diktators als Mussolini en Hitier de macht aan zich wisten te trekken.
En toch.... Anno Domini 1983
Het ik-tijdperk is een tijd waarin allerlei zekerheden en schijnzekerheden de mens beginnen te ontvallen. Een tijd ook waarin de mens volledig wordt teruggeworpen op zichzelf en lijkt te zijn overgegeven aan zichzelf. Dit artikel schetst daarom ook zeker geen opgewekt beeld. Hoe kan het ook anders, als het gaat over het iktijdperk. En we kunnen nooit doen alsof dit ons niet aan gaat. We leven in deze tijd en zijn er mede verantwoordelijk voor. Als het goed is lijden we er ook in mee. Het iktijdperk is het tijdperk van de mens. Of niet?
Nee, in laatste instantie niet! Ook 1983 is een jaar des Heeren. Het ik-tijdperk en toch.... Anno Domini 1983.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 maart 1983
Daniel | 32 Pagina's