Vervreemding van de kerk
Voor mij ligt een krantenknipsel. De kop spreekt duidelijke taal: „Nog maar 22% elke week naar de kerk". Deze kop is de samenvatting van een vrij breed en diepgaand onderzoek dat de afgelopen zomer heeft plaatsgevonden. Het krantenbericht vermeldde ook dat 44, 2% van ons volk tot geen enkel kerkgenootschap gerekend wenst te worden. De resterende 34% wordt door de burgerlijke stand of volgens eigen zeggen nog wel tot een kerkgenootschap gerekend, maar is nauwelijks of helemaal niet aktief op kerkelijk gebied.
En dan te bedenken dat rond de eeuwwisseling het percentage onkerkelijken slechts 2% bedroeg
Deze cijfers spreken, dacht ik, boekdelen. En bovendien zijn we ook wat de ontkerkelijking betreft in zo'n stroomversnelling terecht gekomen, dat we voor de toekomst het ergste moeten vrezen.
En dan spreek ik nog niet eens van de uitholling van binnenuit. Ik denk daarbij aan het verlaten van het Woord van God door allerlei vormen van schriftkritiek. Ik denk ook aan het niet meer weten van een verborgen omgang met God. Ik denk aan allerlei rechtzinnige of onrechtzinnige beschouwingen die, zoals vroeger wel eens gezegd werd, „een turf te hoog zitten". Het zijn verstandelijke beschouwingen zonder beleving van het hart.
We moeten inderdaad het ergste vrezen.
En dat juist omdat God een dag gesteld heeft, op welke Hij de aardbodem rechtvaardig zal oordelen (Hand. 17 : 31). En ook voor het aardse leven geldt voluit: Wie God verlaat, heeft smart op smart te vrezen".
Vervreemding
Als je goed naar de titel van dit artikel kijkt, zie je dat er „vervreemding" staat en niet „vervreemd". Het woord vervreemding geeft aan dat het verlaten van de kerk en van de dienst van God, niet een plotseling gebeuren, een eenmalige daad is, maar een proces. Op enkele facetten van dit proces wil ik in dit artikel nader ingaan.
Daarbij richt ik mij niet tot degenen die reeds vervreemd zijn, want zij lezen waarschijnlijk dit artikel niet meer. (Of laatje het ze lezen..... ? ).
Ook wil ik mij in dit artikel niet in de eerste plaats richten tot jongeren die zich aan het vervreemden zijn. Deze keer voor hen alleen één opmerking: Jongelui, weet waar je mee bezig bent'.
Je kiest de dood boven het leven. Daarmee kies je ten diepste de duivel boven onze goede God. Ik zou je willen
vragen dat te bedenken. In dit artikel wil ik een gesprek voeren met ouders, ambtsdragers en jongeren.
Ouders
Ook in onze kringen worden gezinnen (vele misschien? ) gekonfronteerd met problemen die te maken hebben met vervreemding van de kerk. Het is dan ook goed, lijkt me, om eens de hand in eigen boezem te steken. Ik richt mij dan eerst tot de ouders, bij wie ik mezelf wil .insluiten. Graag wil ik zo maar enkele vragen in ons midden leggen.
Zouden we er zelf ook schuldig aan kunnen zijn dat onze zoon of dochter „heengaat"? Vertonen wij het beeld dat de Heere van ons vraagt? Weten wij van liefde, geduld en begrip? 'k Denk in
dit verband aan iemand die bij mij kwam en vertelde: „We zijn zeer kerkelijk opgevoed. Elke zondag gingen we drie keer naar de kerk. Als we thuis kwamen, sprak vader de vrees uit dat we toch allemaal verloren zouden gaan. Hij las daarom 's avonds ons nog een preek voor. Maar dat was het ergste niet. 's Maandags kon ik er niets meer van merken. Dan draaide alles om zaken en geld. Zijn laatste woorden waren: „Waar is mijn portemonnee? " 'k Denk ook aan degenen die liefdeloos en onbarmhartig hun kinderen voorgingen in het mateloos bekritiseren van de kerk, ambten en ambtsdragers. Ze vergaten daarbij dat als ze een vinger beschuldigend uitsteken naar de kerk er dan drie vingers naar henzelf wijzen, 'k Denk aan hen die alle eerlijke en gerechtvaardigde kritiek doodzwijgen en de bijbelse waarheid „wie Mijn volk aanraakt, raakt Mijn oogappel aan" als een onjuiste dooddoener gaan gebruiken, waarmee ze hun kinderen tot begrijpelijke toorn kunnen verwekken. Waar is dan het voorgaan in het meelijden aan de zonden van en in de kerk? Vergeet niet: het verzwijgen en ontkennen van zichtbare zonden, ook in de kerk, werkt dikwijls averechts. Probeer eens mee te denken met kritische jongeren, maar zeg er bij: „Je hebt gelijk joh, zullen we er voor bidden? "
Als u het bovenstaande leest, komt misschien de vraag wel bij u op wie dan bekwaam is om op te voeden.
Opvoeden is ook moeilijk. Maar de Heere wil onze zwakke krachten gebruiken, als we in afhankelijkheid van Hem doen wat onze hand vindt om te doen.
Een goede opvoeding, een goed voorbeeld is geen garantie dat onze jongens en meisjes bij de kerk blijven, maar de Heere wil het wel als middel gebruiken.
Ambtsdragers
Ook in de gemeenten en kerkeraden kennen we de zorgen rond vervreemding soms maar al te goed. Hoewel het verschilt van gemeente tot gemeente, komen alle ambtsdragers er mee in aanraking, en naar ik vrees, in toenemende mate.
Broeders, met u, weet ik, dat de diepste oorzaak bij de mens zelf ligt. De Heere zegt het: „Er is niemand die naar God vraagt". En onder niemand verstaat de Heere echt niemand. Daar vallen u en ik ook onder.
Welnu, dat beware ons voor hoogmoed, voor zelfverheffing en voor onbarmhartige veroordeling.
Heus, ik weet wel dat men vele vonden zoekt en het kleinste steentje opraapt om naar de kerk te werpen. Maar proberen wij — en dat biddend — er voor bewaard te blijven om geen stenen aan te reiken?
Voelen wij ons geroepen om de dwalenden steeds weer op te zoeken? En als zij ons dwingen één mijl met hen te gaan, zelfs twee mijlen te gaan? Is het zo dat als wij merken dat één van
de jongeren bijna of helemaal niet meer naar de kerk komt, we volstaan met een opmerking na de dienst: „Die zie je ook haast nooit meer", en daarna overgaan tot de orde van de dag?
Mag er sprake zijn van een opzoeken en zeggen: „Toe joh, kom en ga met ons". Worstelen we aan de troon der genade als het gaat om de strijd om de stad „mensenziel"?
Soms is kontakt niet meer mogelijk, maar ik hoop dat gemeenteleden, predikanten en ouderlingen dan mogen zeggen: „Vroeger spraken wij veel met hen over de Heere, nu spreken we veel met de Heere over hen".
Jongeren
Graag wil ik, juist in ons jeugdblad
„Daniël", ook iets tot onze jongeren zeggen.
Misschien stel jij je ook wel eens kritisch op. Bedenk dan dat de verwoestende gevolgen van de zonde niet alleen in jouw hart, maar ook in de kerk tot uiting komen. Dat zeg ik natuurlijk niet om fouten goed te praten, maar opdat wij samen ons zouden verootmoedigen voor God. Vanuit die gestalte zullen we geduld hebben met de zwakheden en gebreken van allen die over ons gesteld zijn.
Als jullie de drang en de strijd om „heen te gaan" niet kennen, beschouw dat dan niet als eigen verdienste. Voel je toch nooit beter dan hen die wel heengingen. Ook jullie, misschien moet ik zeggen: juist jullie, dragen een grote verantwoordelijkheid ten opzichte van hen die dreigen heen te gaan. Vergeet die zogenaamde dwarsliggers en alternatievelingen toch niet.
Probeer met hen in gesprek te blijven. Wijs ook op de positieve dingen. Betrek ze zoveel mogelijk bij het verenigingsleven. Laat ook merken dat je niet boven hen staat, dat ook jij zondig bent en dat voor ons allen het belangrijkste is: Tenzij iemand wederom geboren wordt, hij kan het Koninkrijk van God niet beërven.
Bid voor hen en voor jezelf om de genade van God die alle verstand te boven gaat. De Heere is immers de Weg, de Waarheid en het Leven.
Tenslotte
Wat is het waar dat bij ons geen verwachting en geen kracht is. Wat is het waar dat bij alle Godverlating ons soms de moed in de schoenen zinkt. Maar ook: Wat is het waar, ondanks ons, wat we lezen in Psalm 147: „De Heere bouwt Jeruzalem; Hij vergadert Israëls verdrevenen".
Daarom zij onze verwachting van de Heere alleen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 februari 1983
Daniel | 32 Pagina's