BEWUST KRITISCH GEMAAKT
Tegenwoordig wordt de overgang van de middelbare school naar de universiteit als zeer drastisch ervaren. Het zal echter in vroeger dagen niet veel anders geweest zijn. Ook voor mij was die overgang (in 1965) niet gering. Je maakt immers een groot aantal veranderingen mee, zowel wat de wijze van studeren betreft als op levensbeschouwelijk terrein. Ik kwam in Amsterdam in een heel ander milieu met doorgaans een geheel andere levensstijl terecht, terwijl ik vóór die tijd in een veel meer beschermde omgeving vertoefd had. Wel had ik op een christelijk lyceum gezeten (Guido de Brés en Van Lodenstein — de scholengemeenschappen dus — waren nog niet geboren) en dat was wat heterogener van samenstelling dan de reformatorische scholengemeenschappen van tegenwoordig. Maar toch, het was een beschermde omgeving in vergelijking met de situatie aan de universiteit in Amsterdam. De meeste studenten en docenten hadden immers een geheel andere levensvisie. Bovendien verkeerde ik in een leeftijdsfase (achttien jaar), waarin ik kritischer werd. De studie gaf wat dat betreft nog een behoorlijke duw in die richting: je werd bewust kritisch gemaakt en je relativeringsvermogen werd vergroot.
Al die faktoren samen leidden dan wel eens tot vragen en twijfels ten aanzien van de leer en het funktioneren van de eigen kerkelijke gemeente. Ten gevolge daarvan ontstonden soms ook spanningen op het terrein van de studie (nederlands) als op het kerkelijk erf.
Achteraf heb ik het dan ook als een voorrecht gezien, dat ik in Amsterdam niet op kamers woonde. Mijn ouders waren daar geen grote voorstanders van (ze waren terecht bevreesd voor „schipbreuk"), maar zelf had ik er in die tijd ook geen behoefte aan. Eerlijk gezegd trok het me niet zo aan geheel alleen voor allerlei dingen zorg te dragen, nog afgezien van de grote hoeveelheid tijd die ik met die ongetwijfeld nuttige bezigheden kwijt zou zijn. Daarmee wil ik overigens niet beweren datje niet op kamers moet gaan: dat hangt van je persoon en van de omstandigheden af.
Het kan immers leerzaam en vormend zijn.
Doordat ik spoorstudent was en bleef, bleef ook de band met de kerkelijke gemeente door de diensten op zondag, de catechisatie en verdere kerkelijke aktiviteiten aanwezig. Als een steun in de rug heb ik altijd ervaren de vrijwel dagelijkse omgang met nog drie andere spoorstudenten die eveneens van christelijken huize waren en dat niet onder stoelen of banken staken. Veel hebben we aan elkaar gehad. Ik was namelijk door het spoorstudentschap geen lid van één of andere studentenvereniging, het
Deputaatschap voor Studerenden bestond toen nog niet en toen ik in 1965 in Amsterdam kwam, heb ik onder de studenten in de verste verte geen lid van de Gereformeerde Gemeenten kunnen ontdekken.
Grote moeilijkheden heb ik wat de studie zelf betreft niet ondervonden. Nooit zal ik echter vergeten de periode van de Maagdenhuis-bezetting aan het eind van de jaren zestig: een roerige, ik mag wel zeggen revolutionaire, periode, waarin alles op z'n kop gezet werd. Alle, waaronder zeer veel goede, tradities werden overboord gegooid. In die maanden had ik slechts één zekerheid, namelijk dat ik bij de stemmingen op de vele vergaderingen steevast tot de minderheid behoorde.
Levensbeschouwelijke konfliktsituaties lagen wat de studie nederlands betreft voornamelijk op het terrein van de literatuur: ik heb nogal wat literaire werken moeten bestuderen die me tegenstonden. Erg geschokt heeft me dat overigens niet. Ik wist wel ongeveer wat me te wachten stond, toen ik aan de studie begon.
Vervolgens wil ik nog even ingaan op de vraag welke rol mijn overtuiging bij mijn beroepskeuze (leraar) gespeeld heeft. Wel, daar kan ik kort in zijn.
Al in de derde klas van de HBS speelde ik met de gedachte later nederlands te gaan studeren. Waarom? Waarschijnlijk omdat ik leuke cijfers behaalde voor dat vak en ik een verwoed lezer was. Dat aan de studie nederlands vrijwel onontkoombaar het onderwijs gekoppeld is, was voor mij geen bezwaar. Het leek me een mooi beroep. En daarvan ben ik inmiddels overtuigd, ondanks de grote stapels korrektie.
Ik wil eindigen met de wens dat alle toekomstige studenten tijdens hun studieperiode, maar ook in hun verdere leven, met zich mee zullen dragen de woorden van 1 Kor. 8 : 2 en 3: En zo iemand meent iets te weten, die heeft nog niets gekend, gelijk men behoort te kennen. Maar zo iemand God liefheeft, die is van
Hem gekend".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 januari 1983
Daniel | 30 Pagina's