„DE LEERAAR DER VERSTROOIDE SCHAPEN"
Het onderstaande is een samenvatting van de lezing die de heerJ. Masten heeft gehouden op de regionale vergadering te Geldermalsen.
Ds. Lambertus Gerardus Cornelis Ledeboer werd in 1808 uit welgestelde ouders te Rotterdam geboren. Hij had al op jonge leeftijd een groot zondebesef. Het was zijn begeerte predikant te worden en toen hij 18 jaar was ging hij in Leiden studeren. De ernst van het leven en de wetenschap te moeten sterven en daarna God ontmoeten drukte hem zwaar en deed hem teruggetrokken leven.
In 1834 wordt hij beroepbaar gesteld, maar het duurt nog vier jaar voor hij een beroep krijgt. Pas in 1838 wordt hij hervormd predikant •.van Benthuizen. Ledeboer, die niet getrouwd is geweest, trekt met zijn zuster in de pastorie.
Hij is dan in geestelijk opzicht een missend mens, maar moet in deze duisternis toch leraar zijn. Hij heeft zes moeilijke zondagen en komt na kritiek op zijn preken in grote nood. Na een zielestrijd van drie dagen komt de Heere over en mag hij zich verzoend weten met een drieënig God. De zevende zondag preekt hij over de tekst: Dit weet
Ik, dat ik blind was en nu zie. Ledeboer mag Gods bijzondere gunst ervaren. Hij leeft dicht bij de Heere en ontvangt veel hemels onderwijs. Dit brengt hem ertoe weinig meer te studeren. Hij heeft veel bijzondere ontmoetingen met Gods volk en wordt door de Heere geleid.
In 1840 komt ds. Ledeboer in konflikt met het provinciaal kerkbestuur omdat hij weigert leden uit de buurtschappen Hoogeveen en Benthorn kandidaat te stellen voor de kerkeraad. Hij gaat nu de reglementen bestuderen die koning Willem I in 1816 aan de kerk heeft opgelegd en komt tot de konklusie dat die niet goed zijn. Op zondag 8 november 1840 werpt hij de reglementen mét het gezangenboek van de preekstoel en gaat ze na de dienst in de tuin begraven. Op 13 november al wordt hij daarvoor geschorst. De kansel van Benthuizen wordt hem geweigerd en hij gaat in een schuur preken. Op 21 januari 1841 wordt hij afgezet. Een brief die hij aan Koning Willem II schrijft over zijn zaak, ondertekent hij met: „De leeraar der verstrooide schapen".
Na aanvankelijk kontakt met de afgescheidènen, blijft ds. Ledeboer op zichzelf staan. Hij wordt verschillende keren tot boeten veroordeeld en komt ook in de gevangenis terecht, omdat hij voor groepen van meer dan 20 mensen preekt Hij vindt het een eer vervolging en smaadheid te dragen om Christus' wil.
De wereld heeft voor hem weinig waarde en hij geeft erg veel weg. Het is echter niet waar dat hij daarom doorzijn familie onder kuratele is gesteld. Dat betrof een andere Ledeboer. Zijn familie is niet gelukkig met zijn optreden buiten de Hervormde Kerk en wil hem een psychiatrische behandeling laten ondergaan, maar de Heere waakt over zijn knecht.
Er ontstaan verschillende gemeenten waar men ds. Ledeboer vraagt te komen preken, vooral in Zeeland. Maar ook in Zuidwolde (Drente) gaat hij voor. Hij krijgt een reizend leven.
In augustus 1863 voelt hij zijn einde naderen. Hij wordt onderweg getroffen door een bloedspuwing, maar kan toch Benthuizen nog bereiken, waar vele vrienden hem opwachten. Op 21 oktober zegt hij terwijl psalm 25 : 7 bij hem gezongen wordt: Amen, halleluja" en reist af naar 't eeuwig Vaderhuis.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 januari 1983
Daniel | 30 Pagina's