TIÈNGS EERSTE KERSTFEEST
KORT VERHAAL
Erik had het al eens eerder over Tièng gehad, over de stille, schuwe jongen uit Vietnam, die pas in hun klas was gekomen. Vader en moeder hadden belangstellend geluisterd en instemmend geknikt
„Ja, ja, die jongen zou het wel moeilijk hebben. Hij sprak nog maar een paar woorden nederlands".
Maar dat Erik die jongen nu mee naar huis nam.... Was dat nou wel een vriendje voor hem?
Zijn ouders hadden het al vaker gemerkt Erik trok juist aan op het eenzame, op wat verloren dreigde te gaan in het massale. Toen hij klein was, waren het de zwerfkatten, de vogels met lamme vleugels of een verdwaalde hond. Als ze alles gehouden hadden, wat de jongen mee naar huis sleepte, zouden ze nu een hele menagerie hebben gehad.
En nu die jongen weer, die Tièng, de Vietnamees. Het waren ook mensen, natuurlijk. En toen de kranten vol stonden met verhalen over de bootvluchtelingen met even zovele gironummers erbij, had Eriks vader ook wel eens een biljet geschreven en er een zwierige handtekening onder gezet. Natuurlijk Die mensen moesten geholpen worden.
Maar nu.... zo'n jongen geregeld in huis.... Wat voor invloed zou er van hem uitgaan? Ze hadden toch een heel verschillende achtergrond, hadden een andere kuituur, en dat woog wel heel zwaar, wat voor een godsdienst hadden ze?
„Tièng, ga je met mij mee? Gaan we nog wat nederlands doen".
Erik sjorde zijn tas achter op zijn fiets. „Kom joh, opschieten", zei hij nog eens tegen de Vietnamese jongen, die breed lachend achter hem stond.
„Graag, graag", zei Tièng. Dat was zijn antwoord nog op de eerste vraag. Even later zaten ze samen aan de huiskamertafel over hun boeken gebogen.
„Zeg dat nog eens", lachte Erik. „Je moet niet zeggen: nèmèn, maan meenémen". Tièng lachte mee. „Meenémen", zei hij gehoorzaam.
Moeder zat alles geamuseerd aan te horen. Wat had Erik er toch slag van om met die jongen om te gaan.
„De Bijbel leert ons ook onze zorg te hebben voorde vreemdeling in onze poorten". Dat had moeder pas gelezen in een artikel over bootvluchtelingen. Die regel was blijven haken. En nu ze Tièng daar zag zitten, kwamen de brokstukken uit dat artikel terug: „Niet alleen de bootvluchtelingen, maar we wonen allemaal als vreemdeling in een vreemd land. Uit het paradijs verdreven om eigen schuld".
Nee, er was geen verschil, we waren allemaal „mens". Maar de Heere maakte onderscheid. Zij mochten elke dag Gods Woord hebben, maar Tièng? Dat hield haar de laatste tijd bezig. Hadden ze hier niet een taak? Dat was niet af te doen met een girootje uitschrijven. Waarom was die jongen nu juist bij hen in huis gebracht?
„We kunnen elkaar zo rustig laten verloren gaan", zei de dominee pas op de preekstoel.
En straks kwamen de kerstdagen weer. Wat voor een indruk zou dat „feest" in christelijk Nederland op zo'n jongen maken? Overal verlichting, kerstbomen en muziek; eten, drinken en vrolijk zijn. „Vrolijk kerstfeest", ja, de wereld had zich al aardig meester gemaakt van dit kerkelijk feest. Maar zou er dan ook nog iemand zijn, die zo'n jongen vertelde, wat het kerstfeest nu eigenlijk was? Hoeveel mensen zouden dat nog weten in „christelijk" Nederland?
Toen kwam er een plannetje bij moeder op.
„Vraag, of Tièng meewil naar het kerstfeest van de zondagsschool", had moeder aan Erik gevraagd. „Dat is voor hem het best te begrijpen. Hij mag na afloop hier ook wel büjven eten, als hij zin heeft". Erik had even slungelachtig zijn schouders opgehaald.
„Wilt u hem bekeren? "
„Dat hoef ik gelukkig niet te doen", was het antwoord van moeder.
„Maar nu kun je die jongen helpen, zoveel als je kunt, en dat is best, maar als je nu nooit over het éne nodige praat, zou dat goed zijn? Dan vergeet je het belangrijkste".
Erik had geen antwoord gegeven, maar iets gebromd in de geest van: „Ik zal wel eens zien".
Hij had het tóch gevraagd. En Tièng wilde graag komen. Erik kreeg een beetje de indruk, dat hij niet goed raad wist met al die vrije dagen. En dan de kerstdagen.... Wat moest je dan eigenlijk doen?
Het was druk in de huiskamer, na afloop van het kerstfeest van de zondagsschool. „De kleintjes", zoals Erik ze als oudste meestal noemde, waren nog vol over de verhalen, die ze hadden gehoord, en over de boeken, die ze hadden gekregen.
Opa en oma waren ook gekomen en zaten met vader nog even over de preek van die morgen te praten. En moeder was druk bezig te zorgen, dat iedereen wat te eten en te drinken kreeg.
Af en toe keek ze eens even naar Tièng, die voor het eerst in zijn leven meegeweest was naar de kerk en daar voor het eerst in zijn leven naar het kerstevangelie had geluisterd. Hij had alles „mooi" en „prachtig" gevonden. Maar zou hij er ook iets van begrepen hebben? De dominee had het wel heel eenvoudig verteld.
Na het eten was Tièng nog even druk bezig met Annet en Tineke, de twee jongere zusjes van Erik. Hij liet ze schateren van het lachen, maar wat hij allemaal zei, kon moeder niet goed verstaan. Maar het werd bedtijd voor de meisjes, dus ze moest aan de pret wel een eind maken.
„Ik had ook twee zusjes", zei Tièng ineens, toen ze even later nog met z'n vieren bij elkaar zaten. Opa en oma waren ook al naar huis gegaan.
„O ja? " vroeg moeder, vol belangstelling. Maar ze zag de grote ogen van Tièng, die ineens zo donker leken te worden, alsof ze in ontzetting iets zagen. En ze begreep ineens, wat er met zijn twee zusjes was gebeurd....
De jongen begon te vertellen, met vlakke stem, in gebroken zinnen, achter elkaar, alsof hij het ineens allemaal kwijt wilde. En het was, of ze het voor hun ogen zagen gebeuren, het verschrikkelijke drama: een boot, tjokvol met mannen, vrouwen en kinderen, op een zee, die steeds ruwer, steeds onstuimiger werd. Het eten en drinken raakte op, er kwam ziekte aan boord, entoen, plotseling, dat ontzettende ogenblik, dat de wrakke schuit kapseisde. Mannen, vrouwen, kinderen, alles lag in het woelige water, iedereen probeerde iets te grijpen, een houvast te zoeken. Sommigen hadden een plank of een kist, maar anderen trokken elkaar mee de diepte in....
Het leek hopeloos. Maar even plotseling zagen ze vlakbij zich een ander schip, een groot schip, dat te hulp kwam. En met dertig anderen was Tièng opgevist. Maar er hadden er wel meer dan honderd in de boot gezeten....
Zijn vader en moeder, o wonder, waren ook gered, maar zijn twee zusjes had hij nooit meer terug gezien.
Tièng' s stem brak af. Zijn ogen staarden in de verte, alsof ze opnieuw dat vreselijke drama voor zich zagen.
Moeder zag zijn gezicht en ineens dacht ze: zo leven wij, mensen, nu eigenlijk allemaal op een wrakke schuit, die elk ogenblik onder kan gaan. En zoals die mensen daar reddeloos in het water moesten omkomen, als er geen ander schip kwam, zullen wij ook moeten omkomen, als.... de Heere er niet aan te pas komt Zoals dat schip daar de drenkelingen oppikte, zo haalt God nóg mensen uit die grote volkenzee, omdat... het kerstfeest geweest is.
Omdat Zijn Zoon eenmaal zei: „Zie, Ik kom, o God, om Uw welbehagen te doen". Hij kwam als een klein Kind in een beestenstal, gaf Zichzelf voor Zijn volk. En, o wonder, nu zou Tièng ook nog zalig kunnen worden.
Moeder probeerde er iets van te zeggen. Nü had ze een aanknopingspunt om te vertellen, wat kerstfeest betekende. God kon rechtvaardig alle mensen laten liggen, maar Hij had Zelf voor een Middel gezorgd, waardoor de grootste zondaar nu nog zalig kon worden. En zo moest ook Tièng nóg een keer gered worden.
Door de donkere avond liep een jongen naar huis. Hij had veel om over na te denken.
Benthuizen A. Vogelaar-v. Amersfoort
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 december 1982
Daniel | 28 Pagina's