Feest van het Licht
Lange tijd had ze met de brief in haar handen gestaan.Het stond er zwart op wit, ze had een baan! En dat na bijna een jaar thuisgeweest te zijn!
Toen ze de advertentie had gezien, waarin het streekziekenhuis gegadigden opriep voor de funktie van telefoniste, die tevens belast zou worden met het gedeeltelijk bijhouden van de patiëntenadministratie, had ze meteen geschreven. De zoveelste sollicitatie was de deur uitgegaan. Moed op de uitslag? Iedere „lopende" sollicitatie ging altijd gepaard met hoop, hoewel op de achtergrond altijd het — 't zal wel weer niets worden — aanwezig bleef. Toen de oproep voor een persoonlijk gesprek gekomen was, ging ze met gemengde gevoelens naar de stad
Even had ze geaarzeld toen men de vraag stelde of ze zich thuis verveelde. Wat moest ze antwoorden? Zou ze méér kans hebben als ze zei ernaar te snakken om te gaan werken? Als ze zei dat de dagen haar zo lang duurden? Nee, gewoon de waarheid vertellen: „Ik verveel me geen moment, hoewel ik graag een baan zou hebben", waarop meteen de vraag gevolgd was hoe ze haar dagen doorbracht. Nu geen aarzeling. Ze had verteld dat ze moeder hielp in de huishouding, over haar hobby's, een kursus die ze volgde en het werk dat ze deed voor de jeugdvereniging.
„En toch wil je gaan werken? " Ze hoorde de geamuseerde klank in de stem van de vraagsteller en dat stelde haar gerust. „Ja graag, want " en haar motivatie volgde. Het was een prettig gesprek geworden, maar toen ze later buiten had gelopen, was de twijfel gaan overheersen. Wat had ze allemaal gezegd? O, ze had het natuurlijk helemaal fout gedaan. Zij zou vast niet de enige sollicitante zijn die opgeroepen was. Ze zou afvallen, vast!
En toch kwam enkele dagen later de brief met het verheugende bericht En in blijde verwondering klonk het in haar hart „Dank U, Heere!"
De familie was blij met haar. Broertje Mark keek vol ontzag naar z'n grote zus toen hij hoorde dat ze in de stad zou gaan wonen.
„Kun je dat wel? Helemaal alleen? Wie zorgt er dan voor je? " wilde hij weten. Toen hij te horen kreeg dat ze bij nicht
Carla zou gaan wonen, trok hij een bedenkelijk gezicht: „Maar Carla is toch geen moeder? "
Vader lachte: „Moeders probleem en 't jouwe zijn dezelfde zeun."
Moeders probleem. Ze kon haar oudste zo moeilijk laten gaan. Maar het kon niet anders, het was ondoenlijk om dagelijks op en neer te reizen. Maar Liset glunderde. Leuk, Carla's flatje samen delen. Nicht Carla, sinds een halfjaar gediplomeerd verpleegkundige, was zelf met het aanbod gekomen toen ze hoorde van Lisets baan. „De huur van m'n flat is vrij hoog. Een bijdrage in de onkosten komt me goed van pas. Maar bovendien, en dat vind ik belangrijker, lijkt het me gezellig om een medebewoonster te hebben. Altijd alleen thuiskomen is niet prettig. Geeft u uw toestemming maar tante Fré en oom Henk."
Maar zo gemakkelijk ging dat niet.
„Daar moet 'k eerst eens een nachtje over slapen", zei moeder.
„U bedoelt een nacht van wakker liggen", lachte Carla.
De toestemming werd gegeven. Liset verhuisde naar de stad. Ze deed haar werk met plezier en kwam met enthousiaste verhalen thuis. Over haar werk én over
Carla. En moeders onderzoekende vraag of vader en zij „op elk moment van de week welkom zouden zijn", kon ze zonder reserve met „ja" beantwoorden. Moeders reaktie was kort „Dan is het goed kind", maar moeder en dochter begrepen elkaar goed.
Toch kwamen er later momenten waarop ze, als moeder die vraag wéér gesteld zou hebben, geaarzeld zou hebben om even spontaan met „ja" te reageren. En waar die aarzeling vandaan kwam, zou ze niet eens goed onder woorden kunnen brengen, 't Was zo ongemerkt gekomen. Door de omgang met anderen, door de kollega's van Carla en ook door Carla zélf, had ze gemerkt in welk een beschermd wereldje ze voorheen leefde. Allerlei problemen, die ze eerst alleen kende van horen en lezen, . werden behandeld, zonder schroom of reserve. Er werd fel gediskussieerd en gedebatteerd door jonge mensen, die spraken vanuit de praktijk. Soms werden er slechts feiten gekonstateerd, nuchter,
zakelijk. En ongemerkt werd ook Liset erdoor beïnvloed. Carla plaagde haar soms, goedmoedig.
Op een keer, toen ze weekenddienst had, vroeg ze Liset te blijven.
„Doe me een plezier en ga deze keer 't weekend niet naar huis. 't Is zo gezellig als jij er bent als ik thuiskom." Liset weigerde, wat verschrikt „Dat kan ik niet doen. Thuis rekenen ze op me.
Enne.... hoe.... ik kan niet eens naar onze eigen kerk".
Carla lachte geamuseerd. „Tjonge, jonge, en dat is wat Weegt 't laatste soms zwaarder dan 't eerste? In dit stadje is inderdaad geen kerk van onze gemeenten. Maar is dat zó bezwaarlijk? Wordt alleen in „onze" kerk het zaligmakend geloof gepredikt? Je moetje blik eens verruimen. Ga eens naar de Grote Kerk. Daar kom je méér onder de indruk van de aanwezigheid van God dan in onze kerken."
En hoewel Liset wist dat Carla's redenerin „mank" ging, had ze geen weerwoord. Later, toen de drukke toeristische belangstelling voor het oude Godshuis geluwd was, bracht ze een bezoekje aan het eeuwenoude gebouw. De rijke historie sprak uit de gebrandschilderde ramen, de koorbanken en de prachtig bewerkte panelen, de verweerde grafzerken. Het bleef niet bij dat ene bezoekje, ze kwam er ook later, op een nevelige herfstdag, toen het kerkplein een tapijt droeg van goudgeel blad.
De adventstijd brak aan. Kerst naderde.
Op kantoor mopperde men over het feit dat „de kerstdagen zo ongelukkig vallen dit jaar". Er werd gesproken over het op handen zijnde feest. Kerstfeest is immers voor kerkelijken en onkerkelijken belangrijk? Liset luisterde naar de verhalen over wintersportvakanties, over feestjes. Ze schrok toen de vraag tot haar gericht werd: „Wat doe jij met Kerst? "
„Ik? O, gewoon thuisblijven." „Dan merkje helemaal niet dat het kerst is. Zaterdag en zondag, gewoon een weekend vrij."
En wéér werd er gemopperd over het ontbreken van extra vrije dagen.
De laatste vrijdag voor kerst was een rustig. Veel patiënten mochten naar huis en er waren weinig spoedopnamen.
Kerstverhaal door Leny Ippel-Breedveld
Morgen kerst. Onwezenlijk, vond Liset Over een paar uur zou ze naar huis gaan. Thuis kerst vieren. Maar wat was er te vieren? Hadden de kollega's geen gelijk toen ze zeiden dan merk je helemaal niet dat het kerst is? Verschilde kerst van andere zondagse dagen? En toch waren het bijzondere dagen. Bijzonder? Een gevoel van onvoldaanheid en rusteloosheid woelde in haar op. Hoogtijdagen, je keek er naar uit, maar het liet je zo leeg. Kerst zoals het thuis gehouden werd, in een sfeer van saamhorigheid. Vader achter 't orgel, samen zingen, de gezamenlijke kerkgang, het zo bekende kerstevangelie: „En het geschiedde — namelijk dat u heden geboren is de Zaligmaker", 's Middags het verplichte bezoekje aan oma.
„Jongens, kijk es, 't giet!" De stem van een kollega deed haar opschrikken uit haar gepeins. „Bij kerst hoort sneeuw. Nou, vergeet het maar! Wég kerstsfeer".
Toen ze een half uurtje later de ziekenhuisdeur achter zich dichttrok, regende het nog steeds. De wind was aangewakkerd en regenvlagen striemden in haar gezicht Ze huiverde even, brr! Bij de flat aangekomen keek ze naar boven. Warm licht straalde naar buiten. Hé, leek het zo, of... even vergat Liset de regen en keek verwonderd omhoog. Voor het raam stond een kerstboom, opgetuigd met witte en zilverkleurige glinsterballen en kaarsen. Carla wachtte haar in de deur op.
„Kom gauw binnen, je drijft Geef je natte bullen maar hier en ga dan maar eens kijken hoe ik in recordtijd ons home heb opgefleurd."
En Liset keek. Nam alles in zich op. Het levende groen, de sfeervolle versiering, het serene licht van de blanke kaarsen, enkele goudkleurige kerstklokken die een fijn melodietje tingelden. Achter zich hoorde ze Carla's stem: „Gezellig hé".
En Liset beaamde het. En tóch was er een gevoel van onvrede in haar hart. Toen Carla tegenover haar zat begon ze erover. Ze zag de verwondering oplichten in Carla's ogen.
„Liset doe niet zo bekrompen. Je vindt het toch gezellig? Zeg geen nee, want dan spreek je jezelf tegen. Ik merkte wel dat de sfeer je meteen te pakken had. Nou kind, geniet ervan. Kerstfeest is het feest van het
Feest van het Licht
licht. Een beetje sfeer mag gerust". Liset zocht naar woorden. „Wat sfeer, dat is het juist, dat.... Och, laat maar", zei ze, zich onmachtig voelend haar gevoelens te uiten. Maar Carla liet het er niet bij. Ze praatte rustig overredend: „Liset, wij zitten zo vastgeroest aan bepaalde tradities en gewoonten. Dit mag niet en dat moet Maar waarom? Als je geen kerstboom in huis hebt geen sfeer maakt voel je je dan beter? Vier je dan echt kerstfeest? Wij zijn zo gewend aan het geijkte, of beter gezegd, ik was het. Ook ik ben van huisuit gewend om kerst sober te houden. Maar vertel eens, wat voor buitensporigs heb ik gedaan? Wat gezelligheid gekreëerd. Wat sfeer, kaarslicht wat romantiek. Ideaal, niet voor uitspattingen, maar voor bezinning. Iets op tegen? 'k Heb tante Fré gebeld en hun toestemming gevraagd om je vanavond hier te houden".
Ze lachte vrolijk toen Liset wat verschrikt omhoog kwam. , , 't Kostte me wel moeite, maar nadat tante Fré ruggespraak gehouden had met oom Henk, kreeg 'k hun toesteming. Pa komt je morgenochtend ophalen".
„Maar waarom...." interrumpeerde Liset.
„Nee, laat me uitpraten, 'k had een speciale reden om dit verzoek te doen. Rieke en Maijan komen vanavond, zomaar voor de gezelligheid, 'k Heb goeie muziek en heb wat lekkers in huis gehaald en daarna, maar dat heb ik niet tegen je moeder gezegd, bang dat ze dan zéker zou weigeren, willen we naar de kerstnachtdienst En we rekenen erop dat jij meegaat".
Liset zat heerlijk onderuitgezakt in haar stoel. De kaarsjes flakkerden, de regen striemde tegen de ruiten. En dan het voorstel van Carla. Wat had ze er zin in! Het kerstevangelie te horen verkondigen in dat oude Godshuis, het monumentale orgel te horen juichen. Carla vertelde verden Dominee Van Harmsel en pater de Zeeuw spreken. Het mannenkoor Hallelujah verleent medewerking. Denk je eens in Liset. Kerstnachtdienst in de Grote Kerk. Over sfeer gesproken!"
Maar Liset had de laatste regels niet meer gehoord. Het eerste zinnetje hamerde door haar hoofd — Dominee Van Harmsel en pater de Zeeuw spreken —.Een vrijzinnige predikant en een roomse geestelijke zouden de boodschap vertellen van het — dat u heden geboren is de Zaligmaker? En opeens kwamen de woorden, zonder dat ze ernaar behoefde te zoeken. „Weet je wat oma zou zeggen Carla? Schone schijn, arme schijn. We kunnen pas kerstfeest vieren als het Christusfeest wordt Juist op het kerstfeest worden we gewezen op de pameloos diepe ellende van de mensheid.
Maar ook op het wonder van Gods barmhartigheid. Die barmhartigheid, die in het zenden van Zijn Zoon ten volle geopenbaard is. Christus, Die geboren werd, leed en stierf om zo de weg te banen voor verloren zondaren. Hij, Die het Licht der wereld is, opdat een ieder die in Hem gelooft in de duisternis niet blijve. Daar gaat het om, niet om het uiterlijke, niet om de sfeer, maar om de inhoud van het kerstfeest."
Carla knikte: „Je hebt gelijk. Mooie woorden van iemand die van kind af aan niet anders gehoord heeft. Ik ben ruimer gaan denken. Maar 'k wil je verder niet beïnvloeden. Je gaat dus niet met ons mee? Even goeie vrienden hoor."
Terwijl de regen nog steeds neerstriemde, liep Liset naar de trein. Een klein figuurtje, wat eenzaam en triest in de grauwheid van het donker, soms even duidelijk zichtbaar in het licht van een straatlantaarn. Ze deed geen moeite de grote plassen te ontwijken.
Haar gedachten waren ver vooruit. Ze had niet naar huis gebeld. Wat zouden ze opkijken als ze opeens voor hen zou staan.
Ze zag de blijde gezichten van moeder, vader en Mark al voor zich. Maar ze zag en hoorde ook Carla weer en opnieuw besprong de twijfel haar. Had ze er goed aan gedaan om toch naar huis te gaan? Het was gezellig bij Carla, beslist Nu miste ze ook de kerstnachtdienst in de oude kerk. Missen? De onzekerheid ebde weg. In haar linkerhand hield ze haar weekendtas, de rechterhand had ze diep in haar zak gestoken. Maar ondanks die niet gevouwen handen bad ze. Een gebed of de Heere door de rechte bediening van Zijn Woord en de werking van Zijn Heilige Geest het échte kerstfeest wilde maken.
Kerstfeest niet het feest van sfeer en lichtjes, maar de gedachtenis van de komst van het Licht der wereld.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 december 1982
Daniel | 28 Pagina's