JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

EEN OPMERKELIJKE PREEK UIT 1661

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

EEN OPMERKELIJKE PREEK UIT 1661

11 minuten leestijd

De ene preek laat een diepere indruk bij je na dan de andere. Dat is nu zo, dat was in de 17e eeuw eveneens het geval.

Een preek die heel veel indruk heeft gemaakt, was die van Johannes Teellinck, gehouden te Vianen in de zomer van het jaar 1661.

Wie was Johannes Teellinck

Johannes Teellinck was één van de zoons van Willem Teellinck, welke laatste als één der figuren uit de tijd van de Reformatie grote bekendheid heeft gekregen. Willen Teellinck heeft het als een grote zegen des Heeren ervaren, dat niet minder dan drie van zijn zoons zijn voetstappen mochten drukken en eveneens predikant werden: Maximiliaan, Theodorus en Johannes. Alle drie trachtten op hun wijze het levenswerk van hun vader, een nadere reformatie in het kerkelijke en nationale leven, te bewerkstelligen. Johannes valt daarbij waarschijnlijk het meeste op door de voortdurende conflicten met de vroedschap van Utrecht, in welke stad hij jarenlang het evangelie bediende.

Hij wilde de vroedschap graag erkennen als het wettig gezag, ook boven hem gesteld, maar kon al te grote invloeden van dit college op de zaken der kerk terecht niet dulden. De conflicten liepen zelfs zo hoog op, dat hij uit het Utrechtse verbannen werd. De laatste jaren van zijn leven bediende hij het Woord Gods in de gemeente Kampen.

Je krijgt nu waarschijnlijk de indruk met een zeer geharnast en strijdbaar mens van doen te hebben. Dat is enerzijds wel waar, maar anderzijds wist hij in de prediking wel zeer lieflijke tonen aan de harp van het evangelie te ontlokken.

Dat blijkt uit de bekende preek uit 1661, die door hemzelf later in druk werd uitgegeven, mede om een aantal misverstanden rondom deze predikatie uit de weg te ruimen.

Dat deze preek het waard is, na méér dan drie eeuwen nog niet vergeten te zijn, zal hopelijk blijken uit wat hieronder volgt.

Uw toezegging heeft mij levend gemaakt

De tekst die Teellinck koos, was een gedeelte uit Ps. 119 : 50: Uw toezegging heeft mij levend gemaakt". Daarom kwam de preek uit onder de titel: De levendmakende kracht van Gods beloften". Zij is geheel opgebouwd in 17e eeuwse trant: en inleiding, een „leere", een tweetal „nuttigheden" en een laatste toepasselijk woord. Aanvankelijk zul je wel wat moeite hebben met de taal die natuurlijk wat ver van je afstaat, maar deze moeite wordt rijkelijk beloond, wanneer de inhoud ervan een persoonlijke zegen voor je zou mogen betekenen.

Uitgever Stuut in Rijssen mogen we in ieder geval dankbaar zijn dat hij dit kostelijke boekje op de markt heeft gebracht. Het is natuurlijk ondoenlijk om een preek van 58 pagina's (!) volledig weer te geven. Slechts enkele hoofdzaken kunnen daarom hieronder volgen.

De kerk: een vallei vol dorre doodsbeenderen

Het concrete uitgangspunt voor de preek was de droevige toestand waarin de kerk zich naar Teellincks mening bevond. Zij is, zegt hij, als een vallei vol dorre doodsbeenderen. De grootste menigte is geheel en al van het ware geestelijk leven ontbloot. Zelfs velen van degenen die de naam hebben dat zij leven, zijn waarlijk dood. Daarom wil Teellinck „pogingen aanleggen, om aan te wijzen door wat weg en middel de doodige zielen, bijzonder van Gods kinderen, weder levendig gemaakt mogten worden."

Daartoe weet Teellinck geen betere raad dan zich Gods beloften door het waar geloof aan de ziel op de rechte wijze toe te passen. Dat had David immers zelf mogen

ervaren. Voor hem werd waar wat de Zaligmaker zegt: „ Voorwaar, voorwaar zeg Ik ii, de ure komt en is nu, wanneer de doden zullen horen de stem des Zoons Gods, en die ze gehoord hebben, zullen leven." Alle geheel of ten dele geestelijke doden, die de beloften Gods vervat in het evangelie, werkelijk op een geestelijke wijze horen en deze door het geloof aannemen, zullen uit hun geestelijke dood tot een nieuw of vernieuwd geestelijk leven worden opgewekt. Waarom? „ Omdat hij, die Gods beloften regt door hei geloof aanneemt, die neemt in en met d.e beloften Gods ook den levendmakenden God zelve aan" — „zodat hij eerst gelooft, dat God zijn God is of worden wil, en op dat fondament eigent hij zich die beloften toe, die God aan de zijnen gedaan heeft." Maar deze ware gelovige mag zich ook Christus toeëigenen en kracht uit Hem putten, want alleen in Hem zijn die beloften Gods ja en amen.

„En daarom kan iemand zich onmogelijk Gods beloften met regt toeëigenen, dan op het fondament van zijne gemeenschap, die hij heeft aan Christus, of op het aannemen van Christus als het vrijwillig geschenk Gods in het Evangelium."

Wet en evangelie

Laat daarom niemand denken, dat de zaligheid buiten Hem om te verdienen zou zijn. Velen zijn er, klaagt Teellinck, die op een bedekte of openlijke wijze menen door de wet zalig te zullen worden. Teellinck maakt op dit punt een scherp onderscheid tussen wet en evangelie. Geen vlees kan door de wet gerechtvaardigd worden; „ verloochent daarom alle uwe eigenen werken, en zoekt al hetgeen u ter zaligheid noodig is alleen in Christus. "

Het wettisch werken kan echter zeer verfijnd openbaar komen, zo signaleert Teellinck, bij mensen die door de erkentenis van hun geestelijke dodigheid en hun diep inzicht in de gruwelijkheid van hun zonden en ellenden, trachten zichzelf „levendig" te krijgen, menend dat hun harde harten hierdoor vermurwd en hun zielen levend gemaakt zullen worden.

Maar wanneer ze zich vrijwel alleen bezig houden met het bedenken van hun zonden en dan klagen dat hun harten zo dodig en ongevoelig blijven, raken ze geheel van de weg af, omdat er geen levendmakende kracht in de wet is. De wet behoort immers de tuchtmeester tot Christus te zijn, opdat wij uit het geloof zouden gerechtvaardigd worden. Zal de mens geestelijk leven in Christus, dan moet hij zelf sterven en erkennen dat hij geestelijk dood is. Dat is het werk der wet, „maar den mensch nu uit dien geestelijken doodstaat op te wekken, dat is het werk des Evangelies. "

De Heere eist geen heiligheid vooraf

Er zijn ook kinderen Gods die alleen geloven kunnen, „wanneer zij hunne zielen redelijk wel gesteld vinden ", maar wanneer zij tegen de Heere gezondigd hebben, dan durven zij niet te geloven en lopen door hun ongeloof van de Heere Jezus vandaan.

Ook zij zijn nog niet aan de wet gestorven, ook zij vermengen op deze wijze nog „de leer der Gereformeerden met die der Remonstranten" en verwarren het verbond der genade met het verbond der werken. Dat zou betekenen, dat God ons Christus belooft in het genadeverbond als wij ons heel heilig zouden gedragen. De Heere eist echter, zo zegt Teellinck, niet enige deugd of heiligheid vooraf. „En daarom gij, mijn waarde Christenen, die u zei ven in eenen gansch zondigen staat bevindt, en ziet, dat gij het gansch slecht met God gemaakt hebt, en daarom door het geloof tot nog toe Gods beloften niet hebt durven aannemen, — weest niet langer zoo dwaas, gaat niet meer zoo verkeerd te werk en erken dat Gods beloften niet alleen aan levendige, heilige, geestelijke en ijverige menschen gedaan zijn, maar ook aan doode, onheilige, vleeschelijke en ijverlooze menschen, om hen levendig, heilig, geestelijk en ijverig te maken. "

Gods beloften

De Heere heeft Zijn beloften, Zijn toezeggingen gegeven opdat Zijn kinderen er troost uit zouden putten. Daarom mogen zij uit de Schrift niet alleen maar kiezen wat past bij hun sombere zielsgestalte. Zij mogen Asaf niet navolgen in zijn weigering om vertroost te worden. Zij hebben hun ongeloof niet te stijven „door eene verkeerde aanmerking van Gods beloften" waardoor zij hoe langer hoe dodigere worden.

Bespreking van de preek: „ De levendmakende kracht van Gods beloften”, door Johannes Teellinck. Uitg. Stuut, rijssen.

Nee, zij hebben te beseffen, „dat God door

het schenken of voorstellen van Zijne heerlijke beloften, onze harten, als het ware, zoekt af te vrijen, en door een lieftallig voorstel van dezelve ons liefkoost, zoekende met aanminnige vriendelijkheid ons te winnen en ons te bewegen, opdat wij, onze liefde van alle schepselen onttrekkende, aan Hem alleen onze harten zouden geven en op Hem alleen gesteld zijn."

Dan za] daaruit ook de ware blijdschap geboren worden. Gods kinderen moeten, zegt Teellinck hun harten door Gods beloften trachten te verheugen en te vervrolijken. Een droevig hart, een benauwd hart is een dodig hart. Een hart daarentegen dat blij en vrolijk is in de Heere, is een levendig hart. Gods kinderen moeten door het geloof achtgeven op de uitnemende heerlijkheid en voortreffelijkheid die God in het evangelie belooft. De vreugde in de Heere weegt duizendmaal op, tegen alle ellende die hen op deze aarde kan overkomen, zeker wanneer zij bedenken dat het louter liefde is die de Heere beweegt naar Hem om te zien.

De genademiddelen waarnemen

Om door Gods beloften verlevendigd te worden, is het ook noodzakelijk de middelen der genade ernstig aan te wenden. Daar komt het , , luiachtig hartsgestel" en de „vleeschelijke zorgeloosheid" wel tegen in opstand, maar ook in deze zal het vlees gekruisigd moeten worden., , Hierom gij, mijne waarde

Christenen, die gaarne hadt, dat uwe ziel levendig werd, wekt uwe harten op door de aanmerking van Gods beloften tot het regt gebruik van de middelen. Al waar gij dan eenige belofte van God den Heere vindt, voert die dadelijk uwe zielen tegemoet, en zulke groote en heerlijke beloften in het Evangelie schenkt, wat zijt gij dan zoo lid en traag, zoo dood, vadsig en lusteloos? "

De Heere mag zelfs gemaand worden op Zijn beloften ., , Hoewel de Heere onze God volkomen genegen is, om aan ons Zijne beloften te vervullen, evenwel wil Hij, dat wij Hem dikwijls op Zijne beloften zullen manen, want verre dat Hij het kwalijk zou nemen, zoo heeft Hij integendeel een zonderling behagen daarin."

Tegenwerpingen

Zo naderen we het einde van deze indringende prediking van Gods Woord. Teellinck is ongetwijfeld een goede pastor geweest. Hij blijkt althans de vragen van het hart te kennen. Een door hemzelf opgeworpen tegenwerping, die ook misschien bij jou al lezend is opgekomen, omschrijft hij als volgt: , , Ik weet wel, dat velen mij zeggen zullen, dat is mij onmogelijk, want kon ik dat doen (nl. de belofte Gods aannemen), dan was ik behouden; maar het is mij zoo onmogelijk te gelooven dat God die beloften aan mij gedaan heeft, als het mij onrrtogelijk is met mijne hand aan den hemel te reiken."

En er staan toch geen beloften voor de onbekeerden in de Bijbel? Teellincks antwoord op deze vragen mogen we wel ter harte nemen. Hij zegt namelijk dat God de beloften van het Evangelie aan de allerhardnekkigste zondaren laat verkondigen, „maar het is ook even daarom niet minder waarachtig dat dezulken, die vrij onder de onboetvaardigste te rekenen zijn, de beloften des Evangelies, aan hun gedaan, door het ware geloof aannemen."

Geen waangeloof

Maar, zegt Teellinck, versta mij goed, zij mogen die beloften door geen waangeloof aannemen, zodat zij zonder de minste grond zich zouden inbeelden dat ze reeds deel hebben aan de zaken die God door de belofte verklaart hun welmenend te willen geven. Dat kan niet, omdat niemand kan deel hebben aan de beloofde zaken, dan

die met Christus verenigd zijn. Zolang zij buiten Hem zijn, zijn zij nog vreemdelingen van de verbonden der belofte. Maar dit neemt niet weg, vervolgt Teellinck, , , dat zij evenwel door het geloof de beloften aan hun gedaan, mogen aannemen, zoodat zij gelooven of voor waarachtig houden mogen, dat God hun die beloften aanbiedt, dat is, de beloofde zaken, als een geschenk, met alle welmeenendheid toereikt, opdat zij door die beloften, of voorstel van die aangebodene goederen, bewogen zouden worden tot het verzaken van hunne zonden, en tot het aangrijpen van Gods sterkte of den Heere Jezus in wien God beloofd heeft onze harten te veranderen."

De zondaren zijn niet te verontschuldigen wanneer zij de beloften Gods niet aannemen, hierdoor betonen zij immers dat zij tot Christus niet willen komen. Degenen echter die oprecht wensen aan Gods beloften deel te hebben, opdat hun zielen daardoor zouden herschapen worden door God in Christus, mogen bedenken, dat ze al deel aan de beloften hebben, „want die zalige honger en dorst naar de geregtigheid, die zij in zich vinden, vloeit uit hunne gemeenschap met Christus Jezus; en 't is de Geest van Christus, die zoodanige begeerten in hun gewrocht heeft."

Tenslotte kan het zijn, zegt Teellinck, dat u uw harten maar niet zover kunt krijgen, om door het geloof Gods beloften uw zielen toe te eigenen. Wat dan te doen? Teellinck geeft deze hartelijke raad: „Gaat dan heen en bidt tot God met vurige smeekingen, en houdt bij Hem ernstig aan om de verzegeling van Zijn Geest, opdat die aan uwe zielen getuige, dat gij deel hebt aan Zijne beloften" — „want zoo doende kunt gij verzekerd zijn, dat gij eenmaal van den Heere krachten zult krijgen, om Zijne beloften u zei ven vastelijk toe te eigenen, en uwe doode en doodige zielen zullen door Zijne beloften levendig gemaakt worden."

Zo eindigt deze indrukwekkende preek.

Johannes Teellinck mag als gezant Gods nog spreken, lang nadat hij gestorven is. Laten we acht geven op wat ons vanuit de bloeitijd van Gods kerk is overgeleverd. Daarom: neem en lees! Moge de Heere daaraan Zijn zegen verbinden tot Zijn eer.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 december 1982

Daniel | 28 Pagina's

EEN OPMERKELIJKE PREEK UIT 1661

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 december 1982

Daniel | 28 Pagina's