MAATSCHAPPELIJKE BETROKKENHEID EN VREEMDELINGSCHAP
Als kind zul je het vele malen gehoord hebben: je moet met twee woorden spreken. Dat staat fatsoenlijk en dat hoort zo. Als je met één woord antwoord geeft, laatje daarmee zien datje niet echt netjes bent opgevoed. Nu is het de vraag, of dat met-tweewoorden-spreken óók geldt in het leven van een christen, die zich geplaatst weet in déze wereld van hier-en-nu. Kunnen we spreken van maatschappelijke betrokkenheid én vreemdelingschap; of moeten we een keuze maken tussen beide? En hoe moet die keuze dan uitvallen? Of is er een levenshouding mogelijk, die beide in zich opneemt?
Vragen genoeg
Je merkt het, vragen genoeg om met elkaar over na te denken. Maar misschien zegje bij jezelf: dit is theoretisch geschrijf, hier voel ik me niet bij betrokken. Toch is dit laatste niet zo, denk ik. Op de een of andere wijze heb je te maken met het maatschappelijk gebeuren om je heen. Er wordt van alle kanten een beroep op je gedaan. De vraag is dan: doe je mee of blijf je aan de kant staan?
Terugtrekken of meedoen?
We hebben hier met grondvragen te maken. Mogen we ons betrokken weten bij alles wat er rondom ons in déze wereld gebeurt; hebben we daarop te reageren, in te spelen, aktie te ondernemen, enz.? Of is een zich terugtrekken uit alles wat met de wereld te maken heeft, niet veel beter, niet veel stichtelijker, niet veel profijtelijker voor de omgang met God?
In het kader van dit artikel kan daarover helaas slechts een enkele opmerking gemaakt worden. Maar iets is in ieder geval beter dan niets.
Vreemdelingschap
Ik begin met het laatste: e vreemdelingschap. Het kan niet ontkend worden, dat dit een uiterst belangrijke plaats inneemt in de Schrift. Abraham, de vader van alle gelovigen, werd uit zijn familiekring weggeroepen en moest in het land der belofte als vreemdeling verkeren. Hij mocht de pinnen van zijn tentniette vast in de grond slaan. Ook de aartsvader Jakob sprak over de dagen der jaren zijner vreemdelingschappen. Als het land der belofte na de verovering van Kanaan echter het eigendom is geworden van de Israëlieten, blijft toch de gedachte aan de vreemdelingschap bestaan. Denk aanPs. 39 : 13, waar David belijdt een „vreemdeling bij U, een bijwoner, gelijk al mijn vaders" te zijn. Dat is een belijdenis die niet alleen uitgesproken wordt in dagen van tegenspoed en verdrukking, maar ook in voorspoed, als het loflied klinkt Lees maar in 1 Kron. 29, vanaf vers 10. Daar looft David de Heere als hij de schatten voor de straks te bouwen tempel verzameld ziet Hij belijdt dan: Het is alles van U, en wij geven het U uit Uw hand. Want wij zijn vreemdelingen en bijwoners voor Uw aangezicht, gelijk al onze vaders; onze dagen op aarde zijn als een schaduw, er is geen verwachting". Enerzijds wordt de vreemdelingschap hier gebonden aan de erkenning, dat alle dingen ten diepste Góds eigendom zijn; anderzijds wordt het vreemdeling-zijn verbonden aan de kortstondigheid van het leven en het betrekkelijke van het aardse bestaan.
Vreemdelingschap in het Nieuwe Testament
In het Nieuwe Testament vallen dezelfde aksenten. De gelovigen zijn als huisgenoten Gods in hun verhouding tot God niet langer vreemdelingen en bijwoners, maar medeburgers der heiligen (Ef. 2 : 19), maar daardoor juist zijn zij in de wereld vreemdelingen geworden. Ze worden gehaat, omdat ze niet meer tot deze wereld behoren. Vooral Petrus benadrukt
dit sterk, als hij in zijn eerste Brief de gelovigen vermaant als inwoners en vreemdelingen, om zich te onthouden van de vleselijke begeerlijkheden welke krijg voeren tegen de ziel (1 Petr. 2:11). De christenen passen niet meer in het schema van deze wereld. Door hun deel aan het heil in Christus zijn ze vreemd geworden aan wat vroeger hun leveil beheerste. Door de vreemdelingschap zijn de gelovigen gestempeld als anders, zoals ook Paulus benadrukt als hij zegt „Doch gij hebt Christus alzo niet geleerd" (Ef. 4 : 20), dat wil zeggen: hristus heeft u wel anders geleerd en daarom hebt u niet meer te wandelen „gelijk als de andere heidenen wandelen in de gelijkheid huns gemoeds" (Ef. 4 : 17).
Wat zegt Calvijn?
Wanneer we wat deze dingen betreft ook naar de reformator> Calvijn luisteren, treft het dat hij in zijn Institutie, boek III, éérst spreekt over de overdenking van het toekomende leven (hfst IX) en daarna pas over de vraag hoe men het tegenwoordige leven en zijn hulpmiddelen gebruiken moet (hfst X). Calvijn doet in beide hoofdstukken uitspraken, die ons er wel voor doen oppassen hem niet al te vlot voor het karretje van een aktivistisch christendom te plaatsen. Zeer radikaal is hij, als hij stelt dat de overdenking van het eeuwige leven pas kan plaatsvinden als de verachting voor het tegenwoordige leven ons gemoed vervult „Immers tussen deze twee is geen middenweg: öf de aarde moet ons waardeloos worden, óf zij moet ons Ln ongebreidelde liefde tot zich vasthouden" (IX, 2).
Als dan ook de hemel ons vaderland is, wat is dan de aarde anders dan een oord van ballingschap? „En wat is in de wereld blijven dan anders dan verzonken liggen in de dood? " (IX, 4). Daarom behoort de gelovige ook niet zo bevreesd te zijn voor de dag van zijn dood, integendeel „laat ons dit voor vastgesteld houden, dat niemand goede vordering gemaakt heeft in de leerschool van Christus, dan hij, die de dag zijns doods en der laatste opstanding met vreugde verwacht" (IX, 5).
Gaven van Gods goedertierenheid
Is Calvijn hier niet zeer eenzijdig, is er dan niets positiefs over het leven op aarde te zeggen? Toch wel! Calvijn zegt óók dat de gelovigen zich moeten gewennen aan zulk een verachting van dit leven, dat die geen haat tegen dat leven wekt en geen ondankbaarheid jegens God (kurs. van mij, B.). „Immers dit leven, ook al is het vervuld van talloze ellenden, wordt toch terecht gerekend tot de niet te versmaden zegeningen Gods. Daarom, indien wij daarin niet Gods weldaad erkennen, staan wij reeds schuldig aan een niet geringe ondankbaarheid jegens God Zelf' (IX, 3). Dit leven dient ons om Gods goedheid te leren verstaan; daarom moeten wij het rekenen „tot de geenszins te versmaden gaven van Gods goedertierenheid" (IX, 3). Dat geldt temeer als de gelovigen dit leven mogen zien als een voorbereiding tot de heerlijkheid van het eeuwig Koninkrijk. Daarom hebben we de gaven Gods dankbaar te aanvaarden. Hij heeft die gaven voor ons geschapen en bestemd tot ons welzijn, niet tot ons verderf. Daarbij heeft Hij niet alleen voorde „nooddruft', maar ook voor „genieting en blijdschap" willen zorgen. Zo heeft de Heere vele zaken, boven het noodzakelijke gebruik prijzenswaard voor ons gemaakt (X; 2). Als echter maar niet de lust van het vlees
gediend wordt, „want wanneer die niet binnen de perken gehouden wordt, treedt hij zonder maat buiten de oevers", en wordt hem onder het voorwendsel van geoorloofde vrijheid alles toegestaan.
Zo tracht Calvijn het evenwich te bewaren: enerzijds is er de pelgrimage vanuit de ballingschap der wereld. Juist omdatde gelovigen iets beters tegemoet gaan, moeten zij het tegenwoordige leven verachten. Maar anderzijds moeten zij bereid zijn naar 's Heeren wil om in dit leven te blijven. Want het leven is als een wachtpost, waarop de Heere hen geplaatst heeft, die zij zolang moeten bewaren, tot Hij hen wegroept Daarom maken zij gebruik van dit leven, ja mogen er zelfs van genieten. Calvijns visie lijkt ingeklemd te zijn tussen deze beide begrippen: pelgrimage en wachtpost. We kunnen dus konstateren, dat Calvijns denken hieromtrent niet is los te maken van de verwachting van een zalige toekomst Dat bepaalt zijn denken omtrent het hier en nu.
Christelijke levenswandel
De vreemdelingschap die we als zo'n uiterst belangrijk bijbels-reformatorisch begrip hebben leren kennen, vraagt nu om een daarmee korresponderende levenswandel. Bij het nagaan van enkele bijbelse gegevens stuitten we daar al op. Christenen zijn aparte, apart gezette mensen. Het konflikt tussen de gemeente des Heeren én de wereld moet ons dan ook niet verworg deren. Er is een fundamentele antithese tussen de kerk en de wereld. Daarom zullen de gelovigen nooit zó in de wereld kunnen en mogen opgaan, dat het vreemdeling-en bijwoner-zijn vergeten dreigt te worden. We kunnen dan al reagerend, aktiverend en organiserend zó onze tijd beleven dat we daarbij onszelf vergeten. Het politiek en maatschappelijk meeleven kan dan zó groot zijn, dat we menen dat onze aktiviteiten de wereld van de ondergang kunnen redden. Dat zal echter niet gelukken. Deze wereld, die in het boze ligt, gaat voorbij. Ze is voor de ondergang bestemd. Een bijbelse en geestelijke houding die, zoals ds. C. den Boer doet, te typeren is als kritische gereserveerdheid, kan ons daarentegen voor veel krampachtigheid behoeden. De wereld behoeft door ons niet gered te worden. Zij gaat ten verderve, maar omdat God Zijn schepping nooit loslaat, daarom zal Hij er Zelf voor instaan dat ze gelouterd uit het verderf als een nieuwe aarde zal terugkeren. In dit licht bezien zijn vele milieuaktivisten, hoe sympathiek ze ons soms voorkomen, toch te veroordelen. Juist omdat ze alles zetten op de kaart van déze wereld, strijden ze hartstochtelijk hiervoor. Als deze hen ontvalt, houden ze niets meer over. De gelovige mag echter weten dat er op Góds tijd een nieuwe hemel én een nieuwe aarde komen zal.
Geen doperse wereldmijding
Dat betekent niet, dat hij alles maar op zijn beloop moet laten en zich stilletjes moet terugtrekken. Nee, het klooster is geen oplossing! Een doperse wereldmijding past ons niet Als het goed is, weten we ons vreemdelingen, maar dan toch in een wereld die onder Christus' heerschappij staat en waarin Hij ons een taak geefL Prof. Douma zou zeggen: ods kinderen zijn hier nog wel niet thuis, maar ze zijn hier toch wel op hun plaats. De verkondiging van het Evangelie en de bijeenvergadering van Christus' Kerk zijn immers nog niet voltooid. Tot zolang heeft de christen zijn roeping in deze aardse verhoudingen, heeft hij een zout der aarde, een licht der wereld te zijn (Matth. 5:13 e.v.) en zich intensief met de wereld bezig te houden. Zo was het immers ook bij Calvijn? We hebben hem zó horen hunkeren naar het Koninkrijk van God, dat
zijn uitspraken door velen werden misverstaan als een verachting van het door God geschonken leven zélf. Maar was nietjuist hij bijna dag en nacht bezig om zowel de kerk als het maatschappelijk leven van Genève te reformeren? Calvijns levenswerk, de Institutie, en zijn levenshouding in het zo moeilijke en woelige Genève vormen beslist geen tegenstelling!
Het gevaar van verwereldlijking
Maar deze intensieve arbeid waartoe we geroepen worden, mag er nooit toe leiden, dat de kerk en dus ook de individuele gelovige de vreemdelingschap vergeet Anders ligt het gevaar van de verwereldlijking op de loer. Dan annexeren we op christelijke wijze de wereld vanuit de gedachte dat aan Christus alles toebehoort, en zien we niet dat de wereld ons annexeert
Prof. Greydanus heeft hier eens ironisch op gewezen toen hij schreef: „Alles is uwe. Dus christelijkedansverenigingen en christelijke dansen. Christelijke cineac en bioscoop. Christelijk toneel. Christelijke schouwburg. Christelijke film. Alles is uwe, want alles is van Christus. En dus aan het werk. (-). Daar is geen duimbreed op heel het erf van ons menselijk leven, waarvan de Christus niet zegt Mijn! Welnu dan, opgestaan, de handen uit de mouwen, fluks aan het werk, jongen en ouden, verenigingen opgericht, verbonden gemaakt, organisaties in elkaar gezet".
De christen heeft te doen wat zijn hand vind om te doen. Daarbij heeft hij zich te richten naar wat Paulus zegt in Titus 2 : 12-14. Daar staat, dat wij de goddeloosheid en de wereldse begeerlijkheden hebben te verzaken, dat we matig, rechtvaardig en godzalig in deze tegenwoordige wereld hebben te leven, verwachtende de zalige hoop en verschijning der heerlijkheid van de grote God en onze Zaligmaker Jezus Christus, Die Zichzelf voor ons gegeven heeft, opdat Hij ons zou verlossen van alle ongerechtigheid, en Zichzelf een eigen volk zou reinigen, ijverig in goede werken. Deze apostolische woorden vormden voor Calvijn het uitgangspunt van wat we zijn ethiek zouden kunnen noemen.
De christen als pelgrim
Calvijn gebruikte vaak het woord pelgrimage. Dat betekent dat hij de christen zag als een pelgrim, een balling. Zoals de Joden eenmaal ballingen waren in het hun vijandige Babel, ver van Jeruzalem, zo zijn de leden der gemeente Gods ballingen in de moderne kuituur van het eigentijdse Babel. Prof. Schuurman, aan wie ik deze gedachte ontleen, merkt dan op dat ballingen geen bouwers van de gangbare ohn kuituur zijn. Zo behoren ook de christenen is, een andere oriëntatie op de kuituur en op de maatschappij te hebben. Ballingen zijn echter evenmin slaven. Daarom moeten christenen ook geen overspannen verwachting van hun opdracht hebben.
Daniël en zijn vrienden waren wel in Babel, maar niet van Babel. Daniël had er zijn taak, maar wist tegelijkertijd dat Babel niet het eindpunt was. Hij heeft hoop gehad op de verlossing, in de wetenschap dat Babel tenslotte óók aan God onderworpen was. Daarenboven had hij een binnenkamer met open vensters, gericht op Jeruzalem. Hij kon het in Babel uithouden door het zicht op Jeruzalem.
Wel in, niet van de wereld. We hebben hier onze taak, maar voelen we ons er ook helemaal thuis? Of' beseffen we dat deze wereld het eindpunt niet kan zijn? En hebben we een binnenkamer met een venster gericht op het Jeruzalem dat hierboven is, waar Christus Jezus is om altijd voor Zijn kinderen te bidden? „Ik bid niet, dat God hen uit de wereld wegneemt, maar dat Gij hem bewaart van den boze".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 oktober 1982
Daniel | 28 Pagina's