JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

4. DADERS DES WOORDS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

4. DADERS DES WOORDS

12 minuten leestijd

Bijbelstudie over Jac. 2 : 14-26

Laten we beginnen het gedeelte in zijn verband te lezen. Het gevaar is te groot dat we onze eigen gedachten in de tekst leggen en niet goed verstaan wat de schrijver ons wil zeggen. Het voorgaande gedeelte eindigde niet zo opgewekt. Nadat Jacobus de gemeenten had voorgehouden dat zij niet met aanzien des persoons mochten handelen, eindigt hij met een ernstig slotakkoord over het eeuwige oordeel. Vers 13 zegt dat een onbarmhartig oordeel zal gaan over de onbarmhartigen. Het is het tegenovergestelde van wat de Heere Jezus zei in Matthu 5 : 7: Zalig zijn de barmhartigen, want hun zal barmhartigheid geschieden".

4.1. De struktuur

Als je zo'n gedeelte uit de Bijbel gaat bestuderen is het vervolgens goed, eerst eens globaal het stuk te bekijken en een onderverdeling te maken. In ons geval ligt de scheiding tussen vers 17 en 18. Vers 17 is een konklusie van het eerste gedeelte. Vers 18 opent het tweede dat een verdere uitwerking is van de gevonden konklusie in 17. Verder zien we in 14-26 dat er voorbeelden worden aangehaald, een voorbeeld uit het dagelijkse leven en twee uit het Oude Testament En telkens komt de schrijver op zijn konklusie terug(20, 22, 24 en 26). Schematisch zou je dat als volgt kunnen weergeven:

4.2. Vers voor vers

Vers 14

Wat nuttigheid is het, wat heb je eraan, alsjezegtte geloven, maar het blijkt niet uitje leven? De apostel Jacobus probeert op het gevoel te werken.

Waarheen zal zo'n „geloof' ons brengen? Zal het zijn naar het onbarmhartige oordeel des Heeren (vers 13)? Nee, Jacobus windt er geen doekjes om, recht op de man af doet hij zijn woord. Het gaat immers om eeuwig wel of wee. Maar hij is niet hard, want hij blijft zijn lezers „broeders" noemen en dat doet hij niet alleen om beleefd te zijn. Hij wil ze vasthouden. Naar het oordeel der liefde houdt hij hen voor ware gelovigen - dat kon in die eerste tijd nog - maar intussen weet hij maar al te goed dat er mondbelijders onder zijn (vergl. kanttekeningen S.V. Rom. 1:6). Er zijn er die, , zeggen" tegeloven.

Of het ook werkelijk zo is, is de vraag, maar ze zeggen het wel. En wat is dat dan voor geloof? Een geloof zonder de werken. Jacobus noemt het geloof, maar eigenlijk zou hij een ander woord gebruikt moeten hebben. Het gaat hier niet om het zaligmakende geloof. Het is een schijngeloof dat niet redt van het oordeel. (Matth. 7 : 21, 23 26; 1 Joh. 1 : 6, 8, 10; Rom. 1 : 6).

Vers 15, 16

Een voorbeeld, en niet zomaar een voorbeeld, maar naar de hele briefte oordelen een schrijnend voorbeeld, dat de situatie in de gemeente tekende.

De praktijk van Hand. 2:45 heeft blijkbaar niet zo lang geduurd. Zij hadden immers alles gemeenschappelijk? Het berust op een misverstand dat de eerste christengemeente in een soort kommune leefde; dat zegt Handelingen helemaal niet Er werd verkocht en uitgedeeld naar dat iedereen nodig had. Als iedereen alles verkocht zou hebben hadden Barnabas en Ananias echt niet apart vermeld gestaan (Hand. 4 : 36, 37; 5 : 1).

Maar er was wel iets bijzonders, dat wel. Men zat niet zo vast aan de aardse goederen. Het was een hemelsgezinde gemeente geworden, die de goederen van deze aarde op de juiste waarde had leren schatten. Daarom konden ze ook makkelijk iets weggeven.

Het is dus een misverstand dat iedereen verplicht was alles te verkopen. Dat kunnen sommige sekten niet uit de Bijbel halen. Helaas heeft deze goede houding van de gemeenten niet lang geduurd.

Hoogstens enkele tientallen jaren later is het „gemeenschappelijke bezit" verdwenen. Mensen gaan weer op hun strepen staan en het oude eigendomsrecht wordt weer nieuw leven ingeblazen. Het schijnt zelfs zo erg geweest te zijn dat broeders en zusters (vers 15) gebrek konden lijden zonder geholpen te worden. Zij werden bij wijze van spréken, van de deur gesleurd. Ja, wat stelt zo'n geloof voor? Wat nuttigheid is dat? Zal de Heere tot zulke schijngelovigen niet zeggen: „Ga weg van mij, gij die de ongerechtigheid werkt?

(Matth. 7 : 23; 25 : 35-46; Luk. 3 : 10-14; 1 Joh. 3 : 17).

Vers 17

„Alzo", konkludeert de apostel, de broeder des Heeren. Als geloof niet gepaard gaat met de werken, mag het de naam geloof amper dragen. Het is een dood geloof. Vers 17 is het meest centrale vers van onze perikoop en vanuit dit vers moeten we ook de volgende verzen proberen te begrijpen. Het gaat de apostel er dan ook alleen maar om te zeggen dat goede werken met het geloof gepaard moeten gaan en hij zal zeker niet de werken ab verdiensten gaan beschouwen. Vasthouden dus, straks als we de volgende verzen bezien, dat het staat tegen de achtergrond van deze konklusie. Dat bewaart voor onbijbelse ontsporingen. Goede werken zijn een vrucht, zijn kenmerken van het nieuwe leven (zie vers 26).

Vers 18, 19

In het twede gedeelte van de perikoop voert de apostel iemand sprekende in, die gaat bestraffen en het dode geloof ontmaskeren. Opeen wat ironische toon zegt de spreker tot de bedriegen Goed, gij hebt het geloof en ik de werken. Wel, toon mij uw geloof dan maar uit uw werken en ik zal u uit mijn werken mijn geloof tonen. De spreker treft daarmee de schijngelovige midden in het hart Als hij geloof heeft laat hij dat dan maar eens tonen in de praktijk van zijn leven. De duivelen geloven immers ook zonder dat het getoond wordt. Zo'n geloof is niet genoeg (Matth. 7 : 17, 18: al. 5 : 6; Mark. 1:24).

Vers 20

De spreker die Jacobus aan het woord liet, komt tot dezelfde konklusie als in vers 17 werd verwoord. Het geloof zonder de werken is dood. De bedrieger wordt een „ijdel" mens genoemd; dat is leeg zonder waarde en nutteloos. Dat is de werkelijkheid bij alle mondbelijders. A.lle vrome praat en schijnvroomheid wordt waardeloos genoemd, als het niet gepaard gaat met de praktijk der godzaligheid Dat is nog eens aktueel in een tijd waarin iedereen het wel gelooft, maar intussen dóórleeft alsof er niets gebeurd is.

Vers 21

Onze vader Abraham. De apostel laat zijn broeders nog steeds niet los. Hij spreekt tot een lid van de gemeente als een verbondskind. Maar als Abraham onze vader is, hebben we nog niet het ware geloof. Abraham is uit de werken gerechtvaardigd! Is dat werkelijk zo? Als we willen laten staan wat we lezen, kunnen we er niet onderuit Toen Abraham izaak meenam en zijn mes ophief om hem te doden, waren dat goede werkea Maar hoe kwam hij aan die werken? Deed hij die uit eigen beweging waren die een vrucht van eigen akker? Zoals blijkt uit het volgende vers, weet Jacobus wel beter. Hij legt alleen even de nadruk op een geloof dat zichtbaar wordt Hij heeft het zeker niet over goede werken, die van het geloof zijn losgemaakt (Gen. 22 : 10).

Vers 22

Goede werken komen voort uit geloof en geloof komt tot uiting in goede werken. Het een kan niet

zonder het ander. Daarom wordt er ook gezegd dat het geloof mede gewrocht (gewerkt) heeft met de werken. Deze volgende konklusie laat aan duidelijkheid niets te wensen over. Eigenlijk gaat het niet over geloof met daaraan toegevoegd de werken, maar om een hechte eenheid van een werkzaam geloof. Alleen zo'n geloof rechtvaardigt de mens. Het geloof is volmaakt (vervuld, openbaar) uit de werken (2 Kor. 12:9).

Vers 23

De Schrift zegt zelf dat Abraham God geloofde en het hem tot rechtvaardigheid werd gerekend. In vers 23 werden het werken genoemd; nu wordt het met geloof aangeduid, want het is een en dezelfde zaak. Maar is Abraham dan door zijn eigen werkzame geloof gerechtvaardigd? J a, het staat er.

Het is hem tot rechtvaardigheid gerekend. In Rom. 4 : 3 haalde Paulus hetzelfde aan. Maar het is wel een geschonken geloof. In dit hoofdstuk ligt daar weinig nadruk op, omdat Jacobus zijn lezers juist bestraft om hun schijngeloof of dode geloof. Hij kan natuurlijk moeilijk zeggen dat zij het blijkbaar nog niet ontvangen hebben. Hier wordt geen dogmatische verhandeling gegeven maar levende aktuele prediking. Het is de bede van de apostel dat de gemeenten meer zo'n geloof openbaarden. Dat is de Heere aangenaam. Dan is er de zoete omgang met de Heere en dan is Hij . onze Vriend en wij de Zijne (Rom. 4 : 3; Gen. 15 : 6; 2 Kron. 20 : 7; Jes. 41 : 8; Gen. 22 : 12-18).

Vers 24

Dit is dan het vers waar velen moeite mee hadden. Uit de werken gerechtvaardigd en niet alleen door het geloof. Niet alleen vanuit het geheel van de Schrift, maar ook uit dit hoofdstuk is duidelijk dat hier geen roomse leer wordt verkondigd. Het gaat immers over het dode geloof dat aangepakt werd. We kunnen daarom lezen dat we uit de geloofswerken gerechtvaardigd worden en niet alleen door een vrome leer die niet in het leven zijn vruchten afwerpt Het woordje geloof wordt hier dus niet gebruikt voor het waar zaligmakende geloof, zoals ook in vers 14 en 17 (Joh. 8 : 39; Rom. 4 : 12).

Vers 25

Rachab is ook uit de (geloofs) werken gerechtvaardigd. Niet voor niets liet zij de verspieders zich verbergen, toen Jericho werd uitgekamd. Zij bleek ontzag te hebben voor de God van Israël en ontzag voor de Hoge Majesteit is een van de eerste kenmerken van het geloof (Joz. 2 : 1 en 6 : 23; Hebr. 11 : 31).

Vers 26

Als iemand de geest heeft gegeven is het lichaam dood en de mens is geen mens meer. Als het geloof geen werken heeft, is de geest eruit, dan is geloof geen geloof meer. De apostel herhaalt krachtig zijn eerdere konkiusies uit 17, 20, 22 en 24. Het ingezonken geloof van de gemeenten dat niet meer door de liefde werkt, of . misschien wel het schijngeloof van de bedriegers is herhaaldelijk veroordeeld. Wie weet wat de prediking van deze man nog in de gemeenten die hij liefhad, heeft uitgewerkt Hij stond er in ieder geval zelf helemaal achter en zijn leven was een levend getuigenis.

4.3. Het geheel van de Schrift

Staat de prediking van Jaeobus wel zo apart als velen hebben willen voordoen? Legt hij als enige zo'n sterke nadruk op de werken? Zeker niet! We moeten toegeven dat Jaeobus de enige is die zijn hele geschrift door op datzelfde hamert Dat brachten de omstandigheden ook mee of nog sterker, het was de reden van zijn schrijven. Maar hij staat niet alleen. Luther had de Jacobusbrief dan ook geen strooien brief behoeven te noemen.

We noemen twee gedeelten.

4.3.1. Jaeobus en de bergrede

De meeste overeenkomsten vinden we in de bergrede. Matth. 5-7 bevat zelfs zoveel dat ons aan de Jacobusbrief doet denken, dat we moeten wijzen op de vertrouwelijke omgang van Jaeobus met de Heere Jezus. Of hij nu een boer was van de Zaligmaker of een discipel doet er niet zoveel toe, maar hij heeft ongetwijfeld veel van Hem geleerd. Sprak de Heere Jezus overigens niet in soortgelijke omstandigheden tot het joodse volk, dat geloofde zonen en dochteren van Abraham te zijn, maar de werken des geloofs niet bezat? Was het ook geen schijnheilige vroomheid zonder de praktijk der godzaligheid? Eerder (vers 13) wezen we al op Matth. 5 : 7 over de barmhartigen, die barmhartigheid zou geschieden. We vinden echter nog veel meer dat op de werken betrekking heeft In de zaligsprekingen gaat het ook over de zachtmoedigen(5:5), dereinen van hart (5 : 8) en de vreedzamen (5 : 9). Het is te veel om op te noemen wat er nog meer in de bergrede staat. We noemen 5:16 „Laat uw licht alzo schijnen voor de mensen, dat zij uw goede werken mogen zien, en uw Vader, Die in de hemelen is verheerlijken". 5:19 „....; maar zo wie dezelve zal gedaan en geleerd hebben, die zal groot genaamd worden in het Koninkrijk der hemelen", 5 : 48 „Weest dan gijlieden volmaakt gelijk uw Vader, Die in de hemelen is, volmaakt is", 7:21 „Niet een iegelijk, die tot Mij zegt: eere, Heere zal ingaan in het Koninkrijk der hemelen, maar die daar doet de wil Mijns Vaders, Die in de hemelen is". Het meest opvallend vind ik telkens weer de gelijkenis van het huis op de rots, de afsluiting van de bergrede. Alleen aandachtig lezen geeft hier duidelijkheid over de betekenis. Het begint met: Een iegelijk dan die deze Mijn woorden hoort en dezelve doet, die zal ik vergelijken...." (7 : 24). En vers 26 gaat over degene die hoort maar niet doet. De wijze bouwer is de man van de praktijk der godzaligheid en de dwaze bouwer is degene die mooi kan praten maar niet doet. Wat doen dan? Alles wat er eerder in de bergrede stond. Je moet het maar eens lezen.

4.3.2. Jaeobus en Paulus

Jaeobus is nog wel eens uitgespeeld tegen de apostel Paulus. Maar Paulus zegt niets anders. Vooral de brief aan de Romeinen is duidelijk. Neem bijvoorbeeld hoofdstuk 8. Het eerste vers van dat hoofdstuk gaat over degenen die in Christus Jezus zijn, voor wie er geen verdoemenis is. Maar er staat iets meer ! Er wordt aan toegevoegd: die niet naar het vlees wandelen, maar naar de geest. Het hele hoofdstuk door wordt dat verder uitgewerkt Zo bijvoorbeeld vers 13: „Want indien gij naar het vlees leeft, zo zult gij sterven; maar indien gij door de Geest de werkingen des lichaams doodt, zo zult gij leven". Het is of de apostel wil zeggen dat geloof zonder de werken dood is. Alleen als de vrucht van ons leven is te leven door de geest, alleen dan is er geen verdoemenis voor ons.

4.4. Vragen en opdrachten

1. Zoek in de bergrede de teksten die over de levensheiliging gaan op. Noem een paar konkrete voorbeelden.

2. Lees Rom. 8 en geef aan in welke teksten het gaat om de praktijk van het leven.

3. Welke gedeelten uit de Jacobusbrief vallen buiten de bovengenoemde thema's? Waar gaan de gedeelten over?

4. Wat zegt de Heidelberger Catechismus zondag 32 vr. 87 over de „gelovigen" die een goddeloos leven leiden?

5. Welke drie redenen noemt de Catechismus in zondag 32 vr. 86 om goede werken te doen?

6. Waarom is het doen van goede werken ook voor Gods kinderen zelf vruchtbaar? (1 Petr. 1:8-10; 1 Joh. 2 : 3-5; D.L.V. art 10).

7. Nederlandse Geloofsbelijdenis art 24 zegt dat de Heere de goede werken beloont Hoe wordt dat bedoeld?

8. Hoe staan we tegenover rijkdom? Vergelijk Jac. 1 : 16-18 met Jac. 5 : 1-6.

9. Gaat het in de Jacobusbrief om liefde tot de gemeente-leden of ook om liefde tot niet-gelovigen? Wat betekent in dit verband Gal. 6:10?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 oktober 1982

Daniel | 28 Pagina's

4. DADERS DES WOORDS

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 oktober 1982

Daniel | 28 Pagina's