3. DE INHOUD
3.1. Overzicht en stijl
Wie de brief van Jacobus in zijn geheel doorleest en probeert een lijn te ontdekken wordt enigszins teleurgesteld. Het lijkt erop dat hij verward van het ene, plotseling op het andere overgaat. Niet voor niets is de Jaeobusbrief vergeleken met de Spreuken of Prediker, waar ook allerlei wijze uitspraken zonder veel verband op elkaar volgen. Men redeneert dan dat Jacobus een echte Jood is in zijn voor ons onoverzichtelijke wijze van schrijven.
Hoe waar dit ook zou mogen zijn - bijbelschrijvers verloochenen meestal hun afkomst niet - toch is dit geschrift eerder grieks van karakter te noemen. Het is niet alleen in vloeiend grieks geschreven, maar zelfs is gebruik gemaakt van de zogenaamde „diatribestijl" die afkomstig is van filosofische redenaars uit Griekenland. Het is een levendige stijl vol rethorische vragen (2 : 14:5 : 13), scherpe tegenstellingen (1 : 26; 2 : 13; 3 : 15-18) en personifikaties van begrippen (1 : 15; 2:13; 4:1; 5 : 3). Verschillende kommentatoren hebben zich zelfs afgevraagd of deze Jacobus wel zo goed zijn grieks kon beheersen en of het niet beter was een andere Jacobus als schrijver aan te nemen. Modernere onderzoekingen wijzen echter steeds meer uit dat de Joden uit de tijd van de apostelen veelal beter grieks spraken dan aramees.
Terugkomend op het hebreeuwse karakter van de Jaeobusbrief: het is waar dat de schrijver zich dicht bij de Schriften van het Oude Testament houdt Zijn. zijdelinkse aanhalingen zijn talloos. Trouwens ook het Nieuwe Testament schemert overal door, vooral aanhalingen van woorden die de Heere Jezus eens sprak; hoe kon het ook anders. Dikwijls zal hij onder Zijn gehoor zijn geweest Anderzijds is het toch maar moeilijk aan te nemen dat hij zo zonder verband de gemeenten wat voorgehouden heeft, zo hier en daar eens een opmerking over makend.
Nauwkeurige bestudering van de tekst leert dat er te veel is dat in verband staat met elkaar en mischien is er zelfs wel sprake van één thema dat op verscheidene wijzen konkreet wordt
3.2. Behandelde thema's
Neem nu dat eerste hoofdstuk eens. Lees maar mee. Vers 2-4 gaat over verzoekingen, 5-7 over de wijsheid, 8-11 over de rijke die ai vergaan, 12-15 weer over de verzoekingen, 16-18 heeft het over de goede gave en de volmaakte gift en het volgende gedeelte, 19-27 gaat over de daders des woords. Zo op het eerste gezicht een samenraapsel van thema's. Maar een paar dingen zijn opvallend en zullen ons verder brengen. In dit eerste hoofdstuk komen we tweemaal de verzoekingen tegen(2-4 en 12-15) en je vraagt je af waarom dat nog een keer ter sprake moet komen. Welke verzoekingen heeft de „apostel" eigenlijk op het oog? Wat zijn de begeerlijkheden van vers 14 bijvoorbeeld? Meestal wordt dit woord gebruikt om de hebzucht aan te geven (Tit. 2 : 12 en Rom. 13 : 14). Is de rijkdom soms een verzoeking geworden? Is het ook niet opvallend, dat de schrijver zich in vers 16 korrigeert en zegt dat alle goede gave en volmaakte gift van de Vader der lichten komt? Het is alsof hij tegen de rijken wil zeggen dat niet de dingen op zich ons verontreinigen, maar dat wij de rijkdom niet kunnen verdragen (vergl. Matth. 15 : 17-20).
Samenvattend zou je dus denken dat Jacobus in de ontstane gemeenten de rijkdom van sommigen als een verzoeking ziet. Hij waarschuwt dat ze nederig moeten blijven (10); zij mogen wel rijk zijn (17) maar het gaat erom hoe zij zich gedragen tegenover de armen. Laten zij zich oefenen in de godzaligheid want de beproeving werkt lijdzaamheid (3). Zelfs het laatste gedeelte van het eerste hoofdstuk zou ermee in verband kunnen staan; weduwen en wezen moeten ze bezoeken, zij moeten zich onbesmet bewaren van de wereld (27) en hun tong in toom houden (26). Als de rijken zich wat gaan verbeelden en de touwtjes in handen denken te nemen, komen er immers vanzelf problemen.
En hoe zit het met de volgende hoofdstukken? Geven die hetzelfde beeld? Laten we het maar nagaan:
2 : 1-13 niet handelen naar aanzien des persoons (de armen werden verdrukt)
2 : 14-26 geloof zonder de werken is dood (hulp aan armen in 15 en 16)
3 : 1-12 het gebruik van de tong (vergelijk 1:19)
3:13-18 zachtmoedigheid (i.p.v. verbittering tegen elkaar)
4:1-12 onderwerping aan God (zie vers 6)
4:13-17 het leven is onzeker (dus ook rijkdom, vers 13 en 1 : 10)
5 : 1-6 veroordeling van de rijken
5 : 7-20 geduld, gebed, vergeving, eensgezindheid.
Hoe meer je de brief doorleest, hoe meer je opvalt Jacobus is niet zo verward. Hij weet heel goed tegen wie hij het heeft Het lijkt er zelfs opmaar we moeten niet overdrijven en doorslaan
naar de andere kant - dat hij hoofdzakelijk schreef vanwege de onenigheid die er in de jonge gemeente dreigde tussen arm en rijk en dus roept hij op tot nederigheid, vruchten van geloof, eensgezindheid, buigen voor elkaar (5 : 16) en aksepteren (5 : 19).
Wanneer je een titel boven de brief van Jacobus zou moeten zetten dan - zou dat kunnen zijn „nederigheid". Vanuit dat centrale punt laten zich de thema's die telkens terugkeren verstaan.
Het overkoepelende thema is dan dat Gods kinderen niet alleen hoorders van het Woord moeten zijn, maar ook daders. Schematisch kunnen we de thema's als volgt weergeven:
3.2.1. Vermaning van de rijken
De hele brief door krijgen de rijken er goed van langs. Maar op een andere manier dan tegenwoordig aan de linkerkant van de samenleving in is. Nergens lezen we datje niet rijk zou mogen zijn, integendeel. Het gaat erom hoe we met die rijkdom leven. De schatten van de aarde zijn zelfs gaven van God en juist daarom moeten we blijven beseffen dat het gegeven goed is. We behoeven als we rijk zijn geen pretenties te hebben, want we zijn er niets meer door dan een ander (1 : 17-18). Wie dat een beetje beseft, gaat anders tegenover zijn bezittingen staan. Wie beseft dat het maar gegeven goed is en het ten diepste nog steeds de Heere toekomt, geeft gemakkelijker iets weg. Dan zegje niet meen „Gaat heen in vrede, wordt warm, en wordt verzadigd". Nee, dan ga je oplettend door het leven of je niet iemand kunt helpen. Trouwens wat heb je aan veel geld? Je kunt het toch niet meenemen (1:10-11) en laten de rijken dat maar voortdurend beseffen, want het leven is slechts een damp (4 : 13-17). Het gaat immers niet om deze wereld (1:27) en haar genot Wie een vriend van de wereld is, is een vijand van God (4:4). Het zag er niet zo best uit in de gemeenten die Jacobus aanschreef. De rijken mochten bestrijk zijn, maar nietten koste van een ander. Het was ten hemel schreiend wat er gebeurde (5 : 4). Het was pure uitbuiting (5 : 1-6).
3.2.2. Doel van verzoekingen
„Het is goed voor mij verdrukt te zijn geweest", beleed David eens (Ps. 119 : 71). En het is in het algemeen ook waar dat tegenslag mensen goed kan doen, volwassen kan maken. De broeder des Heeren zegt het in onze brief nog sterker. „Grote vreugde, mijn broeders"; met veel nadruk begint hij zijn zin met deze woorden. Het lijkt wat overdreven, maar Jacobus weet heel goed wat hij zegt Uit de praktijk weet hij dat tegenvallers in het natuurlijke en geestelijke leven Gods kinderen veel goed kunnen doen. Het doet hen dieper buigen, afhankelijker leven en hemelser handelen. Ze zitten zo vast in de dingen die van de aarde zijn. Het woord dat Jacobus gebruikt is „lijdzaamheid" (1 : 3-4); in Rom. 2:7 vertaald met „volharding".
Het is niet zo gemakkelijk aan te geven wat dat nu precies is. Het is een nederig onderwerpen aan de Heere, zonder de hoop op te geven. Het is lijdzaam volharden en verwachten. Die lijdzaamheid heeft een zuiverende werking op het hele leven van Gods kinderen. Het moet tot een oprecht leven leiden met de Heere (1 : 4). Die verdrukking kan van alles zijn. Volgens het verband van deze brief moeten we eerst denken aan de armen en de rijken. In 1 : 2-4 lijkt het meer over de armen te gaan en de woordspeling wordt gebruikt dat zij in geen ding gebrekkig zullen zijn als ze de lijdzaamheid beoefenen (1:4). In 1 : 12-15 worden waarschijnlijk meer de rijken bedoeld. Misschien is er ook te denken aan verdrukking van buiten af. Zij zijn immers de twaalf stammen in de verstrooiing.
Verdrukking is niet gemakkelijk te dragen. Vele vragen kunnen er in je opkomen. „Waarom moet dat nu zo en waarom moet mij dat nu net gebeuren? " Jacobus weet daar ook van en hij heeft geen goedkope antwoorden. Troostvol en met pastorale bewogenheid laat hij er op volgen dat wie wijsheid ontbreekt, hij die van God mag begeren, Die een ieder mildelijk geeft en niet verwijt. Maar dan wel begeren in lijdzaamheid, niet in wrok en opstand (1 : 5-7).
En laat de rijken niet denken dat ze de schuld opde Heere kunnen schuiven; zo van „wij hebben onszelf toch niet rijk gemaakt en als het dan zo moeilijk is voor een rijke om het Koninkrijk der hemelen in te gaan (Matth. 19 : 24), waarom zijn wij dan rijk geworden? " Nee, de Heere bedoelde het goed, maar het kwaad komt van binnenuit Een mens wordt door zijn eigen wereldsgezindheid van God afgetrokken. Zalig is echter hij die de verzoeking weet te verdragen. Hij zal de kroon des levens ontvangen. En dan ben je pas echt rijk !
3.2.3. Geen aanzien des persoons
De verschillen tussen rijk en arm spelen nu niet m*; er zoals vroeger. Maar je kunt hier en daar neg steeds van die clan-vorming tegenkomen, mensen die het voorspoedig is gegaan in de wereld, zakenmensen en anderen die meer verstandelijke vermogens hadden dan een ander, vormen groepjes die, misschien niet opzettelijk, neerzien op het gewone volk. In de gemeenten die Jacobus schreef, was dat helemaal sterk. Je had eerste-en tweederangs christenen. De rijkere, met eer en aanzien kreeg een stoel vooraan en de armen moesten maar gaan staan of ergens op de grond gaan zitten achteraan. Fel trekt Jacobus van leer tegen deze goddeloze praktijken. Een arm kind des Heeren is toch veel rijker bovendien dan een rijk mens van de wereld (2 : 1-13).
3.2.4. Geen twist met de tong
Als je denkt boven een ander te staan (3:1) maak je je snel schuldig aan lasterpraat en twist. En nadat het de ander ter ore is gekomen, wordt zijn mond ook wel opengemaakt. Wat kunnen mensen elkaar toch pijn doen, zelfs in de christelijke gemeente. De tong is bijna niet te temmen (3 : 1-10). Het spreekwoord „spreken is zilver en zwijgen is goud" is nog niet zo onbijbels (1:19). Waren we wat zachtmoediger - als het goed is een kenmerk van Gods kinderen - dan bliezen we niet meer zo hoog van de toren. Dan zou de een de ander uitnemender achten dan zichzelf (Fil. 2 : 3). Waar bittere nijd en twist ontstaat is de duivel aanwezig (3 : 15). Waar de wijsheid van Boven is, wordt de vrede gezaaid (3 : 18). Het geestelijke leven kan er zelfs onder gaan lijden en het gebed kan worden verhinderd (4 : 3). Jacobus schrijft er zoveel over dat het toch wel heel erg geweest moet zijn (1 : 19-21; 3 : 1-18 en 4 : 1-12).
3.2.5. Geduld en gebed
De toekomst des Heeren genaakt(5 : 8). Als we daar wat meer besef van hadden - zo betoogt Jacobus - dan zag ons leven er anders uit Dan werd het getekend door geduld en gebed, verdraagzaamheid en onderwerping (5 : 7-11). Als we beseffen dat de Rechter voor de deur staat (5 : 9) hebben we geen behoefte meer aan twist en nijd. Daarom roept de apostel op tot een leven van verdraagzaamheid. Wij moeten onze misdaden voro elkaar durven belijden (5 : 16) en voor elkaar bidden (5 : 16). Als dat in het gemeenteleven wordt gevonden, behouden we elkaar, dan zal dat te merken zijn. Dan worden er nog mensen bekeerd (5 : 20). Niet uit verdienste, maar omdat de Heere de middelen wil zegenen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 oktober 1982
Daniel | 28 Pagina's