UITVERKIEZING: REDEN VAN TROOST OF SCHRIK?
Of er een uitverkiezing is behoef ik niet te argumenteren. Dat deze er is heeft onder ons volkomen zekerheid.
Zeker is ook dat er veel onbijbelse denkbeelden en beschouwingen over de uitverkiezing zijn. De kern daarvan is meestal: als je niet uitverkoren bent dan helpt feitelijk al je bidden, bijbellezen en kerkgaan niets. En. ben je wel uitverkoren dan. kom je er zeker of je nu in de disko of in de kerk zit.
In ons (zondig) denken over de uitverkiezing ontkom je daar gewoon niet aan. En we maken ons helemaal niet aan overdrijving schuldig wanneer we beweren dat het een hoofdwapen uit. het arsenaal van de duivel is.
De duivel vuurt bij voorkeur dit wapen op jonge mensen af door de leer van de uitverkiezing als een „noodlotsleer" voor te stellen.
De satan, in samenspel met ons boze en verdorven hart, stimuleert onze gedachten dat God een hardl en liefdeloos tiran is. Want zegt hij, al zijn we nog zo gewillig om bekeerd te worden — ontzettende misleiding — dan staat de uitverkiezing ons in de weg als een slagboom bij de douane, waar we voor moeten blijven staan!
En dan vragen we aan elkaar: moeten we zó de uitverkiezing in het licht van Gods Woord zien? Is het bijbels dat de Heere ons als het ware de voet dwars zet met de uitverkiezing of ligt de zaak radikaal anders?
Dan kunnen en mogen we zonder voorbehoud zeggen: ja, Gode zij dank, het ligt geheel anders. De uitverkiezing is gegrond en verankerd in de vrijmachtige liefde Gods. En uit grondeloze barmhartigheid (laat dat goed tot ons doordringen) heeft de Drieënige God zondaren verkoren tot de zaligheid.
Zou er zonder uitverkiezing één zondaar zalig worden? Nee, en nog eens nee: niet één van het hele menselijke geslacht. Bij ons : is en blijft het: „Wijk van ons want aan de kennis Uwer wegen hebben wij geen lust". En dat blijft bij ons zo: punt. Uit!
Maar! God die rijk is in barmhartigheid heeft! in Zijn weergaloze ontferming zondaren verkoren die Hij, niettegenstaande hun godsverwerping en vijandschap, zalig zal maken. Om dat mogelijk te maken — vergeet het toch niet — moest het kostbaar bloed van het Lam vergoten worden!
Doe de schoenen bij deze 'gedachte maar van de voeten. Met diepe en grote eerbied gezegd: hoger prijs kon God niet betalen; Hij heeft —< o diepte des rijkdoms — Zijn enige geliefde Zoon daarvoor gegeven en geofferd.
In dit licht bezien moeten we ons wel diep schamen om te twijfelen aan Zijn goddelijke liefde en Hem: te verdenken dat Hij ons verderf in plaats van ons behoud zoekt.
Maar och nee, nu eens geen maars: de God der heerlijkheid is aan ons — diep gevallen zondaren — geen verantwoording schuldig en niets verplicht. Wij zijn Majesteitsschenders en verdienen rechtens! : de dood!
Maar ja, vraag dan maar: waarom heeft God een bepaald aantal verkoren?
Dat weten we niet. Dat blijft het geheimenis van God. Hij heeft ze lief gehad. Waarom? Omdat het Hem gelust heeft. Waren ze soms beter? Nee, want bij God is geen aanneming des persoons.
Wat dan? Nederig knielen. Ootmoedig buigen onder de majesteit des Heeren. En was God niet vrij Zijn eigen Bruidsgemeente te verkiezen?
En verder worde diep in ons hart gegrift: „Maar toch o (zondig) mens, wie zijt gij, die tegen God antworodt? "
Zonder uitverkiezing is er geen behoudenis en zaligheid denkbaar. Juist omdat er een-uitverkiezing is komt tot ons de liefelijke boodschap uit, Zijn Woord en in de prediking: „Laat u met God verzoenen" en: „Die (zonder beperking) tot Mij komt zal Ik geenszins uitwerpen".
't Was ons niet mogelijk om met één „Over en Weer" dit belangrijke onderwerp af te sluiten. D.V. de volgende keer nog iets hierover.
C. A. Lanser
Verslag van een sfudetitenbijeenkomst
Voorafgegaan door een informatieve bijeenkomst voor eerstejaarsstudenten, die door middel van het deputaatschap voor studerenden en enkele studenten een indruk konden opdoen van het in de diverse universiteitssteden en op landelijk nivo opgezette studenten werk, vond op een relatief zonnige vrijdag, de laatste in augustus, de halfjaarlijkse landelijke vergadering van het studerende deel der Gereformeerde Gemeenten te Utrecht plaats. Ds. M. Golverdingen hield een lezing over „het geweten als norm of als getuige". Het deputaatschap was nagenoeg voltallig aanwezig. Ook de studenten hadden massaal gehoor gegeven aan de aan hun adres 'gerichte opwekkingen om bovengenoemde lezing te komen beluisteren.
Het geweten als norm of getuige
„Het geweten", aldus ds. Golverdingen, „mag zich verheugen in een toenemende belangstelling, vooral van ontwikkelingspsychologische zijde. Deze toename valt te verklaren vanuit, het zich in onze tijd ten volle ontplooiende Verlichtingsdenken, dat alle bestaande normen en autoriteiten afwijst. Van de zo gekreëerde autonomie van de mens, waardoor deze op zichzelf wordt teruggeworpen, vormt het existentialisme mede de achtergrond. Deze filosofische stroming stelt het geweten centraal. Zij omschrijft het geweten als het kompas van het, kunnen en het willen, de meest essentiële, noodzakelijk te verwezenlijken elementen van het mens-zijn. Het geweten geeft de richting aan die door zijn bezitter moet worden gevolgd.
De funktie van liet geweten
Deze stellingname roept de vraag op naar de funktie van het geweten. Beoogt het een onafhankelijke interne norm dan wel een getuige, afhankelijk van een externe norm te zijn? Voor het eerste standpunt wordt gekozen door de voorstanders van de autonome moraal, maar bijvoorbeeld ook door ons als we „toch zelf wel uitmaken wat we doen", of als we het geweten vereenzelvigen met het gevoel.
Aan de hand van het latijnse woord voor geweten: on-.scientia — medeweten — moet echter gekozen worden voor de tweede funktie, die van getuige. Het griekse grondwoord, zoals gebruikt in het N.T., meestal in de betekenis „zich van eigen schuld bewust zijn", wijst daar ook op, bijvoorbeeld in Rom. 2 : 14 en 15 waar Paulus het heeft over de ingeschapen Godskennis: Want wanneer de heidenen, die de wet niet hebben, van nature de dingen doen, die der wet zijn, dezen, de wet niet hebbende, zijn zichzelf een wet; als die betonen het werk der wet geschreven in hun harten, hun geweten medegetuigende, en de gedachten onder elkaar hen beschuldigende, of ook ontschuldigende". Deze en andere teksten leren ons allereerst dat alle mensen een geweten hebben. Verder blijkt dat de funktie van het geweten medegetuigenis geven. is. Vooral is dat duidelijk uit de gewetens-teksten uit het N.T., maar hetzelfde is ook in het O.T. te vinden, hoewel iets minder gemakkelijk omdat het woord geweten daar nergens vermeld wordt. De zaak echter wel, zoals bijvoorbeeld in 1 Sam. 25 : 31. Tenslotte wordt ook uitgewezen dat het geweten een afzonderlijk ingeschapen funqtie is; een afzonderlijk ingeschapen funktie is; Brakel het kwalificeerde, een onderdeel van het kenvermogen.
Waarschijnlijk funktioneerde het geweten al in het paradijs, als getuige, terwijl het door de zondeval zijn aanklagende funktie verkreeg.
Het geweten kan zo omschreven worden als de drang tot zelfbeoordeling in de zondaar. Twee bijbelse noties dienen hierbij nog aangetekend te worden.
Allereerst, dat de mens in deze drang tot zelfbeoordeling kan dwalen (zie bijvoorbeeld Joh. 16 : 2) en ten tweede dat niet alleen van een aanklagend geweten wordt gesproken, maar ook van een goed, een rein geweten, dat een ander getuigenis geeft, namelijk dat van de Heilige Geest (zie bijvoorbeeld Rom. 9 : 1, 1 Tim. 3 : 9 en H.C. Zondag 12).
Samenvattend kan worden gezegd dat de Bijbel het geweten geen autonomie toekent, maar het ziet als een psychische funktie die de mens dwingt zich rekenschap te geven van zijn daden, naar normen die hij als gezaghebbend ervaart.
De inhoud van het geweten
We zagen dat het geweten erkent dat er goed en kwaad is. Maar hoe weet het wat goed en kwaad is? Naar welke norm richt het geweten zich?
De kennis van de norm is uit de Bijbel of uit ingeschapen Godskennis. Doordat echter een grote mate van onzuiverheid inherent is aan de ingeschapen Godskennis, en zelfs onder de bijbelbezitters verschil in verstaan voorkomt, treden vaak grote diskrepanties op in gewetensinhoud tussen verschillende mensen of groepen. Van het zendingsterrein is bekend dat sommige heidenen het koppensnellen als een legale aktiviteit waarderen, hoewel ze daarentegen overspel streng straffen. Bij bepaalde zigeunerstammen wordt stelen geprezen, maar wordt men gestraft als men door de politie is betrapt. Zijn bij de Gereformeerde Gemeenten zondagse kerkgang en openbaar vervoer nagenoeg volstrekt onverenigbaar, bij de Strict Baptists, een sterk verwante kerk uit Zuid-Engeland, begeeft men zich wel per bus ter kerke.
Uit bovenstaande gegevens kan gekonkludeerd worden dat de inhoud van het geweten voorai door opvoeding en vorming wordt aangebracht. Het is dan ook het centrale probleem in de opvoeding kinderen te ; leiden tot een theonoom geweten. De normen hiertoe moeten worden aangevoerd door Gods Wet, geleid door Gods Geest. Geweten, Wet en Heilige Geest zijn bovendien ten nauwste verbonden bij de bekering.
Opvoeding en gewetensvorming
Bij de opvoeding van het jonge kind is Spr. 22 : 6 de sleuteltekst: Leer de jongen de eerste beginselen naar de eis zijns wegs; als hij ook oud zal geworden zijn, zal hij daarvan niet afwijken". Het grootste gedeelte van dit leerproces zal thuis moeten plaatsvinden, door het kind persoonlijk liefdevol de wet te lezen, zodat het, kind zich gaat vereenzelvigen met de normen van de ouders. Hierbij dient wel de wetenschap in het achterhoofd te worden bewaard, dat kinderen de gewetensovertreding vaak anders ervaren dan volwassenen.
Als zo, vol liefde voor God(s dienst), eventueel vanuit het eigen gemis, maar niet in wettische ijver, wordt opgevoed, zal het gezin geen invalspoort voor sekularisatie meer zijn.
In verband met de vorming van: het geweten van de jonge mens is het raadzaam dat hij zich niet zonder meer stort in het moderne denken, maar dat hij eerst twee andere taken waarneemt.
Ten eerste moet hij zich het gereformeerde belijden eigen maken; ten tweede moet hij in de konfrontatie met de wetenschap allereerst naar de vooronderstellingen van de diverse gedachtengangen vragen. Hij moet een kuituurkritische houding aannemen in plaats van assimilatie aan de omringende samenleving voor te staan".
Aldus ds. Golverdingen, die tenslotte met enkele toepasselijke kanttekeningen bij het gezegde van Paulus tot Felix uit Hand. 24: „ En hierin oefen ik mijzelf, om altijd een onergerlijk geweten tQ hebben bij God en de mensen" zijn lezing besloot.
Gewetens-vragen
Aansluitend op deze lezing werd het gehoor in de gelegenheid gesteld gewetens-vragen voor te leggen aan de heren deputaten, waarop ds. Golverdingen iets zou proberen te antwoorden.
Een van de gestelde vragen ging over de funktionering van het gesekulariseerde geweten. (Hoe) funktioneert dat geweten? Ds. Golverdingens standpunt, verwoordt in zijn antwoord, was dat het geweten van elke willekeurige' mens funktioneert, hoewel de norm ten overstaan waarvan het funktioneert, kan verschillen. Deze stellingname leidde bij hem in eerste instantie tot een gewetenskonflikt, omdat in 1 Tim. 4 : 1 en 2 staat: Doch de Geest zegt duidelijk dat in de laatste tijden sommigen zullen afvallen van het geloof hebbende hun eigen geweten als met een brandijzer toegeschroeid". „Vanuit de grondtekst kan echter ook zeer wel gelezen worden", aldus ds. Golverdingen, „dat hun gewetens een brandmerk kregen opgedrukt zo vaak als ze ermee in konflikt traden. Het brandmerken was een in die tijd algemeen bekende en gehanteerde, pijnlijke straf methode".
Na behandeling van deze en soortgelijke vragen werd de vergadering besloten en ging de samenkomst uiteen.
Mart van de Kamp
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 september 1982
Daniel | 28 Pagina's