JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

STUDEREN : VERZOEKING OF OPDRACHT?

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

STUDEREN : VERZOEKING OF OPDRACHT?

4 minuten leestijd

Studeren is een gevaarlijke bezigheid. Nu doel ik met studeren in het bijzonder: student worden, en een akademische studie aanvangen. Dat dit een gevaarlijke zaak is, heeft ons de praktijk op schrijnende wijze geleerd. Er zal wel geen predikant zijn, die uit zijn gemeente niet een voorbeeld noemen kan van een jongen of meisje, die na de aanvang van een akade-mische studie een volkomen gedaanteverwisseling onderging, inwendig en vaak ook uitwendig. Vaak vindt bij zulke jonge mensen een totale vervreemding plaats van het van huisuit meegekregene, dikwijls ook van Gods Woord en dienst en van onze gemeenten. Kerkelijk wordt men soms „nihilist", men „doet nergens meer aan', waarbij men soms een rancune tegen de kerkelijke achtergrond doet blijken die men het leven lang niet meer verliest. Soms blijft mÊfëi kerken, maar zoekt een kerkgenootschap waar wedergeboorte niet meer noodzakelijk schijnt en de gehele levensstijl wat vrijer kan zijn dan men het gewoon was.

Is dit een te somber beeld? Zeker, er zijn ook andere jonge mensen. Zij bleven bewaard voor ontwikkelingen, zoals wij die boven schetsten, en bekleden als akademisch geschoolden vaak een waardevolle plaats in het geheel van onze gemeenten. Wij zouden het sombere beeld dat zoeven getekend werd., nog meer kunnen relativeren: ook bij andere kerkgenootschappen komen dergelijke ontwikkelingen voor; niet alleen bij een akademische studie, maar in zoveel andere se kt oren van het maatschappelijk leven „ontsporen" velen van onze jonge mensen, enzovoorts.

Maar toch . . . Vergissen wij ons, als wij de indruk hebben, dat juist onder de studerenden zoveel klappen vallen? Het is te vrezen van niet. Juist vanuit de grote zorg om deze ontwikkelingen is destijds door onze Generale Synode het deputaatschap voor studerenden opgericht. Niemand is namelijk gebaat bij het louter signaleren van een en ander, maar onze studerende jonge mensen hebben onze begeleiding, ons gebed en onze aandacht dubbel nodig, zoals ook onze militairen en onze verpleegkundigen die nodig hebben. En dan nog dit: het grote aantal jonge mensen, dat tijdens de studie „schipbreuk" lijdt op geestelijk en kerkelijk gebied, zal ons

niet zozeer met de beschuldigende vinger naar hén moeten doen wijzen, maar zal ons moeten nopen tot zelfonderzoek. Waar liggen de oorzaken? Is het alleen een los in de schoenen staan bij vele jongeren, een zucht naar een vrij leven buiten God, een teken van de grote afval, die komen gaat, een bewijs van verkeerde vriendschappen, een teken van de gevaarlijke indoktrinerende en relativerende invloed, die van heel het akademisch gebeuren uitgaat? Of past het ons, de hand in eigen boezem te steken? Ligt er ook niet een brok schuld en nalatigheid bij óns: ambtsdragers, ouders, leerkrachten, gemeenteleden? Spraken wij wel genoeg mei dez.e kinderen?

Was ons kontakt met hen nauw genoeg om een dreigende verkeerde ontwikkeling tijdig te signaleren? Baden wij genoeg voor hen? Vermocht ons leven hen jaloers te maken, of is geheel onze godsdienst sleur en traditie geworden? Kénden wij wel genoeg de verleidingen van de wereld, waarin zij kwamen, toen zij gingen studeren?

Eén vraag keert telkens weer terug. Zij wordt gesteld door ouders, door docenten aan het middelbaar onderwijs, door catecheten, door ambtsdragers, soms ook wel door onze jonge mensen zelf: Het is de vraag: studeren, kan en mag dat nog?

Waar zovelen schipbreuk lijden in deze wereld, mogen wij onze kinderen, onszelf er dan nog in begeven? En anderzijds: mogen wij onze talenten, door God ons toebetrouwd, dan begraven?

Het leek ons goed, dez.e vragen eens voor ie leggen aan een aantal personen, die óf door hun vooropleiding, óf door hun huidige werkkring terzake kundig moeten worden geacht. De door ons ontvangen reakties zijn opgenomen in dit katern voor onze studerenden. Ze zijn afkomstig van dr. A. Boogaard (ambtsdrager van onze gemeente in Boskoop), de heer I. de Jager (plaatsvervangend rector aan de Van Lodensteinscholengemeenschap en ambtsdrager van onz.e gemeente te Scherpenzeel), ds. H. Paul (predikant van onze gemeente te Vlissingen) en van ds. C. Vogelaar (predikant van onze gemeente ie Benthuizen). Alle genoemde personen zijn lid van het deputaatschap voor studerenden.

Aan het eind van dit katern staat een overzicht van de studentenkringen, die ook in het komende jaar, zo de Heere wil. en wij leven, in de verschillende universiteitsplaatsen gehouden zullen worden, mét de namen van de mentoren, die van de zijde van ons deputaatschap aan elke kring zijn toegevoegd.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 augustus 1982

Daniel | 28 Pagina's

STUDEREN : VERZOEKING OF OPDRACHT?

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 augustus 1982

Daniel | 28 Pagina's