NIET DOOR KRACHT, NOCH DOOR GEWELD
BONDSDAGVERHAAL DEEL II
„Ik ben de Heus", begint vader, „en u kunt zich misschien wel enigszins voorstellen wat er in mij omging toen ik u in mijn weiland zag. Ik verzoek u vriendelijk het zo spoedig mogelijk te verlaten. U brengt grote, ja misschien wel onherstelbare schade toe aan het gras. Dat is erg, maar dat u Gods dag zo ontheiligt is duizendmaal erger. God laat niet met Zich spotten. Hij is hei " Hier kan meneer de Heus niet verder. Een fluitconcert breekt los, een hels geschreeuw en gejoel. Een jongen met kortgeknipte roodgeverfde haren braakt de grootste vloeken en godslasteringen uit door een oude scheepsroeper. Graspollen en aardkluiten vliegen door de lucht.
„Kom naar binnen joh", zegt de agent tegen Wouter, „straks krijg je nog een kluit tegen je hoofd."
Hij heeft nog maar net het portier dichtgedaan of met een dreun vliegt er een stuk hout tegen de ruit. Wouter wordt wat bleek om zijn neus, ook vader is niet op zijn gemak.
„Kogelvrij glas", stelt de agent hen gerust.
„Hop, hop, hop, kerncentrale stóp!" schreeuwt de menigte op het weiland. „Kunnen we van een andere kant op uw weiland komen? " vraagt de agent aan vader.
Deze schudt het hoofd. „Nee vanaf de weg is de enige manier, tenminste met de auto. Lopend kan altijd."
De politieman neemt de hoorn van de haak van het telefoontoestel dat naast de mikrofoon hangt en draait een nummer. Hij vraagt om versterking.
„Ik breng u even thuis meneer."
Vader maakt bezwaar, maar de agent wuift het weg. „Beter zo mene.er en eh ... als u assistentie nodig hebt, je weet maar nooit, draait u dan dit nummer."
Och schonk Gij mij de hulp van Uwe Geest
Het wordt een vreemde zondag. Ze kunnen niet naar de kerk, de invalswegen naar het dorp zijn afgesloten, er kan niemand in of uit. Vader leest een preek en zet 's middags een bandje op. In bed laat Wouter alle gebeurtenissen van deze onvergetelijke pinksterdag nog eens aan zich voorbijgaan. Na de koffie was hij naar zijn kamer gegaan. Er was weinig te zien, het weiland was ontruimd. Samen zijn ze een halfuurtje later gaan kijken. Wouter balt zijn vuisten als hij er aan denkt. Hij ziet vader weer staan, de handen op de rug, het hoofd, gebogen.
„Jongen, als de I-Ieere me niet tegenhield dan zou ik net als vanmorgen die jongen met zijn geverfde haren, de lelijkste dingen van God zeggen. Heb je al voor die jongen gebeden Wouter? Of heb je hem in je hart verwenst? Dat laatste kan ik me heel goed voorstellen." Het weiland was totaal vernield. I-Iet hek was verdwenen. Stukgeslagen bierflesjes, half in de grond getrapte blikjes, kapot gebroken stokken, één grote troep was het.
„We zullen bij leven en welzijn weer opnieuw moeten inzaaien Wouter", was alles wat vader zei toen ze terugliepen. Na het eten was moeder een poosje naar bed gegaan. Vader en hij waren in de boomgaard 'gaan zitten, 't Was erg warm geworden. Er was geen - zuchtje wind. Om vier uur hadden ze samen de koeien gemolken.
Af en toe reed er een politiebus je voorbij, één keer een overvalwagen. De chauffeur stak zijn hand op. 't Was de agent van vanmorgen.
Een uurtje later hadden ze met z'n drietjes naar het bandje geluisterd. Een pinksterpreek van vorig jaar.
Als Wouter zo ver is in zijn gedachten, wordt hij wat onrustig. Veel van wat de predikant zei is langs hem heengegaan. De warmte, de anti-kerndemonstratie, het weiland, de jongen met dat vreemde haar en zijn rauwe stem, dat alles vervulde hem meer dan de woorden van de dominee.
„Niet door kracht, noch door geweld maar door Gods Geest zal het geschieden." Die woorden troffen hem, hielden een ogenblik zijn aandacht gevangen. „Zo stil en haast onmerkbaar als het zaad in de akker valt en in de aarde ontkiemt, zo stil en voor de buitenwacht vaak onmerkbaar, werkt ook Gods Geest. Elia verwachtte de Heere in een storm, in een onweer, in een aardbeving, maar God kwam in het suizen van een zachte stilte. Wij zeggen misschien: Greep God nu maar eens in, liet Hij al die krakers, die betogers en demonstranten maar eens zien Wie Hij is. Toonde Hij nu eens heel duidelijk dat Hij regeert, dat Reagan het niet voor het zeggen heeft, dat Ru'sland de baas niet is. Misschien", zo ging de predikant verder, „moet er nog een jongen ofi meisje, een man of een vrouw die nu nog voorop loopt bij een anti-kerndemonstratie of samen met vrienden en vriendinnen Gods Naam vloekt en lastert, bekeerd worden. Niet door kracht, noch door 'geweld, maar door Gods Geest. Daar zou u, zou jij wel eens voor gebruikt kunnen worden.
Hoe? Door niet terug te schelden als je gescholden wordt, door niet boos te worden als je onrecht wordt aangedaan. Dat is moeilijk, dat is onmogelijk zelfs. En toch kan het. Hoe? Daar gaan we samen van zingen: „Och schonk Gij mij de hulp van Uwen Geest."
Wouter houdt het in bed niet langer uit. Hij gaat voor het wijd opengezette raam staan. „Heb jij al voor hem gebeden Wouter? Of heb je hem verwenst? " Hij kijkt in de richting van het weiland. Daar stond die jongen die zo vloekte. Maar is er eigenlijk wel zo veel verschil tussen hem en die jongen? „Schoften, smeerlappen!" Stil vouwt Wouter zijn handen. In de verte weerlicht het, zacht rommelt de donder. Er is een bui op komst
Dat is blijven haken
Op het rekreatieterrein dreunt de muziek al is het bijna middernacht. Daar genieten honderden mensen van de meest smerige en godslasterlijke f; ilms. Daar zijn de leiders van de Anti Kern Beweging en de Breek Atoomketen Nederland koortsachtig bezig hun planning te herzien. Van de blokkade, laat staan de terreinbezetting is niets terecht gekomen. Hermetisch waren de toegangswegen tot de centrale afgesloten. De zo groots opgezette demonstratie dreigt uit de hand te lopen door rgroepen jongelui wie het alleen om relschoppen t, e doen is. Het incident op het weiland van de Heus is dankzij het rustige optreden van de ME bij een incident gebleven. Enkelen van de grootste herrieschoppers zijn in een busje afgevoerd. Maar er broeit wat, niet alleen in de: natuur, maar ook onder de mensenmenigte op het rekreatieveld. In de informatietent staat een groepje druk te praten. Een jongen met kortgeknipt vuurrood geverfd haar heeft de grootste mond.
„Ik vind, dat we die vrome vent vannacht eens een bezoekje moeten brengen", schreeuwt hij. „We zullen dan eens wat meer in elkaar trappen dan z'n graslandje alleen."
Hij krijgt veel bijval.
Wat achteraf, buiten de lichtkring van de lamp die aan een ijzeren stang is opgehangen, staat een man die in z'n geruite overhemd en lichte linnen broek wat uit de toon valt bij de groep alternatief geklede jongelui rondom de schreeuwer met z'n geverfd hoofd. Hij weet goed over wie ze het hebben. Als ze er heen gaan, gaat hij mee. In 't donker en te midden van een hechte groep zal niemand hem herkennen. „U hebt zeker een gratis hypotheek op uw huis, omdat uw vrouw bij de Amrobank werkt." Dat is blijven haken, die opmerking uit de mond van een snotneus van 14 jaar heeft haat gezaaid in het hart van Dirk Paans, leraar aardrijkskunde en maatschappijleer.
Vijandschap
De bui komt langzaam naderbij. Zonder tussenpozen bijna, flikkert het licht en rommelt zacht de donder. Dwars door het land, zoveel mogelijk door de boomgaarden heen, nadert een groep van een vijftig, zestig mensen. Als de bliksem wat al te fel is, staan ze even st.il, maar verder trekken ze zich van het naderende onweer niet veel aan. Spottende opmerkingen over en weer vliegen door de lucht. Dat God Zijn stem laat horen in de donder en Zijn Almacht toont in de bliksem, komt niet in hen op. Dat één lichtstraal hen allen in een enkele sekonde kan doden, tellen ze niet, geloven ze niet ook. Ze hebben maar één doel voor ogen: het huis van die vrome kwezel, van die boer die hen vertelde dat er een God is. Was hij nou maar goed kwaad geworden, dan hadden ze nog eens flink kunnen lachen, maar nu. Felle vijandschap laait in hen op. Ze zullen hem.
Het onweer
„Wouter, kom er uit jongen, 't wordt noodweer."
Mevrouw de Heus schudt haar zoon aan z'n arm. Ze heeft het raam, dat wagenwijd openstond, snel dicht gedaan. Een felle bliksemstraal met daarop een knetterende slag doet haar ineenkrimpen van angst.
„Wouter toch!" „Hè, wat...? "
Een blauwachtig licht, een dreunende klap. Wouter is ineens klaar wakker. Hij grist zijn kleren van de stoel naast het bed en haast zich achter moeder aan naar beneden. In de woonkeuken kleedt hij zich snel aan. Ineke zit in haar wandelwagentje niet begrijpend rond te kijken. Ze knijpt haar oogjes dicht bij iedere slag; . Wouter knielt bij haar neer. „Nee Wouter, ik zorg wel voor Ineke, ga jij vader maar helpen, hij is in de schuur."
Moeder legt wat extra kleding bij elkaar. Ze pakt het geldkistje, waarin de papieren van het huis en het land worden bewaard. Ze pakt het fotoalbum uit de boekenkast en stopt die achter Inekes rug in het wagentje. Je kunt nooit weten wat er gebeurt. Even - gaat het door haar heen: foto's wat heb je er aan, maar een nieuwe 'slag doet haar ineen krimpen, Als je nou toch in een tent zit! In een flits ziet ze het grote tentenkamp voor zich. Maar ook dat beeld wordt weggevaagd door een sissende bliksemflits. De slag die daarop volgt, doet het grote huis trillen op zijn fundamenten. Moeders hart dreigt stil te staan. Ze hurkt bij de huilende Ineke neer en slaat haar armen om de kleine meid heen als om haar te beschermen tegen het natuurgeweld. Een bleke Wouter en een stille meneer de Heus komen de keuken binnen.
„De bui kan niet over de rivier heen, vrouw, ik ben bang dat..."
Een hel blauw licht, een dreunende slag en dan o gelukkig, het geluid van een neerplenzende regen.
„Goddank", zucht vader uit de grond van zijn hart, , „nu denk ik dat we het ergste gehad hebben."
Wouter is op een stoof naast het wandelwagentje gaan zitten. „Niet door kracht, noch door geweld, niet door kracht, noch door geweld", dreunt het door hem heen. En voor zijn geest komt. een moedeloze Elia, die de Heere verwachtte in het geweld van een onweer. Maar hij wachtte tevergeefs.. Het suizen van een zachte stilte. Door Mijn Geest zal het geschieden. Er begint vanbinnen iets te zingen in Wouter. Kan dat? Na zo'n geweld een zachte stilte? Zou de Heere dat bij hem ook willen doen? Iiij buigt zijn hoofd en vouwt zijn handen. „Heere, niet. door kracht, noch door geweld. Als 't U belieft wilt U mij bekeren en die jongen die zo vloekte ook, en..." „Wouter, hoor jij ook stemmen buiten? " Verschrikt kijkt Wouter op. Onweert het niet meer? Is de bui over? Daar heeft hij niets van gemerkt. Een lichtflits en een zich verwijderend gerommel vertelt hem dat de bui nog niet voorbij is. „Luister eens, jongen."
Ja, er klinken stemmen opzij van huis. Vader gaat naar de voordeur. „Is daar iemand? " roept hij. het
En dan klinkt er door de neersuizende regen een voor Wouter welbekende stem: „Ja, meneer De Heus, wij zijn door het onweer overvallen, Mogen wij bij u schuilen? "
Niet door kracht, noch door geweld
Het, is drie weken later, 't Is 'stil in 3b, de klas van Wouter de Heus. Meneer Paans is weer beter, het is zijn eerste les na de pinkstervakantie. De jongens en meisjes hangen aan zijn lippen.
„ en zo is het 'gegaan, jongens. Het onweer sloeg ons uit elkaar. Met een groepje van vijf mensen bereikte ik het huis van meneer De Heus. Hij gaf ons alles wat we nodig hadden en verweet niemand iets. En toch waren er vier bij die meegedaan hadden om zijn weiland grondig te vernielen. Die nacht vergeet ik mijn hele leven niet. Niet het noodweer bracht me tot nadenken. Welnee, ik was niet bang of onder de indruk van het natuurgeweld. Nee, jongens het was de houding van Wouters vader, zijn eerbied voor God, zijn-liefde tot zijn naaste, ook, ja zelfs tot de jongen die zo vloekte. Niets kreeg me op de knieën jongelui, geen onweer, geen regenbui waarin we bijna verdronken. Ik weet het nu, 't was Gods Geest Die dat. deed, die Pink'stergeest Die niet te weerstaan is, D: ie ook mij overtuigde van mijn zonden. Nee niet door kracht, noch door geweld, maar door Gods Geest zal het geschieden."
Stil, heel stil blijft het na deze woorden. Daar gaat de bel. Meneer Paans vouwt zijn handen. „We zullen danken, jongens."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 augustus 1982
Daniel | 28 Pagina's