EEN VREEMDELING MIJN NAASTE ?
Een enorme wachtkamer in een groot ziekenhuis in de stad. Ik behoor tot een van de vele wachtenden. Tientallen mensen bijeen in een vrijwel gelijke situatie. Ik observeer m'n lotgenoten. Het is een bont gezelschap. Er zijn verschillende nationaliteiten vertegenwoordigd. Naast landgenoten zie ik Turken, Marokkanen, Italianen., Grieken, Spanjaarden, Indiërs en Surinamers.
Niet ver van me af zie ik twee mannen en een kind, Marokkanen. Kennelijk een grootvader met zoon en kleinzoon. Het geeft enigszins weer de familieband, die bij sommige volken erg sterk is.
Een jonge man en vrouw komen binnen, zij erg nerveus. Ze zoeken in de overvolle ruimte een plekje om te zitten. Hier en daar is nog wel een plaatsje vrij, maar ze kunnen niet bij elkaar zitten. Besluiteloos blijven ze staan. Daar staat iemand op. Het is de marokkaanse grootvader. Hij zegt wat tegen z'n zoon. Die staat ook op. De oude gaat naar de jonge mensen toe en biedt ze vriendelijk de zitplaatsen aan, van welk aanbod ze duidelijk dankbaar gebruik maken.
Ik moest aan dit voorvalletje denken toen ik over dit artikel nadacht. Zouden wij in het omgekeerde geval ook zo gedaan hebben?
Het is maar een simpele gebeurtenis, d; ie echter toch tot nadenken stemt. Want hoe vaak laten wij in ons land niet blijken dat we verschillende buitenlanders in feite alleen maar dulden. En waarom toch? Voelen wij onszelf superieur?
Gastarbeiders
In ons land, zoals vrijwel in geheel West-Europa, wonen en werken veel vreemdelingen. In Nederland ongeveer 600.000. Velen daarvan zijn wat we tegenwoordig noemen „gastarbeiders".
De meesten van hen zijn hier gekomen in een tijd dat onze ekonomie in opgaande lijn was. We hadden ze nodig. In onze welvaartsstaat kwam steeds meer afkeer van „minderwaardig" werk.
We hebben boen aktief arbeidskrachten geworven in landen als Turkije, Marokko enz. Er gingen personeelswerkers heen om in die landen zelf personeel aan te nemen. Als een gastarbeider met verlof ging en hij zag kans een familielid of vriend mee naar Holland te krijgen dan kreeg hij daarvoor een premie. Massa's eenvoudige mensen leven daar
in uiterst armoedige omstandigheden. Er was vaak zelfs niet het allernodigste om de familie te onderhouden.
En ze zijn gekomen. Vrouw en kinderen lieten ze achter. Velen van hen zijn later overgekomen. Dat gaf direkt al problemen. En dan doel ik niet in de eerste plaats op bijvoorbeeld huisvestingsproblemen of taal-en onderwij, smoeilijkheden. Nee, ik bedoel iets anders.
Stel je eens voor. Je bent straatarm. Vader gaat van armoede naar een ander land. Eén of twee keer per jaar komt hij naar huis. Met. geld en goed. Wat een rijkdom! En dan gaan vrouw en kinderen ook naar dat land „vloeiende van melk en honing". En wat merk je dan? Vader is in dat rijke land ook maar een „arm" mens. De woonruimte die hij heeft is minder dan minimaal en moet vreselijk duur betaald worden. En het werk dat hij doet is het werk dat de Hollanders zelf te min vinden. Maar het ergste is dat hij door velen met de nek wordt „Het zal je vader maar zijn". aangekeken.
Be tweede generatie
Daarnaast is een der grootste problemen dat van de zogenaamde tweede generatie. De in ons land en elders verblijfhoudende vreemdelingen komen uit andere kuituren, hebben totaal andere godsdiensten.
Bij een lang verblijf in het „gastland" ontstaan steeds meer wrijvingen. Vooral bij de kinderen en jongeren.
Ze zien en ondervinden dat wij andere gewoonten en gebruiken hebben. De ouders houden het oude van thuis vast. De jongeren leven tussen twee kuituren. Er ontstaat een generatiekloof die nauwelijks te overbruggen lijkt.
Van de gastarbeiders is het merendeel moslim. Ze stellen Mohammed boven, of minimaal gelijk aan Christus. Velen willen daar vandaag aan de dag, ook in de benadering van de moslim, niet meer zo zwaar aan tillen.
Maar wat zien ze er verder van dat ze in een „christelijk" land zijn gekomen? Thuis was hun godsdienst bepaald door hun eigen tradities. Denk alleen maar eens aan hun opvattingen over de vrouw.
Veel jongeren laten het traditionele geloof los en worden gegrepen en beheerst door de „regels" van de konsumptiemaatschappij. Ze wennen aan onze opvattingen over religie, verhouding manvrouw, verhouding ouders-kinderen, omgangsvormen. Er is sprake van botsingen. Daarnaast hebben ze in feite maar één doel: geld verdienen, zoveel mogelijk. (Daar gaan wij zelf overigens ook vaak mank aan!) Voor veel jongeren betekent dit tegelijkertijd: onvoldoende onderwijs.
Werkloosheid
En bij die hierboven enkele kort aangestipte moeilijkheden komt nu het feit dat onze ekonomie sterk terugloopt en we een werkloosheidscijfer kennen in de buurt van 500.000.
Nu wordt er veel voor buitenlanders gedaan. Verschillende instanties en instellingen zetten zich voor hen in. De tolerantie in Nederland gaat zelfs zo ver dat in diverse plaatsen moskeeën worden ingericht.
Maar leg je oor eens te luisteren, (Of doe je het zelf ook? ) Wat wordt er ge-
zegd? „Laat ze maar vertrekken en naar hun eigen land teruggaan".
Over de Surinamers: „Zet ze maar op een boot en stuur ze terug". Over de Zuidmolukkers als sommigen van hen in 1975 en 1977 een trein kapen en een school bezetten: „Breng ze weer naar de rimboe."
Diskrimineren wij niet mee?
Voor wat betreft de gastarbeiders vergeten we, dan dat we ze zelf binnengehaald hebben uit behoefte aan hun arbeidskracht. Vergeten we dat ze vaak jarenlang bijgedragen hebben aan de premie sociale wetten. Dat ze belasting hebben betaald, zoals wij allemaal. Dat betekent tegelijk dat we ze maar zo niet kunnen afdanken. Het zijn mensen zoals wij. Geen wegwerpartikelen.
Zuidmolukkers ken Surinamers
Zuidmolukkers en Surinamers Wat de Zuidmolukkers aangaat, zij zijn in feite landgenoten, evenals de Surinamers. De eerstgenoemden stonden aan onze zij, streden voor onze zaak. Velen van hun vaders en zonen lieten hun leven in de strijd in het toenmalige Nedérlands-Indië. Ze zijn van huis en haard verdreven. Ik denk dat we hier als volk grote schuld dragen.
Allemaal goed; en best hoor ik nu iemand zeggen, maar laten ze zich dan tenminste aanpassen en niet langs revolutionaire en kriminele wegen proberen hun doel te bereiken.
Met dat laatste ben ik het eens; het eerste zal een proces van generaties blijken te zijn. Maar dan moeten we aksepteren, niet diskrimineren.
De enkele honderdduizenden Surinamers woonden en leefden voorheen in een overzees gebiedsdeel van Nederland. Ze konden op legale wijze, gebruik makkend van officiële regelingen, kiezen voor ons land.
Onder deze laatstgenoemde minderheidsgroepen zijn veel protestanten. Wat hebben zij voor een indruk gekregen en wat voor ervaringen hebben ze nog van ons „christenvolk"? Onze maatschappij is dermate ontkerstend.dat we al deze mensen of ze nu moslim zijn of christen, niet hebben kunnen opvangen en niet hebben kunnen begeleiden zoals dat behoort!
Hebben de kerken dan niets gedaan? Naast alle andere hulpverleningsorganisaties hebben ook de kerken zich beziggehouden met de problemen rond buitenlandse werknemers en andere groepen. Zij nemen o.a. deel in de Stichting Welzijn buitenlandse arbeiders en in plaatselijke organisaties.
Vanuit onze Gereformeerde Gemeenten werkt evangelist Schultink speciaal onder de in ons land verblijvende Vietnamese bootvluchtelingen.
Maar zijn we daarmee klaar? Hebben wij daarmee genoeg gedaan voor deze naaste? Want dat zijn ze toch? Mogen, kunnen we dan diskrimineren?
Onze houding
Onze houding Antwoord 105 van onze Heidelbergse Catechismus zegt zo overduidelijk dat ik mijn naaste noch met gedachten, noch met woorden of enig gebaar, veel minder met de daad, door mijzelf of anderen ontere, hate, kwetse of dode, maar dat ik alle wraakgierigheid aflegge En die naaste is ieder die op mijn weg komt. Dat is ook een Surinamer, een Zuidmolukker, een turkse gastarbeider, een Vietnamese bootvluchteling, ongeacht ras of kleur.
De zwarte Moorman waarheen Filippu's gedreven werd, was een mens van andere huidskleur dan Filippus en toch moest hij er heen. Want God zag ook geen onderscheid zoals wij. De kamerling was een uitverkorene!
De Heere heeft toch gezegd dat Hij
Zijn. volk zal verzamelen uit alle volken, geslachten, natiën en talen. Daarin maakt Hij toch ook geen onderscheid? ! Mogen wij dat dan wel doen?
De apostel Jakobus begint het tweede hoofdstuk van zijn brief met: „Mijn broeders, hebt niet het geloof van onze Heere Jezus Christus, de Heere der heerlijkheid, met aanneming des persoons." En dan volgt dat gedeelte over het voortrekken van de man met de gouden ring boven de arme man in slechte kleding. Daar wordt onderscheid gemaakt, gediskrimineerd.
Jakobus zegt daarvan: „Gij zijt rechters geworden van kwade overleggingen." „Hoort mijn geliefde broeders, heeft God niet uitverkoren de armen dezer wereld om rijk te zijn in het geloof " De Heere diskrimineert niet!
Dan zullen wij ook naast deze naasten moeten staan. Want zijn wij uitnemender? In 't geheel niet. Er is niemand die verstandig is en niemand die God zoekt. Allen, ook wij, zijn afgeweken; er is niemand die goed doet, ook niet tot een toe. Als we vanuit dit weten mogen getuigen zal er in ons ook iets uitgaan tot onze naaste, wie of wat hij of zij ook is. Wie in eigen hart heeft mogen blikken, vindt daarin altijd meer verkeerds dan bij de ander.
„De kerk", zei evangelist Kwantes kortgeleden, „heeft een taak naar buiten; evangeliseren onder onwetenden en afgedwaalden."
Uit de drang van je hart, anderen waarmee je op de' een of andere manier in aanraking komt, heenwijzen.
Woord en daad
Ik herinner me dat er bij ons op de zaak een Marokkaan als schoonmaker werkte. Op een fel koude winterdag liep hij in ons kantoor dik ingepakt rond. Op de vraag of hij ziek was, kwam het verhaal dat hij in een caravan woonde, met alleen een klein straalkacheltje. Het ijs stond op de binnenkant van zijn „woonverblijf". Ik ben 's avonds onaangekondigd gaan kijken. Na tien minuten ben ik gauw naar huis gegaan want het was nog veel erger dan hij gezegd had. Met een pak dekens dezelfde avond nog terug. Je probeert dan ook met die mensen te praten. Behalve het taalprobleem stuit je direkt op het verschil in levensbeschouwing. Doordat ik hem al langere tijd kende, kon ik een redelijk gesprek met hem voeren. Of het effekt gehad heeft? Ik weet het niet. Dat is ook niet belangrijk of wij dat weten. Met woord en daad getuigen kunnen we allemaal. Ga allemaal in je eigen situatie eens na of en waar je kontakt kunt hebben met een „vreemdeling". Verschillende van jullie zullen vast wel eens zulke mogelijkheden hebben. Wat moet ik dan doen? Praat maar eens met ze. Laat maar zien dat je niet boven ze staat.
Werpt uw brood uit op het water!
En dan, wonen we allemaal, jullie en ik, van nature niet als vreemdeling in een vreemd land. Uit het paradijs verdreven om eigen schuld!
Als de Heere ons eens niet zou opzoeken in dat vreemde land. Als Hij ons eens niet met Zijn Woord zou opzoeken, omdat wij Hem moedwillig verlieten en Hij ons in den vreemde aan onszelf zou overlaten ?
De Heere wil zich nog over vreemdelingen ontfermen! Zouden wij ons dan niet over onze „vreemde" naaste ontfermen? !
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 juni 1982
Daniel | 28 Pagina's