VAN DE EERSTE DAG....
bondsdaglezing
In de eerste plaats willen we de vraag stellen: „Wie is de Heilige Geest? " In de Oude Kerk is in de derde en vierde eeuw over deze vraag strijd 'gevoerd. Velen zagen in de Heilige Geest niet meer dan een goddelijke kracht of gave, anderen beschouwden Hem als dienaar ondergeschikt aan de Vader. Op het Concilie van Constantinopel in 381 werd echter overeenkomstig Gods Woord beleden dat de Heilige Geest God is. De Geloofsbelijdenis van Athanasius komt tot een nog duidelijker en uitvoeriger formulering: de Heilige Geest is een Persoon, Hij is God, in geen enkel opzicht ondergeschikt aan de Vader en de Zoon en Hij gaat uit van de Vader en de Zoon. Laten we deze schriftuurlijke leer van de Heilige Geest handhaven tegenover de rijk geschakeerde geestesbewegingen die zich in onze tijd aandienen.
Het werk van de Heilige Geest
In de eerste plaats is het werk van de Heilige Geest: de schepping. Weliswaar belijden wij in de Apostolische Geloofsbelijdenis: „Ik geloof in God de Vader, de Almachtige, Schepper des hemels en der aarde", maar dit scheppingswerk van de Vader had niet plaats zonder de Zoon en de Heilige Geest. De Vader schiep door de Zoon en door de Heilige Geest. De schepping is het werk van de Drieënige God. Bij de schepping immers zweefde de Geest Gods op de wateren. Psalm 33 vermeldt: „Door het Woord des Heeren zijn de hemelen gemaakt en door de Geest Zijns monds al hun heir". Als Job de werken van de onbegrijpelijke majesteit Gods beschrijft, zegt hij: „Door Zijn Geest heeft Hij de hemelen versierd."
Tot de werken van de Heilige Geest behoort ook de onderhouding. In het loflied op de grote macht en wijsheid Gods die duidelijk blijkt uit de schepping en onderhouding van alle dingen, zingt de dichter van Psalm 104: „Zendt Gij Uwe Geest uit, zo worden zij geschapen, en Gij vernieuwt het gelaat des aardrijks". Waar leven gewekt wordt, werkt Gods Geest. Door Gods Geest is er voortdurend nieuw leven in de natuur.
Bouwen en bewaren
Op de zesde dag wordt de mens geschapen als kroon op de schepping. Van Adam geldt niet wat er geschreven staat van de dieren nl. dat hij geschapen zou zijn naar zijn aard. God schiep de mens naar het beeld Gods en gaf hem de heerschappij over al het geschapene.
De mens kreeg de opdracht de aarde te bebouwen en te bewaren, haar in kuituur te biengen.
Door de zondeval is het beeld Gods in de mens verwoest en heeft de mens al zijn uitnemende gaven die hij van God ontvangen had verloren. Toch blijft de mens verantwoordelijk voor zijn doen en laten. In art. 14 van de N.G.B. lezen we dat de mens door zijn val niet anders overgehouden heeft dan kleine overblijfselen van de gaven die God hem verleend heeft; deze overblijfselen zijn genoegzaam om de mens alle onschuld te benemen.
Door de zondeval heeft de mens ook de hele schepping met zich meegetrokken: het aardrijk werd vervloekt en zou voortaan doornen en distelen voortbrengen. God heeft de mens echter de heerschappij over de schepping niet ontnomen.
In Zijn nederbuigende goedheid heeft God in Christus een weg ontsloten waardoor de mens, die zichzelf door moedwillige ongehoorzaamheid van de Goddelijke gaven heeft beroofd, het verloren beeld Gods kan terugontvangen. Omdat de mens als God wilde zijn, wilde God mens worden. Wat is daarom het voorrecht groot dat wij mogen leven onder het Woord van de scheppende God, Die Zich door de werking van Zijn Geest ook doet kennen als de verlossende God, Die in de weg van de waarachtige wedergeboorte Zijn beeld in de mens herstellen wil.
Verstaan wij de grote verantwoordelijkheid die wij ondanks onze diepe val in Adam dragen? God heeft ons geschapen. Daarom heeft Hij een eigendomsrecht op ons leven; het komt Hem toe. Leeft in ons hart de bede: „Heere, bevrijd mijn ziel uit de macht van satan; herstel in mij Uw beeld, opdat mijn leven gericht mocht zijn op Uw eer? "
Rentmeester zijn
De mens moet met hetgeen de Heere hem van Zijn schepping toebetrouwt zorgvuldig omgaan. Hij heeft immers de aarde niet in eigendom gekregen; hij mag zich tegenover de natuur niet gedragen als heer en meester. Hij heeft de aarde te bebouwen en te bewerken, te exploreren en te exploiteren; dat is iets anders dan uitbuiten. Hij moet zich in zijn kultuurarbeid als beelddrager Gods gedragen. Zijn heerschappij over de schepping moet gevoerd worden als het beheren van de schepping. Van dat beheer moet hij als rentmeester aan God rekenschap afleggen.
Verantwoord beheer over de schepping
Zijn wij allemaal ons dat persoonlijk bewust? We weten dat velen zichzelf niet als rentmeester zien. Zij wanen zich als vorst, zelfs als alleenheerser. Hier komt de oerzonde openbaar dat men geen dienaar wil zijn maar heerser, zonder besef van verantwoordingsplicht jegens God. Het leven van velen staat in het teken van het zoveel mogelijk verwerven van welvaart en bezit, zonder dat men zich bekommert om de naaste of zich afvraagt of de wijze waarop men dit nastreeft verantwoord is. Het gevolg van deze levensinstelling is dat er in een steeds sneller. tempo signalen op ons afkomen die wijzen op een verstoorde verhouding tussen het menselijk handelen en de natuur, zoals God die aan de mens heeft toebetrouwd. De mens van de 20e eeuw mag zich met recht afvragen: „Wat hebben we met Gods schepping gedaan? " De feiten tonen onweerlegbaar aan dat de mens een regelende, maar tegelijk een ontregelende faktor in de natuur is geworden. Het proces, door hem op gang gebracht, weet hij niet meer te beheersen. We denken aan de uitputting van de aarde, doordat steeds meer grondstoffen, met name de energie-grondstoffen, aan de natuur worden onttrokken zonder dat ze in voldoende mate worden vervangen. Naast die uitputting noemen we de verontreiniging van lucht en water en de dreiging van het niet goed wegwerken van afval uit kernreaktoren en kerncentrales. Het is wel duidelijk dat het merendeel van de verschijnselen van uitputting en verontreiniging ten nauwste samenhangen met de toenemende industrialisatie en de moderne landbouwmethoden, waardoor de mens roofbouw pleegt op de natuur, op Gods schepping. De voortdurende jacht naar meer produktie is de oorzaak van de milieuvervuiling. Terecht moeten we ons afvragen: Voelt de mens nog zijn verantwoordelijkheid als mens in de wereld? Een bepaalde generatie heeft niet het recht het milieu zo te vervuilen dat de volgende generatie niet meer leven kan. Verantwoord beheer over energiebronnen en grondstoffen betekent: rekenen met anderen die in ruimte of in tijd van ons verwijderd zijn, dus bijvoorbeeld met de derde wereld, maar ook met de volgende generaties.
Veel wordt gesproken over medemenselijkheid, over gerechtigheid en over verantwoordelijkheid. Wat komt er in de praktijk echter van terecht?
In plaats van gewetensvol rentmeester van hetgeen God ons heeft toebet.rouwd, zijn we door onze materialistische en egoïstische levensinstelling bedervers van de aarde geworden.
Moet dit ook van jou en mij gezegd worden? We zijn er ons van bewust dat er op dit terrein veel problemen liggen. Hoe is de weg terug? Kunnen wij, die een werkzaam aandeel hebben in deze welvaartsmaatschappij en er geheel in opgenomen zijn ons daarvan distantiëren? Dat zal niet meevallen. Anderzijds willen we waarschuwen tegen het gevaar van aanpassing aan de gesignaleerde ontwikkeling, die ons verontrusten moet. We raken er zo gemakkelijk mee vertrouwd en gaan het zo gewoon vinden. We moeten echter terug naar een soberder levensstijl.
Maat houden
Als Calvijn een antwoord geeft op de vraag hoe men het tegenwoordige leven en zijn hulpmiddelen gebruiken moet, zegt hij onder andere: „Wij moeten maat houden, opdat wij de aardse goederen met een zuiver geweten gebruiken. Die maat schrijft ons God in Zijn Woord voor, wanneer Hij leert, dat het tegenwoordige leven voor de Zijnen een zekere reis is, waardoor zij trekken naar het hemelse Koninkrijk. Indien de hemel ons vaderland is, wat is dan de aarde anders dan een oord van ballingschap? Dit zij het beginsel, dat het gebruik van Gods gaven niet van de rechte weg afdoolt. Ze mogen ons niet afleiden of afhouden van de overdenking van het hemelse leven en van de ijver in het verzorgen van de ziel. Alle goederen zijn ons door Gods milddadigheid zo gegeven en tot ons nut bestemd, dat ze als het ware in bewaring gegeven goederen zijn, waarvan eens rekenschap moet worden afgelegd. We moeten rekenschap afleggen voor Hem, Die onthouding, soberheid, matigheid en ingetogenheid heeft aangeprezen en weelde, trotsheid, praalvertoon en ijdelheid verfoeit."
Calvijn wijst e r duidelijk op dat wij een kultuurtaak, een roeping hebben op deze wereld, maar dat het venster van ons leven geopend behoort, te zijn naar dat betere vaderland, Wanneer deze levenshouding de onze mag zijn zullen we de juiste koers houden tussen wereldmijding enerzijds en wereldverovering met al zijn genietingen anderzijds.
De algemene werlungen van de Heilige Geest
Behalve in de natuur werkt de Heilige Geest ook in de mensen. Deze werkingen van de Heilige Geest, kunnen we onderscheiden in algemene werkingen, die niet zaligmakend zijn en bijzondere of zaligmakende werkingen.
Onder de algemene werkingen van .de Heilige Geest verstaan we bijzondere gaven die de Heilige Geest aan mensen verleent, waardoor Hij ze bekwaam maakt tot het uitoefenen van werkzaamheden tot eer van God. Deze gaven verleent de Geest ook aan mensen die niet zalig worden.
In Exodus 31 lezen we dat de Heere Bezaliël bekwaam gemaakt heeft om leiding te geven bij de bouw van de tabernakel. Mozes en de 70 oudsten die hem bij moesten staan ontvingen door de gave van de Heilige Geest leiderskapaciteiten. Simson ontving de gave van een bijzondere lichaamskracht. Telkens lezen we van hem dat de Geest des Heeren vaardig over hem werd.
Daniël kreeg het vermogen om dromen uit te leggen. Nebukadnezar moest van hem bekennen .dat de geest der heilige goden in hem was.
In Handelingen 13 lezen we dat de Geest Paulus en Barnabas afzonderde als zendelingen, het werk waartoe Hij hen geroepen en bekwaam 'gemaakt heeft.
Ook Saul, een verworpene, mocht delen in de gaven van de Geest. Als hij tot koning gezalfd is zegt Samuël tegen hem: „Wanneer gij straks een hoop profeten zult ontmoeten, zal de Geest des Heeren vaardig worden over u en gij zult in een andere man veranderd' worden", dat wil zeggen gij zult bijzondere gaven ontvangen om het volk te leiden en te besturen.
Toen Saul boden zond naar Rama om David gevangen te nemen en zij daar een vergadering van profeten zagen die profeteerden, kwam de Geest Gods over Sauls boden waardoor zij ook profeteerden, Als Saul dan tenslotte zelf ook naar Rama gaat, komt de Geest Gods ook op hem, zodat het volk sprak: „Is Saul ook onder de profeten? "
We weten allen hoe het met Saul afgelopen is. Hij is voor ons een baken in zee, evenals diegenen waar Paulus van zegt: „Zijt gij zo uitzinnig? Daar gij met de Geest begonnen zijt, voleindigt gij nu met het vlees? "
Hoevelen zullen er .in ide loop der tijden geweest zijn, die, misschien wel onder tranen, tot verandering van levenswijze gekomen zijn, maar later als de gewassen zeug tot de wenteling in het slijk zijn teruggekeerd. Ik denk bijvoorbeeld aan keizer Julianus, die in de geschiedenis voortleeft onder de naam Apostata, de Afvallige. Hoewel Julianus, die bedeeld was met grote gaven, een christelijke opvoeding gekregen heeft en zelfs de taak van lector of voorlezer in de christelijke kerk van Nicomedië vervuld heeft, is hij toch overgegaan tot het heidendom. Met al zijn gaven heeft hij daarna getracht het Christendom te bestrijden.
Gaven en talenten
De Heilige Geest heeft ook ons gaven en talenten toebetrouwd, de één meer, de ander minder. In het uitdelen van die gaven handelt de Geest soeverein, naar Zijn vrij welbehagen. Hij schenkt de één deze gave, de ander bedeelt Hij met een geheel ander talent. Hij giet Zijn gaven uit, zoals de zon haar stralen her-en derwaarts verspreidt. De Heilige Geest verlicht nooit één persoon met het ongedeelde licht van boven, maar op ieder afzonderlijk valt slechts één straal van dit stralen afwerpend Licht en van die ene straal slechts een gedeelte. Slechts in één Persoon woonde de gehele volheid der Godheid lichamelijk. Slechts bij Eén kan geen sprake zijn van een gebroken lichtstraal, nl. bij Hem van wie Johannes zegt: „Want God geeft Hem. de Geest niet met mate."
Niemand mag er zich op beroemen dat hij meer gaven of talenten ontvangen zou hebben dan een ander. Je moet daarentegen bedenken dat je dan ook meer te verantwoorden zal hebben. De gelijkenis van de talenten leert ons dat de Heere ons de gaven verleent met de opdracht er iets mee te doen. De Heere eist van ons in onze studie, in ons werk, in ons ambt en waar Hij ons ook gesteld heeft, dat we onze taak eerlijk, nauwgezet en plichtsgetrouw vervullen en dat wij onze gaven, die Hij ons toevertrouwd heeft, op de juiste wijze zullen gebruiken. De H.C. wijst er ons in vraag 55 op dat elk zich moet schuldig weten zijn gaven ten nutte en ter zaligheid der andere lidmaten gewilliglijk en met vreugde aan te wenden. Wie zijn plicht verzaakt en zijn goederen doorbrengt stelt zich schuldig voor God. Ook hier geldt dat de Heere eenmaal zal zeggen: „Geef rekenschap van uw rentmeesterschap; wat heb je met de gaven die Ik je verleend heb gedaan? "
Het doel van de gaven
Het is dus duidelijk dat we de gaven, die de Heere ons verleent, niet naar eigen goeddunken mogen gebruiken. Wij hebben er niet de vrije, in de zin van willekeurige of egoïstische beschikking over. Hetzij de gaven natuurlijk of geestelijk van aard zijn, de Geest verleent ze niet voor de eer en het voordeel van hen die ze ontvangen, maar opdat ze aangewend zouden worden tot err van God, tot zegen van de Kerk en tot nut van de naaste.
Leeft in ons hart de begeerte om' de ons toebetrouwde gaven naar deze regel te benutten? Kunnen wij van het beroep dat wij uitoefenen zeggen dat het een Goddelijk beroep is, waarin wij tot eer van God en tot nut van onze naaste werkzaam kunnen zijn? Kunnen wij met een vrij geweten een zegen vragen over ons dagelijks werk?
De gave van lichaam en ziel
Bedenk tenslotte dat wij allen van de Heere ontvangen hebben de gave van
lichaam en ziel, die tempelen van de Heilige Geest zijn. Laten wij op onze hoede zijn voor de vele verleidingen die in het bijzonder in deze tijd op ons afkomen en die zo verwoestend kunnen werken op lichaam en geest. Ik denk dan aan de zonde van ontucht, drugsgebruik, overmatig gebruik van alkohol en andere genotmiddelen, sport en spel. Wij behoren ingetogen te leven, opdat de tempel Gods niet ontheiligd worde, noch in onszelf door het bedrijven van zonden, noch in anderen door hen tot zonden te verleiden. Immers: „Zo iemand de tempel Gods schendt, dien zal God schenden."
Hoe heilig zou men zijn lichaam en ziel moeten bewaren, opdat de Heilige Geest lust zou hebben erin te wonen.
Bijzondere gaven van de Heilige Geest
Het is groot wanneer de Heilige Geest ons bedeelt met algemene gaven. Zoals we gezien hebben kan dat echter geheel buiten de genade om gaan. Daarom is het oneindig veel groter dat de Geest ons Zijn bijzondere gaven schenkt. Dat bijzondere zaligmakende werk van de Heilige Geest vindt plaats in de harten van al Gods kinderen. In het Oude Testament heeft deze werking zich globaal beperkt tot. het volk van Israël.
In het Nieuwe Testament treedt de Persoon van de Heilige Geest meer op de voorgrond, Dit staat in verband met de voortgang van de heilsgeschiedenis. Met name vanaf het Pinksterfeest werkt de Heilige Geest ook buiten het volk van Israël en krijgt het genadeverbond een kerkelijke openbaringsvorm.
De beloften van de bredere en diepere werking van de Geest behoren tot de rijkste van het Oude Testament. In Zacharia 12 vers 10 belooft de Heere: „Doch over het huis van David en over de inwoners van Jeruzalem zal ik uitstorten de Geest der genade en der gebeden." Ezecbiël mag in de Naam des Heeren het volk toeroepen: „En Ik zal Mijn aangezicht voor hen niet meer verbergen, wanneer Ik Mijn Geest over het huis Israëls zal hebben uitgegoten, spreekt de Heere HEERE."
Het levendmakend werk van de Heilige Geest heeft de Heere hem doen zien in het gezicht der dorre doodsbeenderen. Ook Jesaja laat zich hier niet onbetuigd. In Jesaja 44 vers 3 spreekt hij een troostvol woord tot diegenen die door Gods Geest dorstig gemaakt zijn naar God, die smart over hun zonden gevoelen en een levende droefheid hebben over he l , gemis van Gods gunst en gemeenschap. De Heere bemoedigt hen en belooft hen dat Hij hen zal verkwikken na hun droefenis, met de woorden: „Want Ik zal water gieten op de dorstigen, en stromen op het droge; Ik zal Mijn Geest op uw zaad gieten, en Mijn zegen op uw nakomelingen."
De wateren des Geestes zullen de ziel doordrenken, verkwikken en verzadigen en zullen een gezegende verandering teweeg brengen. De vrucht zal zijn: de tere vreze Gods. Zal de Geest dit. alleen in oude mensen of in mensen van middelbare leeftijd werken? Neen, de Heere gedenkt ook aan hun zaad, omdat Hij trouw blijft aan Zijn verbond. Het zaad zal Hem dienen. Wat een voorrecht, jonge mensen. Ook jonge harten wil Hij vervullen met Zijn Geest. Wanneer die Geest in het hart gaat werken, leeft de zondaar in dat hij tegen God gezondigd heeft.. Er ontstaat dan in het hart een droefheid naar God, een vurig zielsverlangen om met Hem verzoend te worden. Dan heeft de zondaar geen oog meer voor de schatten van de aarde, voor de ijdele dingen van de wereld waardoor het jonge hart zo vaak wordt bekoord. De wereld met alles wat ze biedt laat het hart leeg. Maar hij gaat ervaren dat bij de Heere verzadiging van vreugde te vinden is. Komen de vruchten van de Geest in jullie leven openbaar? Die vruchten worden ons genoemd in Galaten 5 vers 22: liefde, blijd_ schap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid en matigheid.
De beloften van het Oude Testament zijn vervuld op de Pinksterdag. Dan zendt God de beloofde Trooster tot Zijn biddende en uitziende discipelen, die allen vervuld worden met de Heilige Geest. Dat uitzien naar de komst van de Heilige Geest in het hart mocht ook bij ons gevonden worden. Bid dat de Heere je moge schenken een geest van diepe ootmoed, een besef van volkomen onwaardigheid. Hongerigen en dorstigen vervult Hij met goederen maar rijken zendt Hij ledig weg. Blijf aanhouden aan de troon der genade. Dan zul je ervaren dat God Zijn genade en de Heilige Geest alleen aan diegenen geven wil, die Hem met hartelijk zuchten zonder ophouden daarom bidden en daarvoor danken. Je kunt nog zalig worden, omdat de Heilige Geest nog werkt in de harten van zondaren! werkt
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 juni 1982
Daniel | 28 Pagina's