DE DOMME VOS
VERVOLGVERHAAL DEEL V
Aan de zuidkant van de rivier stapt de vos aan land. Zijn scherpe neus heeft hem verteld dat er aan de noordkant een Eskimokamp is. Daar moet hij niet, zijn. Bij de eerste modderpoel die hij tegenkomt, ruikt hij het spoor van een andere vos. Er hangt een geur die misschien wel maanden oud is, maar dit oude reukspoor betekent wel degelijk iets: hier in de buurt ligt voedsel opgeslagen! Snel klauwt hij de onbevroren laag zand weg. De geur wordt sterker. Kauwend en krabbend komt hij door de bevroren laag heen. En daar ja, een voorraadje van een tiental muizen! Ze smaken nog vers en hij eet ze allemaal op. Verderop in het moeras zijn de sporen van levende muizen. Hij hoeft er maar boven staan te wachten en als hij hoort ritselen, toe te springen.
Binnen enkele dagen, na om en om gegeten en geslapen te hebben, voelt hij zich sterk genoeg om naar het noorden te reizen. Maar, als alle vossen, is hij erg nieuwsgierig en hij be'sluit eerst nog de rivier te verkennen voor hij zijn echte reis zal beginnen. De Unakleetrivier maakt een scherpe bocht om een klif heen en de vos wil persé weten wat er achter die bocht te vinden is.
Hij rent langs een spoor van een hondenslee, dat gladgesleten is op het bevroren oppervlak van de rivier. Aan de voet van het klif wijkt hij even van het spoor af om een haas op te jagen en dan bevindt hij zich onder een dichte zoldering van wilgen.
Zo'n ervaring heeft hij nog nooit ondergaan op de kale toendra langs de Noordelijke IJszee. Hij wordt bijna dronken van vreugde. Hier kan hij zich verbergen en uitkijken zonder zelf gezien te worden! Hier zijn allerlei verwarde en geheime plaatsjes waar je weg kunt kruipen! Als hij wilde ontsnappen aan een vijand, moest hij altijd hard lopen, ja harder proberen te rennen dan zijn achtervolger! Wat een schuilhoekjes, wat een kostelijke plekjes om te jagen! Tintelend: van opwinding loopt hij steeds verder de rivier op. Hier en daar waar het ijs verdwenen is, stroomt het water snel tussen glinsterende kroonlijsten van sneeuw. De bergen komen steeds dichter bij de oevers. Grote brokken ijs, die bij het kruien elke lente weer werden opgestapeld, hebben de oever uitgehold onder de wortels van de sparren en de populieren die er groeien. Sommige bomen hangen scheef over de rivier, één is er neergestort en ligt als een brug van oever tot oever.
De vos klimt omhoog door de wirwar van de wortelkroon. Plotseling houdt hij op met klauteren. Wat!? Zijn spitse snuit rimpelt van verbazing.
Dat kan toch niet? Zo ver landinwaarts? Een beer!? Nee, 't is niet precies de lucht van een ijsbeer, maar 't is zonder mankeren een beer! En dat betekent een maaltijd van voedsel waar hij het meest van houdt. Dat betekent een domme metgezel die je naar hartelust plagen kunt. Dat wil zeggen een gastheer met wie je plezier kunt hebben. De geur komt van de andere kant van de rivier. Als hij bij de beer wil komen, moet hij over de boomstam. Zijn instinct vertelt hem dat een beer zich nooit op zo'n dun bruggetje zal wagen. Voorzichtig zet hij zijn poten op de gladde boomstam. Als hij bijna halverwege is, schiet er uit het kreupelhout op de andere oever een vreemd, zwart dier te voorschijn. Het is veel kleiner dan de ijsbeer, die zolang de gastheer van de vos is geweest. Toch ruikt het naar beer. Het zwarte dier rent met
groot gemak over het wankele brugje en valt pardoes aan. De vos schrikt hevig en draait zich snel om. Tot zijn ontzetting verliest hij zijn evenwicht en komt hij met een smak op het dunne randijs van de rivier terecht. Zijn rechtervoorpoot breekt met een misselijkmakend gekraak en de vos valt in het koude snelstromende water.
Zwemmen kan hij niet, het enige dat hij kan doen, is zijn neus boven water zien te houden. Na tientallen meters te zijn meegesleurd, wordt hij door een draaikolk aan land gesmeten. Hij probeert zich droog te schudden, maar dat valt niet mee als je maar drie poten hebt om je aan de grond vast te klemmen. Voorzichtig hinkt hij naar een hoger gelegen plekje. Daar likt hij zijn zere poot en laat zich drogen door de warme middagzon. Een vlucht vlugge sneeuwvogeltjes is omhoog gefladderd toen hij het hoogtetje van gras en mos opzocht. De vos kijkt de vogeltjes verlangend 1 na. Hij kan niet op ze afspringen nu, niet met ze spelen zoals nog niet zolang geleden met de zilvermeeuw.
Plotseling schiet in een lijnrechte vaart een parelduiker langs de hemel. De vos vergeet de sneeuwvogeltjes en krijgt weer moed. Van hier tot in het hoge noorden, tot voorbij het hol op de toendra nestelen parelduikers. Zelfs een kreupele vos kan hun eieren vinden.
De duizenden bessen die de hele winter diepgevroren zijn, kan hij op weg naar het noorden bij trossen van de bosjes rissen. In de snelstromende beekjes kan hij visjes vangen. En tegen het najaar zal hij het hol op de toendra bereikt hebben en zijn vrouwtje zal er zeker nog zijn. Ze zal bij hem blijven en muizen en lemmingen voor hem. vangen totdat zijn poot weer genezen is.
De ogen van de vos blijven op de boomtop gevestigd waarover de parelduiker verdwenen is. Ze is een betere leidster dan de beer. Zij reist naar het noorden! Hij likt zijn zere poot. Als de pijn over is zal hij verder reizen. Nu steekt hij zijn kop op en probeert of hij het noorden al ruiken kan.
Vrij verteld naar
„BEVROZEN ZOMERS"
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 mei 1982
Daniel | 28 Pagina's