ZOUTEND ZOUT...
Met kerst wordt het zo vaak gezongen: „Een wereld verloren in schuld..." Dat is het juiste woord om ons mensengeslacht uit te tekenen. Verloren in schuld. Diep verdorven. Totaal onbekwaam tot de dienst van God.
Als we rond om, ons heen zien, zien we de vele bewijzen daarvan op ons af komen. En als Gods Geest ons eerlijk maakt en we slaan een blik naar binnen bij ons zelf... dan zien we het ook daar... verdorven, onrein, onbekwaam tot enig goed....
In deze wereld is de Zoon van God neergedaald. Nee, niet om die wereld te verderven, maar juist om te behouden. Daartoe sprak Hij Zijn Woroden en deed Hij de vele wonderen. Eén van. de vele woorden die Hij sprak was: „Gij: zijt het zout der aarde..."
Smakeloos voor God, !
Zo ligt daar het gevallen mensengeslacht! Maar God laat het zo niet liggen, Hij zendt Zijn Zoon opdat Zijn woorden als een zoutend zout indringen in de harten van de mensen.
Zijn Woorden zijn bederfwerend, reinigend, zuiverend, smakelijk makend. Natuurlijk, wan Hij is God!
Maar hoe kan de Heere Jezus nu tegen de apostelen zeggen: „Gij zijt het zout der aarde..."?
is er in deze apostelen iets waardoor zij; de wereld weer „smakelijk" kunnen maken...? Kunnen zij de zondestroom stil zetten...? Js er bij hen macht om het verderf te weren...? O nee! Ook bij hen is alleen zonde.
Ook hun hart is een zondig mensenhart... tot hinken en zinken elk ogenblik gereed. Maar de Heere heeft door Zijin Woord, en Geest hun hart vernieuwd. liiji heeft het Woord, der waarheid in hun harten gelegd. Zijn Woord! Het zuiverende, bederfwerende Woord. Dat Woord de wereld indragen... dat zal de taak zijn van de apostelen. Dag na dag spreken van de reinigende werking van dat Woord... van de behoudende kracht van dat Woord...
En dan moet je eens even goed. opletten. Als de Heiland zegt: „Gij zijt het zout der aarde...", dan bedoelt Hij niet: „Apostelen, jullie zijn beter dan de andere mensen." Dan betekent dat ook niet: „Van jullie heb Ik nog wel een beetje verwachting...".
O nee! Want niemand wist zo goed wat er van een Petrus en een Thomas en al die anderen te verwachten was dan de Heere Zelf. Hij immers is de hartenkenner. Die de Zijnen kent tot in het diepst van hun hart.
Nee, de Heiland bedoelt iets anders. „In. u heb Ik dat Woord, dat reinigende Woord gelegd. In uw harten, in uw monden. Niet alleen voor uzelf... maar om het ook de wereld in te dragen, om het te brengen tot aan de einden der aarde. Lees maar eens in de laatste evangeliehoofdstukken met hoeveel klem Hij dat na Zijn opstanding de apostelen opdraagt. Zo moeten zij; het zoutend zout zijn. Bederfwerend, smakelijk makend, behoudend, van het totale verderf reddend...
Met de „hemelse leer", zegt Calvijn, moeten zij de mensen doorzouten.
En een paar regels verder zegt hij: „Voorts is deze vermaning niet alleen voor de leraars nuttig, maar voor de ganse kudde van Christus."
Heel de gemeente van Christus heeft een zoutend zout te zijin.
Zij moet smaak brengen in de overigens smakeloze wereld. Zij moet bederfwerend zijn temidden van een we-
reld die. naar het eeuwige verderf neigt. Van haar moet smaak uitgaan en kracht...!
En dan staan we daar misschien ineens wel voor...
Moet er van. mij smaak uitgaan...? Ik ben niet eens bekeerd...! Hoe zal er van onze gemeente smaak uitgaan...?
Er is zoveel waar de wereld om lacht! Ja, dat is waar... Er is zoveel in strijd met deze opdracht... Er is zoveel, in de gemeenten, overal ter wereld, dat juist de zoutende werking van de Woorden van de Heere Jezus tegenstaat...
Maar toch blijft daar Zijn grote, heilige opdracht staan: „Weest tot een zoutend zout!" Wat gelukkig als dat in je leven nood mag worden. Als je er niet meer aan voorbij kunt door te zeggen: „dat is een taak voor d.e dominee en de kerkeraad..."
Wat een zegen als je daar niet meer langs kunt komen door te zeggen: „Ik ben onbekeerd". Wat een wonder als je niet meer gerust met deze gedachte voort kunt leven en het je aanvliegt, dat het je op je knieën doet neervallen: „O God, behalve dat ik een zondig mensenkind ben en Uw wet overtreden heb, ben ik ook als deel van de gemeente nog een verzaker van deze opdracht..."
Wat is het dan een wonder dat het „pinksteren" geworden is...
Pinksteren... Gods Geest uitgestort... Die Geest gordt aan met kracht uit de hoogte... Die Geest van God maakt mensen tot een zoutend zout, tot een bederfwerend, werktuig in Zijn Goddelijke handen. Tot redders van verlorenen... Tot uitdragers van menigerlei genade...
Wat zou het groot zijn als we als gemeenten en als individu elk persoonlijk zouden leren om dagelijks maar om die Geest te smeken. Om door die Geest bekwaam gemaakt te worden... Voor het koninkrijk van God... Maar ook tot zoutend zout temidden van een wereld die geen smaak heeft voor God.
Mozes zei het eens: „Och dat al het volk profeten waren...!" Toen had hij dat op het oog: zoutend zout zijn...!
Nog een enkele week, dan is het weer pinksteren... Leef er eens naar toe met deze dingen in gedachten... Leef er eens naar toe met de bede: „O Heere, schenk ook mij' die Geest in rijke mate. Stort Die uit in mijn hart... stort die uit in onze gemeenten. Opdat wij mogen zijn tot zoutend zout... dichtbij en veraf."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 mei 1982
Daniel | 28 Pagina's