DE DOMME VOS
VEERVOLGVERHAAL DEEL IV
Gevangen
Op het grote ijsveld' dat nauw merkbaar de Nortonsont is binnengedreven, dwaalt de vos vertwijfeld rond. Toen hij besefte dat hij zijn voedselvoorraad kwijt was, is hij direkt naar de Beringstraat teruggegaan. Maar na een halve dag reizen komt hij tot de ontdekking dat het een vergeefse terugtocht is.
Het ijs zit niet meer vast, de stevige bries van de Aleoeten heeft het losgebroken van het pakijs waaraan het vastzat. Het veld waarop de vos ronddwaalt, drijft rond langs de rand van het ijsveld, hij loopt er helemaal omheen. Ver weg, in westelijke richting, blikkert een ander ijsveld. Daar zijn langs de grijze hemel donkere banen, die vertellen dat daar groepen bomen staan. De Eskimo's kunnen deze „hemelkaart" lezen, zij zouden de vos kunnen vertellen, dat daar in de verte land is, het zuidelijke strand van de Nortonsont.
Maar de vos heeft geen weet van „hemelkaarten", hij zou trouwens nooit zo ver kunnen zwemmen. De wind is. zachter geworden, de vloed speelt met het grote ijsveld en draagt het elke dag een stukje landwaarts, maar ook weer terug.
Onder invloed van die zachte westenwind begint het ijs te smelten, hier en daar ontstaan waterpoelen. Zenuwachtig rent de vos rond.
Hij hoort, als er kuilen vol smeltwater komen, van het ijs af te gaan en het land op te zoeken. De honger wordt een marteling en hij verdoet uren met het zoeken naar garnalen tussen de dikke ijsbrokken. 't Levert hem niets op.
In de Nortonsont zijn bijna geen garnalen. Zijn anders zo vlugge poten worden moe en overal waar hij loopt, spatten kleine waterfonteintjes onder zijn poten op. Zin om te rennen heeft hij niet, spelen met de wind zoals anders, kan hij niet, er is trouwens geen wind meer.
Toch kan hij niet rusten. Als hij uitgeput is, rolt hij zich bovenop een ijsrug tot een witte bal en met zijn sierlijke staart over zijn neus probeert hij wat te slapen.
Als de vos op een morgen ziek van de honger wakker wordt, voelt hij hoe het ijs deinend door de golven wordt voortgedreven. Er staat een flinke bries. Zo snel hij kan, beklimt hij het hoogste heuveltje in zijn direkte omgeving. Hij snuift en knijpt z'n ogen tot kleine spleetjes. Ja! Land! Zenuwachtig rent hij heen en weer. Achter het donkere strand dat hij ziet, liggen in een halve cirkel hoge sneeuwbergen. De uiteinden ervan bereiken de zee in twee voorgebergten. Een groot toendramos wordt door die uiteinden ingesloten. Overal sneeuw, maar het strand is donker.
Ook het grootste gedeelte van het moeras is sneeuwvrij. Hier en daar liggen nog bevroren waterpoelen. Uit de bergen kronkelt een stijf, wit lint, het slingert zich dwars door het moeras en belandt tenslotte breed uitgestreken de zee: een bevroren rivier. De vos trilt van opwinding. Hij ruikt de vochtige lucht van vis en zand en zeewier. Hij snuift de geur op van gras en mos en wilgenbosjes. Maar de geur van de donkere, rechtopstaande sparren kent hij niet. Hij heeft nog nooit een boom gezien. Hij beeft over zijn hele lijf. Land! Voedsel! Een kans om terug te trekken naar het noorden, naar zijn vrouwtje!
wordt vervolgd
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 mei 1982
Daniel | 28 Pagina's