JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

WAAR ZIJN JOUW ZONDEN?

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

WAAR ZIJN JOUW ZONDEN?

9 minuten leestijd

Onlangs kreeg ik van een bevriende collega een boekje in de handen gedrukt, „dat ik maar eens moest lezen". Het boekje heet Vier predikaties. Punt, uit. Dat is nu niet direkt een uitnodigende titel. Het is wél duidelijk. Je hebt vier preken in handen, gebundeld in één boekje. De schrijver ervan is J. C. Ryle, de bekende anglicaanse bisschop uit de 19e eeuw. Maar over hem wil ik het ditmaal niet hebben. Wél moet ik de uitgever nog noemen: Romijn en van der Hoff te Gorinchem, waar al zoveel goede uitgaven uit het Engelse taalgebied het licht zagen.

Ik ga geen poging doen het gehele boekje, dus alle vier de preken, kort samen te vatten. Slechts de eerste preek vraagt onze dringende aandacht; de preek met de alarmerende vraag in de titel: aar zijn uw zonden? Dat is voor jou, voor u, voor mij een uiterst belangrijke vraag! Ryle stelde de vraag naar aanleiding van de tekst in 1 Joh. 1 : 7b: Het bloed van Jezus Christus, Zijn Zoon, reinigt ons van alle zonden".

Je hebt veel zonden

Er komt een uur — zo zegt Ryle — dat we niet meer zullen vragen: waar is mijn geld? waar is mijn eigendom? In het uur van de dood zal het er slechts op aankomen, waar onze zonden zijn! Allereerst stelt Ryle onomwonden: U hebt vele zonden. Twijfel je daar toch eigenlijk aan? Heb je het diep in je hart toch wel aardig met jezelf getroffen? Kijk dan eens naar je eigen leven, vanaf je vroegste jeugd tot nu. Kijk dan eens naar je eigen hart.

„Bedenk de duizenden zondige verbeeldingen en bedorven denkbeelden welke uw hart gekoesterd heeft, zelfs terwijl uw uitwendig gedrag onberispelijk, zedelijk en achtenswaardig was."

En als je dan nog twijfelt, lees dan Matth. 25 eens; daar wordt geen melding gemaakt van grote openbare daden van goddeloosheid, daarin worden de mensen veroordeeld wegens de zonden van verzuim!

Nog niet overtuigd? Pak dan eens — zo raadt Ryle ons aan — een blad papier en maak een som. Stel, dat je 15 uur per etmaal bewust leeft en verantwoordelijk bent voor je daden. Stel voorts, dat je per uur slechts 2 zonden gedaan hebt.

„Voorzeker zult gij niet zeggen dat dit geen onbillijke veronderstelling is. Bedenk dat wij tegen God kunnen zondigen in gedachte, woord of daad."

Zo kom je voor één dag tot 30 zonden. Dat is — nog steeds van dezelfde berekening uitgaand — 210 zonden in één week. Berekend naar vier weken in elke maand, heb je 840 zonden elke maand begaan. Berekend naar twaalf maanden in een jaar, heb je 10.080 zonden ieder jaar.

„En in 't kort, om niet langer met de berekening voort te gaan, elke tien jaren van uw leven hebt gij, naar de laagste begroting, meer dan honderdduizend zonden begaan!"

En dan spreekt Ryle er nog niet eens over, dat we niet alleen "zonden doen, maar zonde zijn! Kom je hier niet diep van onder de indruk? O nee, alleen een rekensom als deze, hoe ontzaglijk ernstig ook, zal ons niet op de knieën brengen. Ryle zegt: „Niets, niets, niets zal ooit de mens van zonde overtuigen dan de kracht des Heiligen Geestes. —. Kracht van boven moet naar beneden komen om het werk te verrichten".

Maar, zo vervolgt Ryle, als je je zonden gevoelt, tracht dan niet het gevoel te onderdrukken en te verstikken. Behandel het niet als een gevoel van neerslachtigheid, een verminderde gezondheidstoestand of iets dergelijks.

„Bega geen geestelijke zelfmoord; vermoord uwe ziele niet."

Je moet van je zonden gereinigd worden

Maar dan. is het in. de tweede plaats ook nodig, dat we van deze zonden gereinigd worden. We moeten immers bedenken, dat ai deze zonden, deze bijna oneindige reeks van zonden alle tegen God gericht zijn! En Hij is een God van oneindige heiligheid, van oneindige kennis en van oneindige macht. Hij kan met géén zonde te doen hebben; er zijn voor Hem geen geheimen verborgen; niemand kan voor God bestaan in Zijn toorn. Bedenk verder — ook al ben je jong —dat de dood komt.

„Er zal een bezoeker in uw huis komen die geen weigering aanneemt. De koning der verschrikking zal toegang vragen en u een-rekening ter voldoening aanbieden. —. Waar zijn de kinderen die in de zonneschijn speelden alsof zij nooit oud zouden worden? "

Waar zijn...? En zo gaat Ryle door; je komt er niet onderuit: ook jouw en mijn naam worden genoemd. Ryle is in dit gedeelte zeer ernstig en vermanend. Hij schetst hoe zorgzaam ieder is voor alles wat hem bezighoudt.

„En sla hen dan de volgende Zondag in de kerk gade, onoplettend, zorgeloos, gapende, slaperig en onverschillig, alsof er geen God, en geen duivel, en geen Christus, en geen hemel en geen hel ware!"

Je kunt je zonden niet wegnemen

Ryle snijdt in zijn derde aandachtspunt nog wat dieper in het vlees, want — zo zegt hij —: Gij kunt uwe eigene zonden niet wegnemen. Je kunt ze niet wegnemen door er bedroefd over te zijn. Hoe noodzakelijk ook, toch kan droefheid geen verzoening voor de zonde maken! Al evenmin kun je je zonden kwijtraken door je leven te verbeteren. De oplichter die berouw heeft en zich voorneemt een totaal ander leven te gaan leiden, blijft toch schuldig en heeft zijn schuld te voldoen. Verbetering van leven maakt, dus ook al geen verzoening voor de zonde! Ook verlies je de zonden niet door stipt te worden in het gebruik maken van de middelen der genade.

„Gij moogt uw gewoonten omtrent de Zondag veranderen en de godsdienstoefeningen van de morgen tot de avond bijwonen. —. Maar... zij zullen de wonden van uw hart niet verbinden of u inwendig vrede geven."

En zo gaat Ryle verder door alle menselijke pogingen bij de wortel af te snijden. Hij smeekt zijn hoorders toch geen „kwakzalverachtige middelen in de godsdienst" aan te wenden.

Het bloed van Christus reinigt van zonden

Maar nu kan hij dan ook met een dankbaar hart — zoals hij zelf zegt — overgaan tot het vierde gedeelte van zijn preek, waarin hij met kracht poneert: Het bloed van Jezus Christus kan al uw zonden wegnemen. Het geeft hem aanleiding tot een loflied op Christus' bloed. Daartoe zijn predikers aangesteld „om mensen op het bloed van Christus te wijzen en zo wij het niet onophoudelijk aanwijzen, zijn wij geen rechte bedienaars van het Evangelie".

Daarom kan een prediker niet tevreden zijn met volle kerken en een „bloeiend" kerkelijk leven.

„Wij begeren mannen en vrouwen tot de grote fontein tegen de zonde en onreinheid te zien komen en hun zielen daarin te wassen, opdat zij rein mogen zijn. Hier alleen is rust voor het geweten. Iiier alleen is vrede voor de inwendige mens. Hier alleen is genezing voor geestelijke ziekten. Hier alleen is het geheim van een verlicht en gelukkig hart."

De noodzaak van liet geloof

Maar hoe krijgen wij daar deel aan? Die vraag beantwoordt Ryle in zijn laatste punt, door te zeggen: Het geloof is volstrekt noodzakelijk en de enige zaak die nodig is om u een aandeel te geven in het reinigend bloed van Christus.

Daarvoor vraagt hij nu bijzonder aandacht. Wanneer het werkelijk nood is geworden in de ziel, als je werkelijk aanvaardt de hel verdiend te hebben, als je werkelijk afziet van alle hoop op jezelf... „dan zijt gij juist de man aan wie het Evangelie troost verschaft. Aanschouw het verzoenend bloed van Christus! Stel slechts daarin uw vertrouwen en heden zult gij om niet vergiffenis hebben."

Met kracht komt Ryle hier op voor het sola fiae, door het geloof alleen. Daarin herken ik zijn eenzame broeder in het duitse Wuppertal, Hermann Friedrich Kohlbrugge, niet een gevierde anglicaanse bisschop als Ryle, maar een uitgestotene uit onze vaderlandse kerk.

Beiden keren zich met kracht tegen de altijd maar weer op de loer liggende mening, dat de mens zichzelf heeft geschikt te maken en zó een voorwerp van Gods genade kan worden.

Nee, „het geloof begint, het geloof zet voort, het geloof houdt staande de aanspraak welke de zondaar op de Zaligmaker maakt. —> . Door het geloof wassen wij onze zielen in de grote fontein tegen de zonde. —. Het (geloof) is het oog dat naar de koperen slang ziet, en ziende, leven en gezondheid verkrijgt.

Het is de mond die het verkwikkende geneesmiddel opdrinkt, en drinkende, kracht en sterkte voor het gehele lichaam ontvangt. —. Het is de hand van de drenkeling die het hem toegeworpen touw aangrijpt en het aangrijpende, hem in staat stelt om gaaf en veilig uit de diepte opgehaald t.e worden. —. Dit en niets meer dan dit is het rechte denkbeeld van het zaligmakend geloof."

Daarbij — en dat moet óók gezegd worden —-is Ryle niet eenzijdig-aktivistisch.

Hij zegt ook heel duidelijk dat dit zaligmakende geloof niet onvruchtbaar zal blijven. Het zal altijd vergezeld zijn van berouw en van persoonlijke heiligmaking. Hier wordt dus geen lans gebroken voor een oppervlakkig geloven. Nee, de zondaar die wenst, zalig te worden, moet persoonlijke, bevindelijke omgang hebben met Hem, Die dat bloed vergoot!

Be toepassing

Zo komt Ryle aan zijn toepassing. Eerst stelt hij een vraag: Waar zijn uw zonden? Dat is de vraag waarop het aankomt.

„Morgen is het de dag des duivels, maar heden is het de dag Gods."

Er zijn slechts twee antwoorden mogelijk op deze vraag: óf de zonden zijn bij jezelf, onvergeven, ongereinigd, niet weggenomen, je dagelijks dichter bij de hel brengend; óf je zonden zijn op Christus, weggenomen, vergeven, uitgewist en gereinigd door het dierbaar bloed van Christus. Er is geen derde plaats!

Ryle's tweede toepasselijk woord is een uitnodiging; het is die uitnodiging welke de heerlijkheid van het Evangelie uitmaakt, om namelijk als een dodelijk vermoeide en belaste tot Christus te komen. Maar is die tijding niet te goed om waar te kunnen zijn? De duivel fluistert: Je bent te slecht, te goddeloos om behouden te worden. Maar weet dat de satan altijd al een leugenaar was. Eerst maakte hij je wijs dat het „te vroeg" v/as voor de gods diens en nu liegt hij je voor dat het „te laat" is om God te dienen!

„Zeg Hem dat gij een arme, ellendige zondaar zijt. Zeg Hem dat gij niet weet hoe gij bidden, of wat gij zeggen, of wat gij doen moet. Maar zeg Hem dat gij omtrent Zijn bloed gehoord hebt, dat het een mens van alle zonden reinigt en smeek Hem uwer te gedenken en uw ziel te reinigen."

Waar zijn jouw zonden? Geef een antwoord, maar... op de knieën!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 mei 1982

Daniel | 28 Pagina's

WAAR ZIJN JOUW ZONDEN?

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 mei 1982

Daniel | 28 Pagina's