GODS WOORD IS EEN LAMP
Toen Isrel stond op vreemde haan, Stak God de Heer Zijn vuurzuil aan: Die was hun lamp, die hield de wacht, Hij wees de weg bij dag en nacht. Zó is, in 's levens woestenij, Des He eren heilig Woord voor mij!
Wanneer de dwaalweg mij bekoort, De zonde fluistert: „Wandel voort!" Dan klinkt de roepstem in mijn oor: „Terug! daarginds is 't rechte spoor.'"
O Gij, Die op mijn paden let! Mijn God, hoe lief heb ik Uw wet! Zij is mijn Lamp, zij is mijn Licht: De weerglans van Uw aangezicht!
Zó is, in nacht en stormgetij, Des Heer en heilig Woord voor mij! Wanneer de springvloed mij verrast, En 't water tot de lippen wast, Dan hoor ik hoe Uw Woord gebiedt: „Verbeid de Heer', en sidder niet!"
Gods kinderen gaan door strijd en kruis, Door smart en druk, naar 't Vaderhuis. Daar droogt Gods hand de laatste traan, Daar breekt de dag des vredes aan!
Dan vrees ik niet voor 't schaduwdal: Ik weet Wie mij geleiden zal. Mijn Goede Herder is nabij; Zijn stok en staf vertroosten mij!
O Gij, Die m' in Uw hemel zet! Mijn God, hoe lief heb ik Uw wet! Zij is mijn Lamp, zij is mijn Licht: De weerglans van Uw aangezicht.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 april 1982
Daniel | 28 Pagina's