BITTER ALS ALSEM. . .
Het is een. koude gure avond. Ik rijd even naar de stad. Moet daar iets wegbrengen. Op een stil oud kerkplein zet ik m'n auto neer.
Diep in m'n kraag gedoken ga ik op pad naar het adres waar ik zijn moet. Er zijn maar weinig mensen op straat. Haastig loop ik door.
Op een hoek van de straat komen flarden muziek op me af. Het geluid komt uit een oud grachtenhuis, waar een jongerencafé is.
Het ziet er een beetje geheimzinnig donker uit, alsof het iets te verbergen heeft. Er branden op de tafeltjes flauwe lampjes en hier en daar een kaars.
Het is er woest druk. Jongens en meisjes krioelen er door elkaar. Hangen elkaar om de nek. De jukebox produceert juist een wat weemoedige melodie. Woorden zijn buiten niet te verstaan.
Toch is van de straat af goed te zien dat die muziek invloed op de jongelui uitoefent. Er komt een deinende beweging in de jongens en meisjes. Het lijkt wel alsof ze in trance raken. Hun ogen staren elkaar aan, maar het is net of ze niets zien.
Plotseling gaat de jukebox over in een woest ritme.
Wat nu gebeurt verbijstert je.
In één ogenblik is! het zaaltje veranderd in een wild door elkaar bewegen van armzwaaiende elkaar tot zich trekkende en weer afstotende jongens en meisjes, kinderen nog.
Er gaat onwillekeurig een huivering door je heen. Als nu dat teken eens aan de wand verscheen, zoals toen, op dat feest van Belsazar.
„Geteld, geteld, in weegschalen gewogen en te licht bevonden."
„En in diezelfde nacht werd Beisazar, der Chaldeeën koning, gedood."
Ik ga haastig door — terwijl het beeld wat ik zojuist zag en het geluid van de opzwepende muziek nog een eind met me meegaat.
Het is een beangstigende gedachte dat de jeugd van ons volk zo zijn vrije tijd doorbrengt. Het is beangstigend te bedenken dat ook ónze jongens en meisjes verleid kunnen worden (en verleid worden) om hieraan mee te doen.
Want onze kinderen zijn niet anders; wij zijn niet anders. Ook zondige mensen, met. een verkeerde wil.
Zie in gedachten ze daar zitten. Met een „schoolvriend" meegegaan.
„Kom op joh, ga eens een keertje mee. Je zult eens zien hoe leuk het is. Je komt heus niet dronken thuis hoor, ze geven je er echt niet teveel."
Laat je niet overhalen jongens en meisjes. Doe het niet!
Het is het domein van satan — vrolijk zijn, een cola of een biertje drinken, wat met meisjes „praten", muziek, roes, bedwelming. Maar het einde...? „...Bitter als alsem."
In het begin lijkt het allemaal onschuldig. Maar wees eens heel eerlijk. Als jij daar komt, voel je dan diep in je hart niet dat je op zulke plaatsen niet hoort.
Dat het beslist geen plaats is waar je de Heere ontmoeten kunt. Wat ik je vragen wil, verdring die gedachte niet. Of is je geweten al toegesloten?
Zegt iemand nu mischien: „Moet dat nu in ons jeugdblad geschreven worden? " Ik ga toch nooit naar zo'n tent.
Daar ben ik blij om, dat je zulke plaatsen mijdt. Maar helaas ook onder onze jeugd zijn cafébezoekers. En ook nog wel van minder „onschuldige" café's als ik hierboven bedoelde.
Jongens die o zo gemakkelijk even een pilsje gaan pakken. En denk nu niet dat zoiets alleen maar in de grote en kleinere steden gebeurt. Elke plaats, elk dorp heeft wel een of meer bars, dancings en disko's. Obskure gelegenhe-
den waar van alles gebeurt. Waar dingen gebeuren die het daglicht niet verdragen kunnen. En ook van ons komen ze er.
Gelegenheden waar gewetenloze lui proberen hun bankrekening te spekken. Mensen die handelen in verdovende middelen. Die niemand ontzien. In het begin zijn ze erg vriendelijk en je merkt het niet wat ze in hun schild voeren. Het begint met een drankje, met een sigaretje. Wat vinden ze bij jullie gemakkelijk hun prooi. En ze laten je niet gauw meer los.
Ze weten ze te vinden, de jongelui die het in de maatschappij niet meer zien zitten, die op de vlucht zijn om duizend en een redenen. Die in de wereld hun vertier zoeken en die door die wereld worden ingepalmd.
Die in de ban komen van bedwelmende muziek, van meisjes, van jongens, die zonder remmingen zich uitleven in een losbandig leven.
Voor je 't weet heeft het jou te pakken en hebben ze jou in hun macht.
En dan komt zo gemakkelijk van het een het ander. Dan behoef ik hier echt geen opsomming te geven van alle mogelijke dingen. Dat zo „onschuldige" pijpje bier is al heel gauw niet genoeg meer. Dat ene soft-sigaretje op een avond lokt uit tot; meer. Voor je 't weet ben je in een nooit tot stilstand komende draaikolk terecht gekomen.
Geraffineerd weten zij die er op uit zijn om jou zogenaamd een plezierig ogenblik te laten hebben, je om te turnen. En dan? Als je er niet meer buiten kunt?
Je ziet ze rondhangen in de grote drukke winkelcentra. Wezenloos voor zich uit starend. Altijd er op uit om een sticky te pakken te krijgen.
Maar de stuff kost geld, veel geld, erg veel geld, En hoe komt je daaraan?
Eerst zijn er „vrienden" die je wel wat geven, maar als je 't „fijn" gaat vinden om stoned te zijn, blijken ze handelaar te zijn. Niks voor niks. Betalen moet je, of je wilt of niet, of je geld hebt of niet.
Geen geld, geen drugs. Heb je geen geld en weet je er ook niet meer aan te komen, betaal dan maar met iets anders! En dan val je in een bodemloze put. Waar kom je nu terecht?
Het leven van aan drank en drugs verslaafden leidt naar een verschrikkelijke afgrond. Zijn ze (nog) niet verslaafd, maar toch gevangen in een leven van café-en filmbezoek, van muziek, van drank, van het uitgaan dan met dit meisje, dan met die jongen, dan moeten dingen gedaan worden om de gevolgen van zo'n omgang met elkaar te voorkomen of weg te werken.
Jongelui die dit leest, ik hoop niet dat er onder jullie zijn die op deze donkere wegen hun gang door dit leven gaan. Maar als er zijn, probeer toch er mee te breken.
„Waarom zou ik", zeg je misschien. „Voor wie moet ik het laten. Niemand kijkt naar me om. Ik ben alleen. Thuis begrijpen ze me niet. De maatschappij heeft geen plaats voor me. Een baan? Vergeet het maar. De kerk ? "
„Ziet u nog toekomst in een vervuilde wereld? Hebt u nog hoop met al die atoomwapens? U gelooft het toch zelf zeker ook niet. Toekomst? Hoop? "
Ja! Er is nog hoop en er is nog toekomst! Geloof je me niet? Toch is het zo !
„Ik ben niet gekomen om te roepen rechtvaardigen tot bekering, maar zandaars." Je bent gedoopt!
„Nu krijgen we weer de bekende zedepreek", hoor ik iemand zeggen. Dat was ik niet van plan.
Maar zeg je dat nu, terwijl je diep in je hart hoopt iets te horen waar je je aan vast kunt klampen? Want de wereld geeft je niet wat ze belooft hè. Je denkt het wel, maar het is allemaal leeg en hol.
„Nee hoor, ik heb echt plezier, je kunt zo alles nog eens vergeten."
Ik geloof er niks van. Je bent wel degelijk op zoek naar een rustpunt. Je zegt toch zelf dat je alle narigheid wilt vergeten. Want die narigheid jaagt je op en ontneemt je je rust. Maar of je 't. nu van me aanneemt of niet, je zoekt het verkeerd! Nergens in de wereld vind je rust, tenzij.....
„Hou maar op", zeg je, „ik kan er toch met niemand over praten."
Jawel, er zijn er heus wel die je helpen willen en waar je naar toe kunt gaan. En durf je het niemand zeggen, zeg het dan de Iieere. Toen I-lij op aarde wandelde, ging Hij uit tot hoeren en tollenaren. Hij ontving ze en at met hen.
„Nee, hou echt maar op."
En dat doe : ik niet, want als ik nu moest ophouden dan. was alles inderdaad uitzichtloos. Want er is wel degelijk uitkomst te vinden, toekomst, hoop.
„U gelooft, dat misschien, maar ik niet." Ik geloof dat zeker. Want ik ben een groter zondaar dan jij. Ik geloof de I-Ieere ook zo vaak niet op Zijn woord. Ik ga ook zo dikwijls m'n eigen gang. Ik wil ook niet altijd gaan in de weg die ik behoor te gaan. Jesaja zei dat al: „Wij dwaalden allen als schapen, wij keerden ons een iegelijk naar zijnen (onze) weg."
Maar de Heere kan een mens daarmee in de nood brengen en dan wil de Heere zich toch met ons bemoeien. En doet Hij dat al niet? Kijk nu eens niet alleen naar de dingen die je niét hebt. Als je dit leest ben je er nog. Nog niet opgeroepen om rekening en verantwoording af te leggen. Nog zoekenstijd gekregen. „O, Mijn volk, wat heb Ik u gedaan en waarmede heb Ik u vermoeid, betuig tegen Mij".
Betuig dan eens tegen de Heere. Kun je dat? Durf je dat?
Heel eerlijk ziin hoor. Tegenover jezelf en tegenover God.
Niks te klagen is het niet? Soms denk je dat wel, maar wie zijn wij, mensen, die tegen God antwoorden. Alles wat we nog hebben — gekregen. Verdiend? Niets verdiend!
Jongens en meisjes ik begrijp jullie wel, maar toch moet ik je raden: zoek rust waar die alleen maar te vinden is. Breek met de zonde en buig je voor Hem neer. Wie zijn zonden belijdt en laat, die zal barmhartigheid verkrijgen. Dus toch een preek?
Nee, geen preek, maar een welgemeende raad van een die het er niet. beter afbrengt dan jullie. Die het een enkele keer in z'n leven met Paulus mag uitroepen: „Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen van het lichaam der zonde en des doods."
Vraag de Heere of Hij met Zijn Heilige Geest je hart voor Hem wil openen. Doe het om jullie levenswil. Als de Heere ons nu eens oproepen zou om. voor Hem te verschijnen?
Jongens en meisje's, wat ik je vragen wil, vergooi je leven niet. Eén is er die lacht om je ongeluk. De vader der leugenen. Houdt dan in gedachtenis, dat Jezus Christus in de wereld gekomen is om te zoeken en zalig te maken dat verloren is.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 april 1982
Daniel | 28 Pagina's