JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

ALLES UIT GENADE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

ALLES UIT GENADE

14 minuten leestijd

Toen ik, enkele weken na de ontvangst, de brief van de redaktie opnieuw even doorlas om te kijken waarover ik nu precies moest schrijven, was ik eigenlijk in de veronderstelling, dat de titel luidde: „Alleen uit genade".Bij nader inzien scheelde het dus twee letters. Maar ik denk dat de inhoud toch niet veel verschil kan uitmaken, met het „sola gratia" van de Reformatie, en ik denk dat we het ook nooit los kunnen zien van het „sola fide" en het „sola Script ura", tenminste, als we bijbels-reformatorisch willen blijven, en dat is toch ons aller verlangen.

Alles uit genade! De eerste vraag, die zich opdringt is natuurlijk: wat is genade? En over welke genade zullen we het hier hebben? En: is de genade verkrijgbaar? Zo ja, hoe? Kun je daar iets voor doen? Of moet je maar gewoon afwachten of het een keer over je komt?

Wat zegt de Bijbel over de genade Gods

Als de Bijbel spreekt over Gods genade, dan verstaat zij daaronder allereerst de goedertieren gezindheid van God, waardoor Hij aan Zijn schepselen en in het bijzonder aan schuldige en ontrouwe zondaren Zijn gunst betoont. Het hebreeuwse woord, dat hiervoor bij uitstek wordt gebruikt is het woord „chèsèd". We kunnen dit woord ook vertalen met „gunst" of „welwillendheid" of „weldaad" of „goedertierenheid". In de Psalmen komen we dat woord veelvuldig tegen. Denk maar aan Ps. 33 en aan de bekende Ps. 136: Want Zijn goedertierenheid is tot in der eeuwigheid". En wie zou hier niet denken aan een van de hoogtepunten in de oudtestamentische godsopenbaring, als God aan Mozes verschijnt: Heere, I-Ieere, God, barmhartig en genadig, lankmoedig en groot van weldadigheid en waarheid" (Ex. 34 : 6). Gods genade houdt in: ijn welwillendheid en toegenegenheid als de hoge God tegenover armen en ellendigen, om die uit te helpen en te redden.

Ook in het N.T. lezen we over deze gezindheid van God. In dat verband komen we meestal het grieksee woord „charis" tegen. Vooral de apostel Paulus spreekt graag over de rijkdom van Gods genade, die vaak zichtbaar wordt in de genadegaven, de charismata (zie bijvoorbeeld 1 Kor. 1 : 4 e.v.). Uit genade neigt God Zich in Christus over verloren en schuldige mensen, die de eeuwige straf en de eeuwige dood verdiend hebben, en uit genade schenkt Hij ze vergeving der zonden en het eeuwige leven. Genade staat dus tegenover recht. Genade wordt bewezen aan rechtelozen. Maar laat ik niet vooruit lopen op wat ik straks nog zeggen wil.

De genade van Christus

De Bijbel spreekt ons niet alleen over de genade Gods, maar ook over de genade van Christus. En daarmee wordt bedoeld, dat het heilswerk van God in Christus zijn middelpunt vindt, of met andere woorden dat Christus de genade Gods voor ons verworven heeft. Zeker, Gods eeuwige liefde en welbehagen is er de oorsprong van, maar Christus heeft de genade voor Zijn volk verdiend. Calvijn wijdt hier een heel hoofdstuk aan in zijn Institutie. We lezen o.a.: „En dat Christus in der waarheid door Zijn gehoorzaamheid voor ons genade bij de Vader verworven en verdiend heeft, volgt zeker en vast uit verscheidene plaatsen der Schrift Verder, wanneer wij zeggen, dat door de verdienste van Christus voor ons de genade verworven is, dan verstaan wij daaronder dit, dat wij door Zijn bloed ge-

reinigd zijn, en dat Zijn dood de verzoening is geweest voor onze zonden." Wanneer aan het eind van de kerkdienst de zegen wordt afgegeven, meestal met de paulinische zegen, dan horen we: „De genade van onze Heere Jezus Christus, en de liefde van God, en de gemeenschap van de Heilige Geest zij met u allen."

Deze „genade van onze Heere Jezus Christus" houdt hetzelfde in als wat ik zonet uit de Institutie citeerde. Het is dus datgene, wat Christus voor Zijn gemeente heeft verworven. En dat is heel veel. Die weldaden zijn haast ontelbaar: e wedergeboorte, de bekering, de vergeving der zonden, de aanstaande heerlijkheid enz. De overvloedige rijkdom van deze genade stelt Paulus vooral in Rom. 5 en 6 in het volle licht. Alle verdiensten van 's mensen kant worden hier uitgesloten. En nergens wordt deze genade rijker gepredikt dan in het kruis van Christus. Lees daarvoor Rom. 3 : 9 - 31 eens. Eerst wordt de mens op het diepst vernederd (vers 9-20) en daarna blinkt de onvergelijkbare rijkdom van Christus' verworven genade heerlijk uit (vers 21-31).

Het deelhebben aan de genade

De Bijbel spreekt niet alleen over het welbehagen des Vaders, waaruit de genade als het ware is opgekomen, en ook niet alleen over het verwerven van de genade door de Zoon, maar ook over de subjektieve doorleving van de genade. En dat is het werk van de Heilige Geest. Al heeft de genade zijn oorsprong in het welbehagen Gods, en is zij verworven door Christus, als jullie en ik er geen deel aan krijgen, dan zullen we ook niet persoonlijk kunnen delen in dat heil. En daar gaat het nu juist om. Genade wil bewezen worden. Bewezen aan rechteloze zondaren. Aan ieder van ons, zegt Paulus, is de genade gegeven, naar de maat der gave van Christus (Ef. 4 : 7).

Deze subjektieve (onderwerpelijke) genade staat echter nooit op zichzelf. Deze ware bevinding van de genade staat altijd in onverbrekelijk verband met Christus als de Verwerver en de Geest als de Toepasser. Zij is nooit een op zichzelf staande onpersoonlijke macht of kracht. Alleen door deze band met de Heilige Geest staan Gods kinderen in de genade en roemen zij in de hoop der heerlijkheid Gods (Rom. 5:2).

Ook onze belijdenis

De beste vraagbaak om te weten te komen wat nu eigenlijk „genade" is, hebben we nu geraadpleegd. De hoofdlijn daarvan heb ik hierboven weergegeven: de genade Gods, de genade van Christus en de onderwerpelijke genade door de Heilige Geest. De vraagbaak waardoor we ons nu even willen laten onderwijzen is zelf geheel gebaseerd op de Schrift, namelijk onze gereformeerde belijdenis. Op onnavolgbare wijze hebben onze vaderen daarin uitgewerkt hoe wij de Schrift moeten verstaan, ook op het punt van de genade. Als we onze belijdenisgeschriften op dit punt nagaan, blijkt ook zo duidelijk de bedoeling van die geschriften. In de Heidelbergse Catechismus gaat het voornamelijk over de subjektieve doorleving van de genade. Ik las het woordje „genade" daar wel 13 keer.

De Nederlandse Geloofsbelijdenis heeft veel meer een theologische benadering. We lezen het woordje „genade" daar maar 3 keer.

Het meest komt dit woordje voor in de Canones van Dordt: wel 30 keer, in alle drie de betekenissen, die ik hierboven vanuit de Bijbel noemde. Het meest echter, net als in de H.C., in de betekenis van de onderwerpelijke genade, de bevindelijke beleving van Gods heil. Maar ook nog heel wat keren in een bepaalde theologische betekenis. En dat was ook precies de bedoeling van de Dordtse Leerregels: de leer en de beleving van het heil af te grenzen tegenover de remonstranten.

Genadegaven

Onze belijdenis spreekt dus veel en rijk over de genade en als we deze aandachtig doorlezen, blijkt dat de genade meestal heel konkreet is gevuld met een bepaalde heilsweldaad, of met andere woorden een gave door de genade. En dan bedoel ik hier niet de bijzondere gaven, waarvan ook de Schrift spreekt, maar de „gewone genadegaven". Welke gaven zijn dat dan? Pak je bijbeltje er eens even bij en sla de drie formulieren van enigheid eens op. De eerste keer dat we het woordje „genade" tegen komen in de H.C. staat al direkt in het kader van de subjektief doorleefde genade. Lees maar in het antwoord op vraag 12: Is er nog een middel om weer tot gena-

de te komen? Opvallend is ook dat de inhoud van de genade in alle belijdenisgeschriften het meest verbonden wordt met de rechtvaardiging ofwel de vergeving der zonden. Dat is ook in de Institutie van Calvijn zo: n zijn hoofdstukken over de rechtvaardiging kom je de meeste passages tegen, waar hij over de genade spreekt. Over de vergeving der zonden die als een „genade" wordt voorgesteld lees je in: .C. 21, 56, 60, 66, 70, 86 en 126; N.G.B. art. 15 en D.L. II, 7 en V, 7. Ook de levensvernieuwing door de Heilige Geest en daarmee verbonden het geloof en de bekering worden vaak als een gave van de genade genoemd: .C. 11; N.G.B. art. 24 (heiliging en goede werken) en D.L. I, 15; III en IV, 10, 12, 15. En in de D.L. III en IV, 13, 16, 17 en V, 3 lezen we over de genade van de wedergeboorte. Ook de zaligheid wordt een genade genoemd (D.L. I, 5; III en IV, 5) en het gebed (H.C. 116) en de openbaring van Gods wil (D.L. III en IV, 7) en de aanneming tot kinderen D. L. V, 6). Laat echter niemand denken dat onze belijdenis alleen maar de suhjektieve genade noemt, we lezen immers ook over de verwerving van Gods genade door Christus (H.C. 37) en over de genade van de uitverkiezing (D.L. I, 7, 10, 13, 15, 18; vergelijk dit ook eens met Ef. 1 : 4-6!) en over de genade van de verheerlijking (N.G.B, 37 en D.L. I, 7 en 8). We komen ook de genadestaat tegen (D.L. V, 4 en 8; hoe zou het ook anders kunnen als het gaat over de volharding der heiligen!). Laat ik echter ophouden met het verwijzen naar de belijdenis.

Hetzelfde vind je in de Schrift zelf. Op iedere bladzijde kom je de genade van God tegen, of liever, de genadige God Zelf!

We zagen dus in de eerste plaats vanuit de Bijbel het trinitarische karakter van de genade: het welbehagen des Vaders, de verdiensten van Christus, de toeëigenende werking van de Heilige Geest (bevindelijke beleving van de genade). In de tweede plaats zagen we vanuit onze reformatorische belijdenis dat „de genade" niet maar een leeg begrip is, maar een heel konkreet „gevulde" werkelijkheid. Genade wordt bewezen, en die genadeweldaden zijn o.a.: de verkiezing, de wedergeboorte, het geloof, de bekering, de aanneming tot kinderen, de rechtvaardiging (verzoening, Vergeving der zonden), de heiligmaking, de verheerlijking en de zaligheid.

De genademiddelen

Je zegt misschien: allemaal mooi en prachtig, maar hoe kom ik nu aan die genade? En dat is inderdaad een belangrijke vraag, jonge vrienden.

Is de genade verkrijgbaar, en zo ja, hoe? We horen zo „onder ons" nogal eens de uitdrukking: „Er moet eerst plaats gemaakt worden voor genade", of „De He ere maakt plaats voor Zijn eigen werk". Dat is eigenlijk een contradictio interminis, een innerlijke tegenstrijdigheid, want ook dat plaatsmaken is genade. Dat verlangt God niet van ons, maar dat doet Hijzelf! Wij behoeven ook niet aan voorwaarden te voldoen om ons een geschikt voorwerp te maken voor de genade. We zijn immers niet remonstrants. We behoeven God ook niet een handje te helpen zodat Hij wat gemakkelijker Zijn genade in ons kan verheerlijken. We zijn immers niet Rooms. Maar wat moeten we dan?

Luister! Het is juist de zegen van de Reformatie geweest, dat zij ons (in tegenstelling tot de gratia-infusa-gedachte van de Roomse Kerk) voor het verkrijgen van de genade heeft gebonden aan het „sola Scriptura", door de Schrift alleen.

Wie genade wil ontvangen moet de middelen waarnemen. Zei Smijtegelt al niet: „Als je nat wil worden, moet je in de regen gaan staan"? Welnu, hèt genademiddel bij uitstek is het Woord van God waardoor de Heilige Geest het geloof werkt en versterkt. De vraag is dus nu: welke plaats heeft de Bijbel en de prediking, en de catechisatie en de jeugdvereniging en al het bezig zijn met Gods Woord in je leven? Staat het aan de rand van je leven, of neemt het de belangrijkste plaats in? De I-Ieere zegt: Klopt en u zal open gedaan worden, zoekt en gij zult vinden! Geloof je dat of denk je bij jezelf: dat meent Hij toch niet?

God is niets verplicht

Voor één ding moet je altijd erg oppassen als het over deze dingen gaat. En dat is de gedachte, dat God aan ons iets verplicht zou zijn.

Sla nog één keer de Dordtse Leerregels op in hoofdstuk III en IV art. 15. In het eerste deel daarvan staan drie dingen. In de eerste plaats dat God deze genade (het geloof) aan niemand schuldig is. Genade kan immers nooit een verplich-

ting inhouden, want dan is het geen genade meer. Iioe zou God aan zondaren en leugenaars Zijn genade schuldig zijn? In de tweede plaats lezen we daar, dat degene, die de genade van het geloof ontvangt aan de Heere een eeuwige dankbaarheid verschuldigd is.

Tenslotte zegt onze belijdenis daar, dat degene, die de genade van het geloof niet ontvangt, zelfgenoegzaam is en zorgeloos. Die zal dus nooit kunnen zeggen: God wilde het mij niet geven, maar die wilde zelf de genade niet ontvangen. Die is een verachter van Zijn genade. Die zegt met sprekende daden: „Wijk van mij, want aan de kennis van Uw wegen heb ik geen lust". Die is ook zorgeloos, dat wil zeggen die acht de rijkdom en de begeerlijkheid van deze wereld hoger dan de genade.

Juist omdat God niets verplicht is, wordt het zo'n wonder als Hij het toch schenkt. Want... jongelui, God schenkt Zijn genade weg hoor! Hij wil het kwijt aan ongelukkigen en mensen in nood. Hoor je daar misschien bij? Is het je dagelijkse verzuchting: Heere, U zoekt mijn hart, mijn oog blijft op U staren. God laat geen bidder staan hoor! Daar kun je vast van opaan. Wie tot Hem komt, in de nood van zijn of haar leven, bedelend om maar een kruimel van Zijn genade, denk je dat Hij die zal uitwerpen? Dat zou tegen Gods Woord zijn! Neen, de Heere is het niet verplicht, en wij zijn het onwaardig, maar daarom heet het juist „genade".

Uit genade zijt gij zalig geworden!

Wil je nog even heel kort samengevat, hebben wat er boven dit artikel staat: Alles uit genade"? Pak dan nog één keer je Bijbel erbij en lees Ef. 2 : 1-10. Dit gedeelte wordt wel de „Bijbel in het klein" genoemd.

Eerst tekent Paulus het schuldige „eertijds" van de gemeente (vs. 1-3). Mensen, die dood liggen in misdaden en zonden, die goddeloos wandelen naar de begeerlijkheden van hun vlees, en die daarom liggen onder de toorn van God. Daarna tekent Paulus het genadige „maar nu" van Gods ontferming (vers 4-7). „Maar God!", de Heere greep in. Had Hij dit niet gedaan, dan zou de mensheid reddeloos verloren het eeuwig verderf tegemoet zijn gegaan. Dit

goddelijk „maar" staat hier in scherpe tegenstelling tot onze verlorenheid en de verdiende toorn. God is barmhartig en Zijn liefde is onpeilbaar diep. Om doden uit hun geestelijke dood op te wekken heeft. Hij Zijn eigen Zoon ervoor over gehad. Hij stierf opdat wij zouden leven. Hij heeft ons levend gemaakt met Christus, En let nu eens op de uitroep die hier in vers 5 tussen haakjes staat: Uit genade zijt gij zalig geworden.

Midden in zijn uiteenzetting van Gods genadewerk vervult de tegenstelling tussen de welverdiende toorn en het uit genade geschonken leven Paulus zo hevig met ontroering, dat hij het niet laten kan om eerst in aanbidding en verwondering uit te roepen: Uit genade zijt gij zalig geworden! En daarna kan hij pas weer verder schrijven over de levensheiliging en de betoning van Gods genade en goedertierenheid. Tenslotte geeft Paulu's hier nog eens een samenvatting van wat hij al gezegd heeft en tekent hij het eenzijdige karakter van Gods genade (vs. 8-10). Opnieuw lezen we: Uit genade zijt gij zalig geworden! Alles uit genade! Wel door het geloof, want dat is nodig voor de toeëigening van het heil, maar ook dat geloof staat niet op onze rekening, want het is Gods gave. Kan het nog duidelijker? Toch gaat Paulus nog verder: niet uit de werken, opdat niemand roeme, Die goede werken zijn ten diepste ook een genadewerk van God, want God heeft ze zelfs voorbereid, dat wil zeggen, dat de goede werken al in de nieuwe schepping (verborgen) aanwezig zijn. Ze komen dus ook uit Gods hand. Door genade zijn onze goede werken ten diepste toch Gods werken. Tot deze uiterste konsekwentie voert Paulus hier zijn gedachten over het eenzijdige karakter van Gods heil.

Beste vrienden, heb je er iets van begrepen? Alles uit genade!

Als jullie en ik zalig worden, komt dat omdat God genade bewijst aan verloren zondaren. In dat woordje „genade" ligt eigenlijk alles wat jullie en ik nodig hebben. Daarin ligt de ruimte, die er bij God is om zalig te worden. En dan zo, dat. Hij alleen er de eer van krijgt. Want...

Alle roem is uitgesloten, onverdiende zaligheên , heb ik van Mijn God genoten, , 'k roem in vrije gunst alleen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 maart 1982

Daniel | 28 Pagina's

ALLES UIT GENADE

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 maart 1982

Daniel | 28 Pagina's