Het is mogelijk
Het is mogelijk dat deze vraag reeds wrevel opwekt. Die komt dan waarschijnlijk voort uit de negatieve klank die het woord „emancipatie" voor de meesten van ons heeft. We houden al dat emancipatiegedoe graag'ver van ons, zeker wanneer we daarbij aan de vrouwenbeweging, het feminisme, het baas-in-eigen-buik, het ongehuwde moederschap, het samenwonen, etc. denken.' Toch heeft het begrip „emancipatie" een veel bredere betekenis dan bijvoorbeeld het streven naar gelijke berechtiging van man én vrouw.
Wat betekent emancipatie?
Op allerlei terreinen kan sprake zijn van emancipatie. Van Dales Groot Woordenboek heeft als eerste betekenis bijvoorbeeld het vrijverklaren van slaven, lijfeigenen, enz.; als tweede: de ontheffing van vroeger bestaande beperkende bepalingen, toekenning van gelijke rechten, gelijkstelling voor de wet. (bijvoorbeeld de emancipatie van Joden in Rusland); als derde: het vrij maken van een drukkend gezag, zelfstandig maken of verklaren.
Je kunt nu zeggen: allemaal goed, maar geeft bovenstaande definitie van emancipatie dan wél recht om over de emancipatie van of binnen de Gereformeerde Gemeenten te spreken? Eerlijk gezegd vind ik in de drie genoemde woordenboekbetekenissen weinig aanleiding om op een wel of niet aanwezig emancipatie-proces van een kerkelijke gemeenschap als de onze in te gaan. De gevoelswaarde van het, woord en begrip „emancipatie" is echter nog niet uitgeput. Een voor ons doel heel bruikbare definitie trof ik aan in de Grote Winkler Prins Encyclopedie (uitgave 1968, deel VII, blz. 105), die ik hierbij bijna volledig weergeef. Emancipatie heet hier het proces waarbij sociale groeperingen vanuit een tweederangspositie in de samenleving naar een volwaardige plaats oprukken en geïntegreerde bestanddelen van de maatschappelijke orde worden. Dit. proces kan zelfs op een totale gelijkmaking uitlopen. Emancipatie kan van verschillende aard zijn: politiek, economisch, maatschappelijk (bijvoorbeeld toegang tot alle milieus, , instellingen en activiteiten) en cultureel (bijvoorbeeld aanvaarding van de kulturele stijl en waarden van de samenleving).
Mijn belangstelling voor dit betekenisveld van „emancipatie" werd alleen nog maar groter toen ik als illustratie de volgende zin las: „Voor Nederland is typerend de emancipatie der roomskatholieken en der Gereformeerde „kleine luiden" in de afgelopen eeuw".
De kerk een sociale groepering?
Je geeft je echter niet al te snel gewonnen en maakt de heel terechte tegenwerping: maar is de kerk, naar wezen immers het lichaam van Christus, dan als een sociale groepering af te doen? Inderdaad, de kerk als. gemeenschap van
ware Christgelovigen is nooit in sociologische termen te vatten; zij stijgt daar gelukkig ver boven uit. Voor dat laatste staat Christus Zélf als haar Hoofd, garant! Maar de kerk als vergadering van mensen, als een gemeenschap in het hier-en-nu temidden van andere gemeenschappen, mag en kan bezien worden als een „sociale groepering". Om wat beter zicht te krijgen op haar zijn-in-de-tijd, op haar reilen en zeilen kan een sociologische benadering zelfs zeer zeker haar nut hebben. De kerk in haar historische openbaringsvorm bestaat nu eenmaal uit mensen die hun plaats hebben in het volle leven van alle dag, hun plaats innemen of ingenomen hebben in het arbeidsproces, meeleven met de nieuwsberichten, hun oordeel uitspreken over allerlei maatschappelijke verschijnselen, kortom: op allerlei manieren te maken hebben met de dingen van alledag (zonder daar - hopelijk - volledig in op te gaan). Én dit rechtvaardigt m.i. de vraag: zijn ook onze gemeenten geëmancipeerd? En daarbij dienen we - in aansluiting bij wat hierboven gezegd werd - te bedenken dat we niet over de Gereformeerde Gemeenten als een abstracte zaak spreken, , maar als een gemeenschap die uit mensen bestaat, die in dit leven hun taak en plaats hebben en onmiskenbaar ook als kinderen van hun tijd gekenmerkt worden. De vraag luidt dan ook: zijn de mensen die in de opéénvolging der geslachten de Gereformeerde Gemeenten hebben gevormd, wellicht op de een of andere manier geëmancipeerd?
Is er iets veranderd in de Gereformeerde Gemeenten?
Deze vraag klemt temeer daar drs. H. A. Hofman aan het einde van zijn interessante kerkhistorische studie „Ledeboerianen en Kruisgezinden" onomwonden vaststelt, dat de Gereformeerde Gemeenten na 1945 „een nieuw gezicht" gekregen hebben, en even eerlijk als onthullend opmerkt dat de Gereformeerde Gemeenten van nu niet meer op één lijn te stellen zijn met de voormalige Ledeboeriaanse gemeenten en de Kruisgemeenten. We kunnen spreken van een emancipatie van de „stillen in den lande", zo luidt Hofmans conclusie. Daarmee zouden we. dit artikel kunnen besluiten. De vraag in de titel is positief beantwoord. We zijn er. We zijn geëmancipeerd!
Hoewel het erg verleidelijk is er nu verder het zwijgen aan toe te doen, mag ik me niet te gemakkelijk van mijn taak afmaken. Er is namelijk nog iets; meer te zeggen over deze materie. Ir. M. Houtman had me trouwens al aan het twijfelen gebracht. In zijn korte, maar belangrijke bijdrage „Met het oog op de samenleving" in „ons" gedenkboek, stuit ook hij uiteraard op de maatschappelijke ontwikkeling van ons kerkvolk. Toch stelt hij zich de vraag, of het beeld in vijfenzeventig jaar eigenlijk wel veranderd is. Zeker, het maatschappelijk isolement van het kerkvolk is doorbroken. De leden der gemeenten kan men op vele plaatsen in de-maatschappij tegenkomen. Vooral de jeugd komt daardoor veel meer dan vroeger met andere opvattingen en levensstijlen in aanraking. Maar, zo zegt hij, kerkelijk leeft men nog steeds in het veilige isolement van het eigen besloten wereldje. Evenals ds. G. H. Kersten in 1907 tegenover een kerkvolk stond dat in wezen geen oog: had voor wat zich in de maatschappij afspeelde, zo zou ook nu een leidersfiguur van het kaliber van Kersten dezelfde lauwheid ontmoeten, - wanneer het er om gaat mensen warm te krijgen voor hoogst noodzakelijke en maatschappelijke aktiviteiten. Evenals men vijfenzeventig jaar geleden zo gemakkelijk in twee werelden leefde, zo dreigt volgens Houtman ook nu nog datzelfde gevaar.
Er is veel veranderd — er is eigenlijk niet zoveel veranderd, zo kunnen we tot nu toe samenvatten.
„De emancipatie van de Gereformeerden"
Nogmaals: is er reden om van een emancipatie der Gereformeerde Gemeenten te spreken? Om serieus op deze vraag in te kunnen gaan, lijkt het me juist eerst de emancipatie-geschiedenis van Kuypers „kleine luiden" na te gaan, zoals deze beschreven wordt in een uiterst boeiend geschrift van J. Hendriks, „De emancipatie van de Gereformeerden", dat als ondertitel heeft „Sociologische bijdrage tot de verklaring van enige kenmerken van het huidige gereformeerde volksdeel".
Dat gereformeerde volksdeel zag hij als een duidelijke minoriteit, d.w.z. een subgroep die in de marge van de samenleving is te lokaliseren, geen macht heeft en gediscrimineerd wordt. Aan een dergelijke minoriteitspositie zitten altijd een subjectieve en een objectieve zijde. Subjectief: de groepering beleeft zichzelf in de samenleving als „vreemd" en wórdt ook door de samenleving als „vreemd" ervaren.
Objectief: er is inderdaad een zeer gering meedoen in allerlei maatschappelijke verbanden: de zgn. externe (naar buiten gerichte) integratie, zowel op sociaal als op cultureel vlak, is erg klein.
Het is, betoogt Hendriks verder, erg be-
langrijk of zich vanuit het bewustzijn een minoriteit te vormen, nu ook werkelijk een emancipatiebeweging gaat aftekenen.
Van dat laatste is alleen sprake als het „zelfbeeld" het zien wordt, als er een bepaald „fond" aan gemeenschappelijke cultuur is, als er leiders beschikbaar zijn en als er een „ideologie", een „leidende gedachte" binnen de groep aanwezig is die het streven van de minoriteit a.h.w.' rechtvaardigt.
Fasen in het emancipatieproces
Wanneer een emancipatie-beweging geslaagd mag heten, zijn er in het proces achteraf vaak een aantal fasen te onderscheiden.
De eerste fase begint als de bestaande verhoudingen voor de mensen die tot de desbetreffende minderheidsgroeperingen behoren, hun vanzelfsprekendheid gaan verliezen. Dit kan leiden tot protesten, petitionnementen, enz., maar één en ander blijft incidenteel. Het is de fase van bewustwording en protest.
In de tweede fase komt daarvoor in de plaats een duurzame confrontatie naar buiten. Dit betekent dat de groep zélf strakker gedisciplineerd en sterk geleid gaat worden, dat de sociale controle in de groep scherp wordt en dat men bewust kiest voor een strijdbaar isolement. Organisatie en confrontatie zijn de sleutelwoorden.
In fase drie zijn de eerste successen te vieren. De harde confrontatie leidt tot overwinningen. Maar dat betekent tevens dat de intensiteit van het conflict afneemt. Het, probleem wordt, hoe de groep strijdvaardig te houden is en de leden ervan te overtuigen zijn dat de strijd moet worden voortgezet. De doelen zijn bereikt. In de vierde fase wordt het voor steeds meer leden van de minderheidsgroepering duidelijk dat het conflict in principe beslecht is. Daarmee verliest de strakke organisatie haar funktioneel karakter. Het bewust gekozen isolement wordt doorbroken, eerst uiterst behoedzaam, maar daarna sneller en radicaler. De oudere leiders verliezen een deel van hun gezag. De integratie in de grotere samenleving komt daarmee tot stand. Het uiteenvallen van de groep wordt hierdoor bevorderd.
Een volledige assimilatie, een volledig opgaan-in-het-andere, is het einde. De herintegratie in de samenleving heeft plaatsgevonden. Van een voltooide emancipatie kan dus worden gesproken als de betreffende groepering als gelijkwaardig wordt erkend en gelijke kansen en mogelijkheden heeft. Dit houdt in dat zij haar minoriteitskenmerken verliest.
De emancipatiegeschiedenis van de „kleine luiden”
Eén en ander zien we heel duidelijk in de geschiedenis der kleine luiden, Kuypers Gereformeerden.
Een enkel voorbeeld daarvan.
Omstreeks 1870 begint er beweging te komen in de kring van deze kleine luiden. Vooral Kuyper maakt het gereformeerde volksdeel bewust van zijn belangrijke plaats in het volksleven (de „nationale kleur bij uitnemendheid"). Het aantal verenigingen groeit in deze eerste fase enorm. Eigen persorganen gaan een belangrijke rol spelen.
In de tweede fase wordt vooral de nadruk gelegd op de macht, om zo de gewenste veranderingen af te dwingen. Het is opnieuw Kuyper die een verband legt tussen macht en organisatie. Bovendien blijkt de samenwerking met enigszins andersgezinden niet langer mogelijk. Er komt bijvoorbeeld geen algemeen-christelijke maar een zuiver gereformeerde universiteit, de V.U. Voorts is een sterke concentratie op de hoofdzaken, ook een sterke „ascese" merkbaar. Tekenend is de wijze waarop de jongelingen wordt toegeroepen:
„Laat geen oogenblik onnut voorbijgaan, er is zoo verbazend veel te doen, ook voor de leden van de Geref. Jongelings-Vereenigingen. Waar zooveel te doen valt, behoeven wij' geen „tijddoodende" vermaken na te jagen".
Het is overigens geen wonder, dat reeds in de periode omstreeks de Eerste Wereldoorlog (het begin van de derde fase, die van de bereikte doeleinden: ± 1920 — 1950) de kritische waarschuwingen tegen activisme
en verwereldlijking toenemen. Dr. H. Bavinck bijvoorbeeld merkte heel terecht op, dat de christenen in vroeger dagen misschien om zichzelf de wereld vergaten, maar dat zijn generatie het gevaar loopt om in de wereld zichzelf te verliezen. „Wij zijn er heden ten dage op uit om de gansche wereld te bekeeren, om alle levensterreinen, gelijk het heet, voor Christus te veroveren; maar wij laten menigmaal na, te vragen, of wij zeiven in waarachtigheid tot God zijn bekeerd en in leven en sterven het eigendom van Christus zijn. En toch, op die vraag komt het wel degelijk aan."
In deze fase verwondert het niet, dat bijvoorbeeld het natuurwetenschappelijk wereldbeeld ook in de gereformeerde theologie doorbreekt; denk slechts aan de kwestie Geelkerken.
De vierde fase (vanaf ± 1950) zien we heel duidelijk al voorbereid door de oprichting in 1944 van de Werkgemeenschap Gereformeerde Jongeren, welke zich o.a. richtte tegen het formalisme en het intellectualisme in de Gereformeerde Kerken, en daarbij pleitte voor het uitgaan in de wereld in plaats van het zich terugtrekken in een veilig isolement. Overigens heeft ook de Tweede Wereldoorlog zélf, de doorbraak-gedachte zoals die binnen de P.v.d.A. snel aan invloed won, de industrialisatie en de verstedelijking van het platteland het gereformeerde isolement doorbroken. De belangrijkste drijfveer is echter van binnenuit gekomen, zoals we deze in toenemende mate in het interne afbraakproces binnen de Ger. Kerken na de Tweede Wereldoorlog hebben kunnen konstateren. Zo kon ds. Buskes, zelf een exgereformeerde, zeggen: „Er is in vele Gereformeerde kringen een mondainiteit, van welke het Gereformeerde volk geen weet heeft en die door hen, die er door aangetast zijn en zich er door laten aantasten, telkens principieel wordt afgewezen, een mondainiteit, die de Gereformeerde vroomheid uitholt."
De „kleine luiden" en de „stillen in den lande"
Zo zijn Kuypers Gereformeerde kleine luiden in bijna honderd jaren tijds een volledig geëmancipeerde gemeenschap gaan vormen. Resultaat: een „kerk-inde-rij", een volledig opgaan in allerlei maatschappelijke verbanden.
En opnieuw dringt zich de vraag op: zijn er bij de Gereformeerde Gemeenten parallelle ontwikkelingen te merken en zitten wij, al of niet, langs dezelfde stadia, ook in hetzelfde emancipatie-proces? Daarop willen we nu nader ingaan.
De geschiedenis nagaand, komen we dan tot de conclusie dat Kuypers „kleine luiden" toch weer andere mensen waren dan de „stillen in den lande", die ds. G. H. Kersten om zich heen wist te verzamelen. Aan het einde van de 19e eeuw leefden Ledeboerianen en Kruisgezinden in een volstrekt isolement. Men kwam de gemeenten vooral tegen in streken met een uitgesproken agrarisch karakter, vooral in Zeeland, de eilanden, Utrecht en op de Veluwe. De enkele predikanten stonden in hoog aanzien bij de kerkleden. Zij waren immers geroepen om de gemeenten te leiden. Daardoor waren zij ook dé gezagsdragers die het waarden-en normenpatroon hielpen vormen.
De ontwikkeling na 1907 bracht echter grote veranderingen met zich mee. Er kwam een gedeeltelijke doorbreking van het isolement. Door gezamenlijke kerkelijke aktiviteiten ontstond er een versterking van de onderlinge groepssaamhorigheid. Het kan niet anders of wij stuiten daarbij op de figuur van ds. G. H. Kersten, die bij de fusie in 1907 tussen Kruisgemeenten en Ledeboerianen zo'n uiterst belangrijke rol heeft 'gespeeld, o.a. door zijn pogingen om het gereformeerde kerkrecht tot gelding te brengen tegenover een vaak gezelschapsachtige kerkordelijke chaos. Zoals Kuyper Afgescheidenen en Dolerenden wist te verenigen, zo heeft Kersten menselijkerwijs gesproken Ledeboerianen en Kruisgezinden tot elkaar gebracht. Dezelfde opmerkingen zouden kunnen worden gemaakt t.a.v. een opleidingsinstituut, de Theologische School tegenover de V.U.; het oprichten van een politieke partij, de S.G.P. tegenover de A. R.P.; de oprichting van een Vereniging voor Gereformeerd Schoolverband en het stichten van eigen scholen tegenover de Unie „Een School met de Bijbel"; het schrijven van een dogmatisch werk „De Gereformeerde Dogmatiek" tegenover het vele wat Kuyper schreef, ook op dogmatisch terrein. Al met al is Kersten een duidelijk emancipatorisch figuur geweest in de kring der Gerefor-
meerde Gemeenten, wat ongetwijfeld samenhangt met zijn grote kwaliteiten als zgn. „prestige-leider", een kwalificatie die ook alweer op Kuyper van toepassing is.
Veranderingen na 1907
Door deze aktiviteiten, bijna geheel en bijna alle om de figuur van Kersten gekonsentreerd, gaat er na 1907 — zoals reeds gezegd — het een en ander veranderen. Niet alleen is de interne band Sterker geworden, ook extern gezien komt er een grotere deelname aan het maatschappelijk leven, zij het dat dit beperkt blijft tot onderwijs en politiek. Vooral na 1945 zien we tevens een verschuiving optreden in de sociale positie van de gemeenteleden. Denk alleen maar aan de totaal andere beroepen! Er is een heel duidelijk zgn. middenkader gekomen, terwijl ook leidinggevende academici heel wel hun plaats binnen de Gereformeerde Gemeenten hebben gevonden. Binnen onze kring heeft een school als „De Driestar" stellig voor het bedoelde middenkader gezorgd, terwijl de nu florerende scholengemeenschappen hun leerlingen al enige jaren doorzenden naar het wetenschappelijk onderwijs. Het aantal studenten en straks afgestudeerden zal dus zeker groter worden. Ook de pers heeft niet nagelaten een zekere invloed uit te oefenen, al is haar invloed uiteraard niet beperkt gebleven tot de Gereformeerde Gemeenten. Te denken valt bijvoorbeeld aan het maatschappelijk bewustzijnsproces waartoe met name het Ref. Dagbladheeft opgeroepen, recentelijk rondom de nota betreffende het homofielenbeleid en het Voorontwerp van een wet gelijke behandeling. Ook ons jeugdblad „Daniël" mag hierbij genoemd worden. Er wordt zoveel aktuele en breed-maatschappelijke voorlichting gegeven, dat men niet meer kan zeggen dat de vragen van deze tijd aan ons voorbijgaan.
De houding tegenover de kuituur
Een heel belangrijk kriterium lijkt me ook de houding welke tegenover de kuituur in algemene zin wordt ingenomen. Onze kring, is tot voor kort — en voor een groot deel ervan geldt dat nog — nooit kultuurminded geweest. Men was opgegroeid bij waarden en normen, die men in direkt verband bracht met de Bijbel, en die daarnaast in sterke mate bepaald zijn door de traditie, en welke gevoed wordt door een kuituur-^ patroon van een agrarisch-ambachtelijke samenleving.
Dit levenspatroon kenmerkte zich door een eenvoudige en sobere levensstijl, strenge normen m.b.t. de zondagsheiliging en m.b.t. het al of niet dragen van bepaalde kleding („zwarte kousen kerken"!). Ook in dit kuituurpatroon zijn na 1945 belangrijke wijzigingen ontstaan. Traditionele normen en waarden worden soms niet meer kritiekloos aanvaard, ook al door de veelvuldige kontakten met (enigszins) andersdenkenden in school en maatschappij.
Wat de kunst in engere zin betreft, is het duidelijk dat de beeldende vorming binnen het voortgezet onderwijs haar invloed nu reeds uitoefent en dat steeds sterker zal gaan doen. Het zelfde kan overigens ook gezegd worden naar aanleiding van literatuur-en muziekonderwijs.
De zgn. externe integratie van de individuele leden der Gereformeerde Gemeenten i's door deze ontwikkeling bepaald veel groter geworden. Het kan niet anders of deze vergrote deelname aan het maatschappelijk bestel brengt spanningen met zich mee. Enerzijds neemt de vrees toe dat door een veel openlijker en spontaner meeleven met allerlei maatschappelijke en kulturele ontwikkelingen het verval van de eigen groepsidentiteit bevorderd wordt, terwijl men zich anderzijds geroepen weet tot een meewerken in grotere samenwerkingsverbanden. Daarbij valt de zgn. sociale kontrole steeds meer weg.
Interne samenwerking
Het is echter tevens een feit, dat niet alleen de externe integratie is vergroot, ook de interne samenwerking is met name de laatste 10 a 15 jaar enorm toegenomen. Men leze nog maar eens het overzicht dat mevrouw Crum-Nieuwland voor het al eerder genoemde gedenkboek samenstelde onder de titel „Draagt; elkanders lasten". Wat een enorm aantal aktiviteiten, vrijwel geheel binnen de eigen groepering, gericht op de medemens! Een zekere korrektie van een al te vertikale gerichtheid valt hierbij zeker op te merken. Plet lijkt één geweldige inhaalmanoeuvre.
Nogmaals moet hier ook het jeugdwerk genoemd worden. Wat een geweldig samenbindende kracht heeft dit werk de laatste 20 jaren ten toon gespreid, zowel op plaatselijk, regionaal als landelijk terrein, maar ook door die aktiviteiten, die blijk geven van een breed besef van jeugdzorg (bijvoorbeeld verzorgende beroepen, studerenden). Al deze aktiviteiten betekenen een versterking van de interne sociale verbondenheid, omdat immers mede hierdoor gepoogd wordt een levensstijl te bewaren die kenmerkend is voor het eigen karakter van de Gereformeerde Gemeenten. Hiermee heeft
ook hst jeugdwerk er blijk van gegeven oog te hebben voor de noodzaak van integratie van een nog steeds groter "wordende groep jongeren met een opleidingsniveau dat hoger ligt dan vroeger. Niet de scheiding, maar de verbinding der generaties, vanuit eenzelfde waarlijk gereformeerde levensovertuiging is ons aller opdracht.
Zijn wij geëmancipeerd?
Zijn wij als (leden der) Gereformeerde Gemeenten nu geëmancipeerd volgens de regels van het boekje? Zijn we de genoemde vier fasen doorgegaan, staan we nog aan het begin of reeds aan het einde daarvan of emanciperen wij zónder de fasen die Hendriks zo keurig voor ons op een rij heeft gezet?
ïk geloof stellig, dat wij fase één in ons eigen kerkelijk leven herkennen. We zijn ons bewust van onze eigen identiteit.-Echter: zijn wij ons bewust dat deze eigen identiteit voor de samenleving als geheel van betekenis is en gaan wij-als-groep niet meer akkoord met een plaats in de marge van de samenleving? Ik geloof er niets van! Wanneer we (nogmaals: als groep) maar niet gehinderd worden, dan laten we de (post-christelijke) samenleving vrij gemakkelijk naast ons liggen.
Van fase twee (organisatie en konfrontatie) kunnen we eveneens kenmerkende trekjes herkennen. Ook wij zijn langzamerhand meesters geworden in het organiseren van allerlei interne samenwerkingsverbanden. Echter: met het doel om macht te verwerven en op konfrontatie uit te zijn? Opnieuw durf ik zeggen: ik geloof er niets van. Hoewel de felle stellingname zoals die bijvoorbeeld in onze kring bleek tegenover het beruchte Voorontwerp toch wel eens een symptoom zou kunnen zijn van een mogelijk harder verzet. Het is mogelijk dat we op dit punt —• maar dan gedwongen door een steeds driester wordend god-loos staatsapparaat en niet met activistisch geldingselan — nog het één en ander kunnen meemaken.
Door het bovenstaande zou de conclusie kunnen luiden dat fase drie, het stadium van de bereikte doelen, voor ons nauwelijks van belang is. Maar het interessante is dat wij ook elementen uit déze fase herkennen. Als de doelen in een op emancipatie-gerichte groepering immers bereikt zijn, wordt het elan vaak minder, en kan de angst voor uitéénvallen van de groep juist leiden tot een verdere vergroting van de interne samenwerking, terwijl het extern gericht zijn minder belangrijk wordt.
Ik heb op de enorme vermeerdering van het aantal intern-gerichte organisaties reeds gewezen, terwijl daartegenover tevens kan worden opgemerkt dat een Gereformeerd Sociologisch Instituut (waarin eenmaal de Gereformeerde Gemeenten participeerden) niet meer bestaat en een interkerkelijk orgaan als het Contact Orgaan Gereformeerde Gezindte ons nauwelijks meer lijkt aan te spreken, om het over een organisatie als de I.C.C.C. maar in het geheel niet meer te hebben. De benadrukking van de eigen identiteit — ook theologisch — kan in dit verband ook zeker genoemd worden.
Fase vier lijkt evenals de derde in het geheel niet op ons van toepassing. Er is uiteraard van herintegratie in de samenleving geen sprake. Wij zijn ons altijd bewust geweest een groep aan de rand van de samenleving te zijn, , en daarbij hebben we vrede. Toch herinneren bepaalde waarschuwingen binnen onze kring, bijvoorbeeld die t.a.v. een toenemende wereld gelijkvormigheid, ons aan één der karaktertrekken van deze fase, namelijk die van een volledige gelijkschakeling met de grotere groep. Er zijn inderdaad onder ons randkerkelijken, op wie de situatie van de vierde fase toepasbaar is.
Zo kom ik tot de conclusie, dat onze gemeenten inderdaad op een bepaalde manier emancipatie-tendenzen heeft. Maar de
conclusie moet eveneens zijn, dat wij niet een emanciperende groepering zijn in de gebruikelijke sociologische zin van het woord. En dat heeft ongetwijfeld te maken met de bescheiden opstelling binnen het kerkelijk en maatschappelijk bestel welke ons bestaan als kerkelijke gemeenschap altijd heeft bepaald.
Dat heeft zéker ook te maken met het feit, dat onder ons heel sterk het besef geleefd heeft (en hopelijk nog leeft), hier beneden slechts vreemdelingen en pelgrims te zijn, ' waardoor de zaken der eeuwigheid belangrijker geacht worden dan de dingen van deze tijd.
Kersten is uiteindelijk geen Kuyper geweest en heeft dat ook niet — theologisch zowel als sociologisch — willen zijn. Wij zijn geëmancipeerd en wij zijn het tevens niet. Hofman en Houtman hebben beide gelijk.
De Gereformeerde Gemeenten hebben door de wonderlijke leiding van God een eigen plaats ontvangen. Temidden van een schrijnende kerkelijke verdeeldheid mogen we daar oog voor hebben. Deze kerk heeft te leven in een samenleving welke steeds meer ontkerstent.
Maar ook nu nog geldt: de kerk is ten diepste Gods zaak en niet een zaak van mensen, ook niet van sociologen! En daarom mag er hoop zijn voor de kerk, hoe de maatschappij zich ook zal ontwikkelen, in het midden waarvan zij zal moeten blijven getuigen.
GESPREKSVRAGEN
1. Tracht in jouw gemeente eens na te gaan, wat vroeger de meest voorkomende beroepen van gemeenteleden waren. Hoe ligt dat nu?
2. Probeer aan de hand van , , 'k Zal gedenken" vast te stellen, welke elementen in de geschiedenis der Gereformeerde Gemeenten een duidelijk emancipatie-karakter droegen
3. Mogen de Gereformeerde Gemeenten zich neerleggen bij het feit, aan de rand van de samenleving te verkeren?
4. Wordt de betrokkenheid van onze Gemeenten op die samenleving momenteel groter of kleiner? Weeg alle op eigen kring gerichte ontwikkelingen eens af tegen die-welke meer naar buiten gericht zijn.
5. Er wordt wel eens gezegd: „De Gereformeerde Gemeenten lijken veel op de Gereformeerde Kerken; ze komen alleen maar een 40 tot 50 jaar achteraan". Ben je het hier wel of niet mee eens?
6. Als het waar is dat we ons altijd hebben tevreden gesteld met een plaats aan de rand van de samenleving, hoe zou dat dan komen? Heeft dat te maken met de tere vreze Gods, waardoor men zich een vreemdeling hier beneden weet, of is het te verklaren uit een sfeer van lijdelijkheid?
7. Moeten jullie — wanneer je de capaciteiten hebt — in deze tijd gestimuleerd worden om b.v. een universitaire studie te beginnen of juist niet?
LITERATUUR
1.Dr. J. Hendriks: De emancipatie van de gereformeerden. Sociologische bijdrage tot de verklaring van enige kenmerken van het huidige gereformeerde volksdeel. Alphen aan. de Rijn, 1971.
2. Emancipatie in Nederland. De ontvoogding van burgerij en confessionelen in de 19e eeuw. Samengesteld door J. C. Boogman en. C. A. Tamse.
3. M. Golverdingen: Ds. G. H. Kersten, facetten van zijn leven en werk. Amersfoort, 1971.
4. Drs. H. A. Hofman: Ledeboerianen en Kruisgezinden. Een kerkhistorische studie over het ontstaan van de Gereformeerde Gemeenten. Utrecht, 1977
5. 'k Zal gedenken. Portret van 75 jaar Gereformeerde Gemeenten. Samengesteld door Z. Crum-Nieuwland, H. A. Hofman, J. H. Mauritz' en D. J. Thijsen. Woerden, 1981.
6. Veranderend getij. Een bewerking van het gelijknamig rapport uitgebracht door het Gereformeerd Sociologisch Instituut. 1964.
7. J. J. Bos: Parallelli in het geestelijk klimaat van twee kerkelijke emancipatiegroeperingen. In: Bezinning, 17e jaargang nr. 6, 1962.
8. J. H. Mauritz: Het jeugdwerk in de Gereformeerde Gemeenten. Skriptie ter afsluiting van de opleiding Sociaal Cultureel werk aan „de Vijverberg" te Ede, 1977.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 maart 1982
Daniel | 28 Pagina's