LICHT IN DE WOESTIJN
ONS VERVOLGVERHAAL
Verder was moeder niet gekomen. Vader was opgestaan... bij al zijn leed, al zijn verdriet was dit de laatste druppel die de emmer over deed lopen...
De straf van Allah... moest die nu juist hem treffen. Juist nu Fedjah groter werd en hem kon helpen met manden vlechten. O. Allah, waarom toch ?
Terwijl de jongens met elkaar speelden, bleef Fedjah thuis... hij was blind. Als de mannen naar de stad trokken, bleef Fedjah alleen achter. De gouden stralen van de zon, die zo onbarmhartig op je kon schijnen, zag Fedjah niet meer... Fedjah bleef blind!
Tastend langs de huizen van het dorp gaat hij nu elke morgen naar de bron. Daar blijft hij zitten, de lange, lange dag. En als de reizigers van hun kamelen afstappen strekt Fedjah z'n magere hand uit
„Aalmoes, heb meelij " klinkt zijn klagelijke stem. De reizigers werpen soms een verachtelijke blik op de blinde jongen. Sommigen tasten in hun beurs, en geven hem wat geld. Zo brengt Fedjah de dagen door.
Maar deze nacht kan hij echter niet 'slapen. Is het alleen van de kou, of is het ook van het verdriet? O, hij zou alles wel willen doen, als vader maar niet boos was. En, o wat geeft dat geld nu, waar vader altijd over spreekt, dan toch maar geen kameel O, en was moeder er maar.....
Moeder werkt echter ook in de stad. Ook zij moet geld verdienen voor hun dagelijks levensonderhoud en voor vaders groot verlangen te bereiken. Twee dagen in de week is ze dan weg, twee dagen dat Fedjah zich door een ieder verlaten voelt Dan denkt Fedjah aan Allah, hun god, dan vouwt hij zijn handen en langzaam prevelt hij: „Allah, help mij... help mij alstublieft, ik ben zo eenzaam, alles is zo donker help mij toch..."1
Een traan rolt uit Fedjah's oog op de deken. Hij merkt het niet meer... eindelijk is hij in slaap gevallen.
Dokter Willems loopt heen en weer. Een kleine ventilator verdrijft de warmte, hij merkt het echter niet. In gedachten staat hij voor het raam van zijn kamer. Hij kijkt op de binnenplaats van het ziekenhuis. Er lopen twee kinderen rond, ze zwaaien naar hem, maar hij ziet hen niet.
Dan valt z'n oog weer op het prachtig uitgesneden wandbord met de tekst: Mijn hulp is van de Meere, Die hemel en aarde gemaakt heeft.
Dan denkt hij terug aan de tijd dat hij nog in Nederland was. Hoe voelde hij de roepstem binnen in hem, toen hij afgestudeerd was voor dokter: „Ik heb nog andere schapen, die van deze stal niet zijn, deze moet Ik ook toebrengen". Toen er een plaats vrijkwam als artszendeling hier in de grote stad, aan de rand van de woestijn, heeft hij tegelijk gevoeld dat dit voor hem was. Tijdens de uitzendingsdienst had de predikant gesproken over die tekst, die hier aan de wand hangt.
Maar gedurende al die jaren dat hij hier werkt en waarin hij ook over God in de hemel sprak, Die de mensen moesten dienen in plaats van Allah, had hij zo weinig vrucht gezien. Als de zieken weer genezen waren en naar huis mochten terugkeren, hoorde hij nooit meer iets van hen. Wel soms de vijandschap...
Was hij hier wel op zijn plaats? Zou hij toch zijn plan, dat al enige maanden in hem broedt, uit gaan voeren: zelf met de jeep en wat medicijnen en dergelijke naar dé kleine dorpen in de woestijn trekken en daar de zieken opzoeken en hen vertellen over de Heere Jezus, de Grote Medicijnmeester, die gebrokenen van hart geneest?
Dan neemt hij een besluit. De volgende morgen zal hij gaan. Hij kijkt op een routekaartje, waar de omliggende dorpen op staan.
(wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 maart 1982
Daniel | 28 Pagina's