LICHT IN DE WOESTIJN
ONS VERVOLGVERHAAL
El-Asban vind je in geen enkele atlas. Iioe je ook zoekt, het dorpje kom je nergens op een landkaart tegen. Waarom ook?
Het kleine dorpje, dat, slechts honderd huizen — of zijn het meer bouwvallige krotten? — telt, ligt in de woestijn. Het is omgeven door dorre, troosteloze zandheuvels. Zo ver je kunt zien, alleen maar zand.
Door het dorpje loopt een weg. Deze leidt naar de grote stad. Over deze weg trekken de reizigers, de kooplui op hun kamelen, sommigen in jeeps, om hun koopwaar in de grote stad aan de man te brengen. Ze rusten soms even uit bij de bron, net bij de ingang van het dorp. De kamelen kunnen dan drinken. Er staan wat palmbomen, waaronder het lekker koel is.
Verder heeft het dorpje El-Asban niets aantrekkelijks te bieden.
Het lijkt overdag wel uitgestorven.
Alleen wat oude mensen die in de schaduw van hun. huisjes rondhangen. Hier en daar een schurftige hond, zo'n mager scharminkel, die zoekt in wat afval, maar verder is alles verlaten
't Is nacht.
De laatste olielampen zijn uitgedraaid. In de verte huilt een hyena. Het dorp slaapt. Iedereen is in diepe rust. Morgen komt er immers weer een nieuwe dag.
Fedjah kan niet slapen deze nacht. Hij draait wat heen en weer. Probeert het dan weer eens op z'n andere zij, maar het lukt niet.
Het is ook zo koud, en vader is nog steed's niet bij he'm geweest. Half verscholen onder wat lompen als deken ligt hij daar. Een rilling trekt door hem heen... de nachten in de woestijn kunnen zo koud zijn.
Kwam vader nu maar dan kon hij om wat dekens vragen. Ach, Fedjah weet het wel: vader houdt niet van hem. Vader is eigenlijk boos op hem, vader moppert altijd op hem. Vader geeft Fedjah de schuld ervan, dat ze het zo arm hebben.
Maar waarom stapt Fedjah dan niet zelf uit bed? Hij is toch niet bang in het donker? En als je heel zachtjes doet, hoort toch niemand het? Maar Fedjah kan niet Fedjah is... blind.
Het is al weer zeven jaar geleden. Fedjah was die middag thuisgekomen met roodomrande ogen. Tegen de avond waren ze nog veel meer opgezwollen. Ze uitwassen met water, de koude vochtige doeken ertegen hielpen niets.
Fedjah wist zich geen raad van de pijn. Zo had hij die nacht doorgebracht.
De volgende dag. had vader een buurman gehaald, die wel iets afwist van allerlei kwaaltjes, maar ook hij stond machteloos. Fedjah's ogen waren zwaar ontstoken.
Met wat zalf, gemaakt van gedroogde kippemest, had de buurman de ogen bestreken. Verder kon hij .niets doen... ja, alleen bidden tot Allah, maar zou dat helpen? !
Het werd alleen maar erger, vader en moeder keken machteloos toe. Hun enige zoon, hun kleine lieveling... zou hij blind worden? Zou niemand kunnen helpen?
Die dag hadden vader en moeder ook voor het eerst ruzie gehad. Vader had moeder geslagen. Fedjah had het gehoord. I-Iij wist wel dat het over hem ging. Hij wist ook wel dat als hij blind zou worden, hij nooit zou kunnen werken. En had vader geen plannen om zelf nog eens een kameel te kopen, net als die reizigers die door de dorpsstraat trokken naar de grote stad? Om zo zijn koopwaar naar de stad te vervoeren? Moeder had gezegd: „Dat is nu de straf van Allah; je bent in je handel nooit eerlijk geweest. Jij hebt de mensen altijd bedrogen. De rieten manden die jij maakt en die je in de stad aan de vreemde mensen verkoopt zijn veel te duur. En je weet toch wel dat Allah woeker verbiedt. Zie je nu wel, ., nu straft Allah ons."
(wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 februari 1982
Daniel | 28 Pagina's