JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

„DE BEKERING”

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

„DE BEKERING”

EEN BOEK DAT MEER AANDACHT VERDIENT

10 minuten leestijd

In ons jubileumboek werd er door enkele scribenten op gewezen dat onze predikanten het meestal te druk hebben. Daardoor verschijnen er zo weinig —-té weinig — boeken van hun hand. Geïnteresseerde gemeenteleden zijn dan aangewezen op boeken uit andere kringen. Dit kan een langzame verwijdering van onze gemeenten tot gevolg hebben, omdat vaak in die boeken een (iets) ander aksent gelegd wordt. Met name verliezen wij zo nogal wat leden aan de I-Ierv. Kerk.

Zowel om de inhoud als om het bovengenoemde verdient het boek van ds. C. Harinck „De bekering" ruime aandacht. Ruimer dan het tot nu toe gekregen heeft! Ds. Harinck schreef dit boek speciaal met het oog op onze jongeren. In het voorwoord lezen we: „Velen weten niet meer wat bekering eigenlijk is. Onze jeugd hoort wel van. de kansel over de bekering prediken, maar mist te veel om uit de mond van kinderen Gods te horen hoe God een zondaar tot bekering brengt. Zij worden maar al te dikwijls meegesleurd door allerlei onbijbelse gedachten over de bekering. Juist voor hen is dit boek bedoeld."

Het onderstaande kan je een kleine indruk van dit mooie boek geven.

De nodiging ertoe

Eén van de hoofdthema's van Christus' prediking was het „bekeert u". Niet alleen de noodzaak ervan, maar ook de mogelijkheid. God zweert: „Zo waarachtig als Ik leef, zo Ik lust heb in de dood van de goddeloze, maar daarin heb Ik lust dat hij zich bekeert van zijn weg en leeft." God zegt: „Kom weer terug!" Zelfs voor de grootste van. de zondaren geldt dit. Niet onze zonden zullen ons de ingang in het Koninkrijk Gods in de weg staan, „maar wel onze onbekeerlijkheid daarover."

De twee delen van de bekering

„In het werk van de bekering komt de door de Heilige Geest overtuigde zondaar tot zichzelf en keert zich af van alle zonde om zich toe te keren tot God om genade en barmhartigheid te verkrijgen." Al verlaat de zonde ons nooit, er zal wel tegen gestreden worden. „Het ganse leven van een Christen is een oorlog. Het is een oorlog met vele veldslagen. Soms wint de Christen er één, maar dikwijls verliest hij er ook één." Toch zal deze afkeer van de zonde altijd zichtbaar zijn in iemands leven.

De bron van de bekering is „het zich toekeren tot God en Zijn genade, geopenbaard in het Evangelie." „Ja, er is geen waar breken met de zonde mogelijk zonder de hoop op Gods genade." Velen komen nog wel tot het eerste, maar niet tot het tweede. „Hier onderscheidt zich de waar bekeerde van de geveinsde."

De evangelische en wettische bekering

„In de wettische bekering wordt de zondaar aangedaan met vrees voor de straf op de zon3e en keert hij zich uit die vrees af van zijn zonden en ongerechtigheden. Zo iemand keert zich echter niet met zijn hart tot God, zijn hart zoekt noch God, noch de genade Gods, in Christus geopenbaard. Men is wel gewillig om van de ellende verlost te worden en zoekt deze verlossing dan ook op zijn. eigen wijze. Het gaat in al dit zoeken echter niet om hersteld' te worden in Gods gun: st en gemeenschap. Zij hebben geen smaak in het dienen van God. Hun hart schreeuwt niet, naar God' als een hert schreeuwt naar de waterstromen."

In de evangelische bekering daarentegen is er een bevatting van Gods barmhartigheid. We weten dan gezondigd te

hebben tegen een goedertieren en genadig God.

En deze bevatting van Gods barmhartigheid vloeit voort uit het horen van de beloften van het Evangelie. Iieel fijn tekent ds. Harinck dit werk van de Heilige Geest in het hart. „De dageraad des heils gaat soms al zeer vroeg op in de ziel. Zonder het voor zichzelf te bevatten, is er dikwijls enige kennis dat God ondanks onze zonden toch barmhartig kan zijn, omdat Christus in de wereld is gekomen. Alle evangelische hoop rust .dan ook op de bekendmaking van God in Zijn Woord', dat Hij in Christus een gaarne vergevend en genadig God is. Dit is de hoop, die krachtig is in het terugwinnen van een ziel voor God. Dit doet de mens zich tot God wenden en niet in wanhoop van Hem wegvluchten.

Het is de ontdekking van de liefde Gods in Zijn Zoon, die het hart breekt, en de verschrikkelijkheid van het zondigen tegen zulk een God ons voor ogen stelt. Het is daarom niet zozeer de dreiging van de Wet, die een mens tot God brengt, al heeft die Wet zijn funktie, maar het is de bevatting van de liefde Gods, die de zond_aar van zijn opstand en boosheid afkeert en doet wederkeren tot de Heere."

De wijze van bekering

Ds. Harinck wijst er in dit hoofdstuk allereerst op, dat dit een omstreden onderwerp is. Velen willen van een heilsorde niet weten. De Bijbel zelf verhaalt ons echter van vele bijbelheiligen hoe God hen tot bekering bracht. In de hoofdzaken daarvan is er een grote overeenkomst, in de bijzaken zijn er verschillen. Er is „een zekere orde in de toepassing van de zaligheid."

Zo kunnen onderscheiden — dus niet gescheiden — worden roeping, wedergeboorte, rechtvaardigmaking, aanneming tot kinderen, heiligmaking en heerlijkmaking. We moeten echter voorzichtig zijn. Zei Christus zelf niet over de wedergeboorte: „De wind blaast waarheen hij wil en gij hoort zijn geluid, maar gij weet niet vanwaar hij komt en waar hij heengaat; alzo is een iegelijk die uit de Geest geboren is."

In de prediking moet een predikant daarom niet naar voren komen „met zijn gedachten over hoe God mensen bekeert, maar steeds vanuit het Woord Gods" spreken. De weg der bekering is niet in een systeem te vangen.

Gods „meest gewone weg" is die zoals die in de Heidelbergse Catechismus beschreven wordt: de weg van kennis van ellende, verlossing en dankbaarheid. Hierbij is het de Wet die ontdekt, maar het Evangelie dat de droefheid naar God werkt. Daarom moet in de prediking vooral de nadruk liggen op de blijde boodschap van het Evangelie. Schreef Comrie niet: „Ik heb in het verloop van mijn leven en ook van mijn bediening ondervonden, dat het prediken van de vrije genade, van de heerlijkheid van de persoon des Middelaars, van het aanbod van zaligheid, van de gewilligheid van Christus om te zaligen, en van de voorrechten van dezulken, die in Hem zijn, het. meeste teweegbrengt om. de harten onder liefelijke aandoeningen te brengen; en integendeel dat uit het donderen der Wet niet anders dan een Kaïns berouw en een Judas' bekering voortkomt."

Verschil lende wegen

Aan de hand van het bekende — en onlangs herdrukte — werk „Des Christens groot Interest" van William Guthry gaat ds. Harinck in op vier wegen waarlangs de Heilige Geest gewoonlijk zondaren leidt en tot geloof in Christus brengt.

Als eerste noemt hij hen, die in hun jeugd tot God getrokken en bekeerd worden. Er is bij hen sprake van „een inwendig beginsel der liefde". En daardoor worden zij gedrongen tot de vreze des Heeren. Zij hebben een vermaak in het zoeken van de Heere, al kunnen ze vaak niet vertellen wanneer God precies in hun leven is gekomen.

De tweede weg is die van de plotselinge en evangelische bekering. Zoals bij Zacheüs. Slechts enkele liefdewoorden van Christus, die het werk der wet als verzwelgen, zijn dan nodig om zondaren tot het volgen van Hem te brengen. In de vruchten komt dit dan duidelijk openbaar.

Als derde worden genoemd degenen, die krachtdadig geroepen worden in de ure des doods. Te denken valt aan de moordenaar aan het kruis. Ds. Harinck haalt hierbij de woorden van een oude kerkvader aan: „Er staat maar één zulk geval in de Schrift vermeld, opdat niemand zijn of haar bekering zou uitstellen tot de dag d'eS doods, en toch ook weer één zo'n geval opdat niemand zou wanhopen zelfs op zijn sterfbed."

De vierde weg is dan de reeds genoem-

de weg die in. de H. C. aangewezen wordt. Binnen deze „gebruikelijke wijze" is er echter wel verschil in de trap en de mate van de kennis van eigen ellende.

In de ware bekering zal elke zondaar „zoveel van zijn nood (leren) kennen als noodzakelijk is om zich van alles af te keren en als een verloren zondaar tot Ohristus te vluchten." Grote angst en diepe wanhoop zijn daarom geen bewijzen voor de echtheid van de zaligmakende overtuiging. Het gaat erom dat deze overtuigingen ons gebracht hebben aan de voeten van Christus. Dat is de enige maatstaf voor de echtheid ervan. Daarom mag de Wet nooit gepredikt worden los van het Evangelie.

De boetvaardigheid en het geloof in Christus

In aansluiting bij Calvijn en Boston stelt d's. I-Iarinck dat de droefheid en boetvaardigheid-over de zonde gewerkt wordt door het geloof in het Evangelie. Komt de kennis van de zonde uit de Wet, „de boetvaardigheid over dit alles vloeit uit het Evangelie."

In dit verband wijst hij dan op twee dwalingen. De eerste is de dwaling die in de dagen van Boston veelvuldig voorkwam en ook nu nog voorkomt: de boetvaardigheid wordt gezien en gepredikt als een voorwaarde tot het, geloof. Zo wordt de mens echter op zichzelf teruggeworpen, in plaats van naar Christus gewezen. De tweede dwaling is, dat men oproept tot geloof, zonder dat het „bekeert u" klinkt. Dit zien we vandaag vooral bij de vele opwekkingsbewegingen.

De voltooiing van de werk der bekering is de vereniging met; Christus door het geloof. Al het werk van de overtuiging is daarop gericht. Comrie zei: „Alle overtuiging, die vroeg of laat niet tot Christus leidt, is niet zaligmakend."

Slotopmerking

De sterkste kant van dit boek vind ik de pastorale toon. Het is niet alleen een beschrijving van de bekering, maar het dringt er ook op aan. En hoewel ds. I-Iarinck duidelijk positie kiest •—• en daar zijn we hem dankbaar voor — wordt er in dit boek beslist geen polemiek gevoerd. Overtuigend is ook het gedurig beroep op Gods Woord en de vele citaten van tal van oudvaders, vooral de engelse en schotse (dit laatste zal niemand verbazen die hem kent). Jammer vind ik wel dat niet steeds aangegeven wordt waar de aangehaalde citaten te vinden zijn. Een enkele keer wreekt zich dit. Zo schrijft ds. Harinck op blz. 100 dat het lezen van Rom. 13 : 13 en 14 AugustinUs trof „als een pijl die zijn hart doorwondde en hem voor God deed neervallen." Zelf schrijft Augustinus echter in zijn Belijdenissen (boek 8, par. 12): Terstond toen ik deze woorden teneinde gelezen had, stroomde als het ware het licht van de gemoedsrust mijn hart binnen en alle duisternis-van twijfel vlood' heen."

Niet helemaal duidelijk — althans voor .mij — is-het slot van het boek. Hier word't gesproken over de vereniging met Christus. Dan lezen we op blz. 186: „Het geloof brengt vereniging m, et Christus teweeg". En even verderr„De begeerte naar vereniging met Christus iis een wezenlijke eigenschap van het zaligmakend geloof." Een vraag, bleef: is hier alleen sprake van onderscheiding of ook van scheiding? En ook: kent iedere gelovige de vereniging met Chrlstu's?

Tot slot nog een opmerking over de stijl. Vooral de eerste helft van het boek is wat breedsprakig. Met andere woorden wordt, vaak hetzelfde gezegd. Een vlottere stijl zou jongeren, , denk ik, meer aanspreken. Wie echter om deze dingen dit boek ongelezen laat liggen, doet zichzelf tekort.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 februari 1982

Daniel | 28 Pagina's

„DE BEKERING”

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 februari 1982

Daniel | 28 Pagina's